donderdag 30 augustus 2012

Haar oma

Het was een vaste gewoonte, elke ochtend ging ze voor ze naar school ging eerst even naar haar oma. Maar die ochtend niet. Ze was een beetje laat, verslapen had ze zich en dus had ze haast. En dat was achteraf maar goed ook..…...
Het was woensdag 31 maart. Niets vermoedend ging ze die dag naar school. Het enige verschil met andere dagen was dat ze die ochtend niet de slaapkamer van haar oma was binnengelopen om te vragen of die een staart of vlecht in haar lange blonde haren wilde maken. Haar oma woonde bij haar in huis en was er altijd. Dat was fijn vond ze maar soms miste ze een oma om op zondag naar toe te gaan. Een plek waar dan de hele familie samen kwam en je kon spelen met neefjes en nichtjes. Op maandag hoorde ze die verhalen altijd op school. Zij had maar één oma, en die woonde bij hen in huis. De andere opa’s en oma’s waren al dood voor zij geboren werd. Oma was haar moeders moeder. Haar moeder was enig kind en omdat de vader en moeder van haar vader dus al dood waren, zag ze die neven en nichten niet zo vaak. Daarbij waren ze allemaal een stuk ouder dan haar, dus op zondag bij oma verstoppertje doen zat er toch niet in. Soms vroeg ze zich wel eens af hoe het was om een opa te hebben. Maar eigenlijk maakte haar oma wel alles goed. Als ze uit school kwam, ging ze meestal ook meteen naar haar toe. Soms zaten oma en mama samen beneden thee te drinken. In de avonden zat ze graag in de grote kamer van oma boven die oma haar “huiskamer” noemde. Ze keken dan samen tv of deden een spelletje. Bij oma was het altijd gezellig. Er branden kaarsjes en oma had altijd thee. Vaak met iets lekkers als koekjes op peperkoek zoals oma de ontbijtkoek altijd noemde.
Die middag zou ze naar haar broer gaan. Haar broer woonde niet meer thuis. Die was al getrouwd en drie weken geleden was zijn tweede kindje geboren. Net als de eerste ook een jongetje. Ze kwam graag bij haar broer en mocht er ook regelmatig logeren. Op haar 7e was ze voor het eerst tante geworden. Naast haar schoenen liep ze van trots. Maar de vrouw van haar oudste broer liet haar niet zo vaak bij de baby, dat was jammer. Toen ze 10 jaar was, was er een baby bij haar andere broer geboren. Dat was anders. Van dat schoonzusje mocht ze juist heel vaak helpen. Geweldig vond ze dat. Luiers verschonen, mee de baby in bad doen. Nu was er dus weer zo’n kleine hummel in huis. En dus verheugde ze zich vandaag ook erg op de middag. Het was woensdag en ze had de hele middag vrij van school. Ze zou snel thuis eten en dan op de fiets naar het huis van haar broer. Verlangend keek ze naar de klok, nog maar een paar minuten en dan zou de bel gaan.
Lachend kwam ze samen met haar klasgenootjes naar buiten. Buiten stond Roos, de vriendin van haar moeder. Verbaasd keek ze naar Roos. “Hoi,” zei die, “ik kom je gezellig ophalen van school.” Vreemd, dacht ze even maar liet het gelijk weer varen, want gezellig vond ze het wel. Onderweg naar huis vertelde Roos haar waarom ze naar school gekomen was. Die ochtend had haar moeder haar oma dood in bed gevonden. Maar daar snapte ze helemaal niets van. Dat kon helemaal niet. Zij zou die middag naar haar broer gaan. Ging dat dan niet door? Pff balen. Ze schrok van haar gedachten. En toen drong het langzaam door. Haar oma was dood. Maar, maar dat kon helemaal niet. Echt niet hoor. Want gisteravond nog had zij een koud washandje op het hoofd van oma gelegd omdat oma zo’n hoofdpijn had. Was het daardoor? Had zij nu haar oma vermoord? De paniek sloeg toe. Ze voelde tranen in haar ogen prikken. Moest ze het vertellen aan Roos. Moest ze vertellen dat het haar schuld was?
Thuis zat de hele familie aan tafel. Raar om zo iedereen bij elkaar te zien. Haar moeder had rode ogen en haar oudste broer keek zo treurig. Pff zij wilde dit niet. Zij wilde eigenlijk gewoon naar haar andere broer, gewoon dat dit gedoe er allemaal niet zou zijn. Ze wilde naar boven hollen om tegen oma te zeggen dat ze uit school was en dat ze zo naar de baby zou gaan. Oma zou dan trots kijken, die was mooi zomaar 3 keer overgrootmoeder geworden. En vanavond als ze thuis kwam zou ze weer naar boven hollen, nog met haar jas aan. Ze zou alles van de middag vertellen en oma zou de kaarsjes aan hebben en een pot thee…….
Langzaam kwam het besef. Ze zou nooit meer naar boven hollen… tenminste niet naar haar oma. Wil je nog mee gaan kijken vroeg haar moeder. Weer sloeg de paniek toe. Kijken? Kijken naar haar dode oma? Haar broer zag haar blik en zei dat het niet hoefde als ze dat niet wilde. Hij ging ook niet kijken. Dankbaar keek ze hem aan. Nee, ze wilde helemaal niet kijken naar haar dode oma. Ze wilde helemaal niet dat oma dood was. Zij zou aan oma denken zoals oma was. Aan oma die haar leerde breien, haar leerde rolschaatsen. Aan oma die dansend door de kamer ging en er bij zong “falerderalderie falderalderaaaa” zoals zij dat alleen kon op haar oma-manier. Aan oma die bij het circus op televisie altijd zij dat zij dat ook wel zou kunnen als ze de trapeze heen en weer zag slingeren. Aan oma die van een bezoekje aan haar vriendin thuis kon komen en vol overtuiging kon zeggen “tjonge zeg, ik zag die en die bij de bushalte en die was toch oud geworden”. Want oma was in haar hoofd nog altijd jong.
En als ze nu ’s avonds zelf de kaarsjes aan steekt, denkt ze altijd weer aan oma. Ze lijkt op haar oma. Heeft dezelfde gewoontes en in haar hoofd is ze net zo jong als hoor oma. De kaarsjes zijn een symbool voor haar oma. Haar oma van wie ze zoveel houdt.