dinsdag 23 oktober 2012

Op weg naar de berg die ze ooit weer naar boven zal leiden

Als ik hem aankijk zie ik de pijn in zijn ogen. Zijn hoofd lijkt vol en leeg te gelijk. Af en toe kijkt hij wazig voor zich uit. Ik zou hem zo graag helpen, zo graag zijn pijn verlichten. Zijn hoofd leegmaken. De pijn en het verdriet eruit halen om weer de ruimte te geven aan de mooie herinneringen. Maar alles wat ik doen kan, is naast hem staan. Er zijn voor als hij ooit wel wil praten.

Als ik haar aankijk zie ik het verdriet. Soms reageert ze niet en dan weer te uitbundig. Af en toe kijkt ze blij en lijkt alles weer normaal. Ik zou haar zo graag helpen, haar verdriet verlichten. Haar hoofd leegmaken. De pijn en het verdriet eruit halen om ruimte te geven om mooie herinneringen te maken. Maar alles wat ik kan doen is haar aandacht geven. En er zijn voor als ze ooit wel wil praten.
Beide staan me na. Beide heb ik lief. Hun verdriet doet me pijn, maar helpen kan ik ze niet. Ik kan er voor ze zijn. Ik kan van ze houden. Ik kan ze vertellen dat achter de wolken de zon nog altijd voor ze schijnt en enkel wacht tot ze haar stralen weer op hun gezichten kan weerspiegelen. Ik kan ze aandacht geven of juist wat meer tijd alleen. Ik hoop dat ik het juiste doe.

Als ik hem aankijk zie ik de twijfel. We lopen en praten. En met elke voetstap die ik zet, ordenen mijn gedachten. Mijn hakken tikken op het beton van het pad. De frisse maar toch zwoele lucht is als balsem voor mijn longen. Af en toe kijk ik op zij. Zijn gedachten dwalen af en toe weg. De afgelopen week heeft hij niet geschreven. Dat is jammer want hij kan prachtig schrijven. Ik lees zijn verhalen graag. Maar deze week was het stil. Geen inspiratie zegt hij. Schrijven kun je niet dwingen, dat weet ik. Ik haal adem want ik weet dat het terug gaat komen. Maar nu is het stil. Maar met elke stap lijkt het als of hij een heel klein beetje opgeruimder kijkt. Soms zie ik een vonkje in zijn ogen. We lopen verder en praten verder. We lachen en houden elkaar vast. Ik sla mijn armen om hem heen en ik hoop dat zijn hoofd wat leger is.
Ze ontwijkt me. Als ik vraag wat er is zegt ze dat er niets is, maar haar stem verraad haar. Ik besluit haar te laten. Voor nu even te laten. Later op de avond als ze bij me zit, komen als vanzelf de tranen. Verteld ze haar gevoel, haar twijfel, haar angst, haar onzekerheid. Dan sla ik mijn armen om haar heen en leunt ze tegen mij aan. Ik kan haar troosten, geruststellen maar vooral luisteren. En tegelijk kan ik niets. Eigenlijk wist ik al wat er was. Ik voelde het. Te laat? Zij leek altijd zo zorgeloos van het leven te genieten. Waarom zag ik het niet eerder. Waarom was ik zo blind of stopte ik het weg. Of kon het niet eerder? Ik voel me machteloos, ik wil en wilde haar zo graag beschermen.
De volgende dag lees ik zijn verhaal. Een klein dal is overwonnen, even loopt hij op het rechte pad. Een recht pad dat misschien wel iets naar boven loopt. Maar er zullen nog meer dalen komen voor we weer bij de berg zijn die ons naar boven kan brengen. Dan zie ik haar lachen en hoor haar plannen maken. Ook daar is een klein dal overwonnen. Maar wat als ze niet kan praten met hem, als hij het niet ziet. Hoe kan ik haar dan door de volgende dalen heen helpen. Ben ik sterk genoeg om haar te kunnen helpen bij haar tocht naar de berg. De berg die haar ooit naar boven zal laten gaan.