dinsdag 18 december 2012

De psycholoog

Als ik door het raam kijk, zie ik haar met een wit papieren zakdoekje haar tranen wegvegen. Ze kijkt wazig voor zich uit. Niet eens naar de man tegenover haar maar starend, dromerig naar de muur erachter. Je ziet de gedachten door haar hoofd gaan. Niet gestructureerd maar alles door elkaar. Eén grote brei is het en ze kan het niet meer ordenen. Het is op. Ze is moe gestreden. Er zijn enkel nog haar tranen. Het is maar een enkele blik die ik per ongeluk mee krijg tussen de opengevallen lamellen. Maar die ene blik is genoeg.

Eens zat ik ook tegenover een psycholoog. Geen man maar een vrouw. Ze vroeg me waarvoor ik kwam en zo goed als het kon vertelde ik mijn verhaal. Af en toe vroeg ze wat of zei wat. Maar het voegde weinig toe. Dat wat ze zei wist ik al lang. Maar toch moest ik het van haar horen. Dat zij me vertelde dat ik het goed deed. Gewoon even horen dat het goed is wat ik doe. En niet dat niemand me dat verteld maar ik moest het van haar horen. Ik snakte er naar het te horen. “Je trekt het aan he” zei ze. Ik keek haar vragend aan. Even wilde ik het weerleggen. Hem verdedigen. Ze zei nog net niet “je valt op de verkeerde mannen”, maar ze bedoelde het wel. Zo’n ontzettend verkeerde uitspraak. “Foute mannen”. Wat nou foutverkeerd. Misschien de combinatie niet of misschien wel de “verkeerde of foute vrouw”. Maar gelukkig zei ze het niet. Daardoor bleef het hangen. Het hing stil in de lucht.  En ik? Ik was stil. Ik wist het even niet.
Nog veel langer geleden, ooit in een ander leven zo lijkt het, zat ik tegen over iemand die me vertelde dat ik niet aan de eisen hoefde te voldoen. Dat leek onmogelijk. Al mijn hele leven voldeed ik aan de eisen. Ik was zelfs een rustige puber. Ik kon me altijd inleven in de ander en ik wilde vooral tegemoet komen. Voldoen aan de eisen die ze aan mij stelden. Toen ik de deur uitliep kreeg ik een opdracht. Te laat komen. Ik heb er een week over gedaan. En heel wat getwijfeld maar op de dag suprême kwam ik keurig te laat. Niet heel erg veel maar wel te laat. Maar de opdracht kon ik niet volbrengen. Want als me gezegd zou worden dat ik te laat was moest ik antwoorden: “Ik ben er toch”. Maar niemand vroeg me wat. Het maakte niet eens uit. Zoveel twijfel, zoveel moeite en niemand had het door.
Eerlijk gezegd heb ik liever andere “eerstelijns hulp gesprekken” zoals de gesprekken met mijn vriendin. Lekker ongezouten haar mening horen. De vragen waardoor ik nadenk. En iemand die me kent. Die me snapt. Die ook midden in het leven staat. Die weet wat het is. Die na een “sessie” bedankt zegt. Omdat haar vragen aan mij haar zelf aan het nadenken zetten. Of de gesprekken met een vriend die hard kan zeggen wat hij denkt. Hij mag dat. Van een ander pik ik dat niet maar van hem wel. Hij is geen haar beter dan ik. Misschien nog wel wat erger. Of een avond doorzakken en de volgende dag de consequenties dan maar nemen.
Dan denk ik aan de vrouw daar in die kamer. Zou het beter met haar gaan na het gesprek. Kan hij haar helpen? Is het haar jeugd, haar verleden? Wat maakt haar zo verdrietig. Maakt ze zich zorgen en zijn die zorgen om zich zelf of om geliefden? Heeft ze een moeilijke relatie, is haar man gestorven of is haar kind ongelukkig. Ondanks haar verdriet is ze mooi. Ze ziet er breekbaar en toch sterk uit. Zou ze terug gaan? Of zou ze haar rug weer rechten en zoals altijd weer de sterke vrouw zijn. Dat doen wat iedereen verwacht. Zou ze haar verdriet nu echt verwerken of weer gaan wegstoppen. Haar tranen laten opdrogen en het verdriet proberen weg te vegen. Wegvegen, droogdeppen met het witte papieren zakdoekje.