dinsdag 28 augustus 2012

De handkus

Hij huilt. Ze kan veel hebben maar niet dat hij huilt. Hij mag niet huilen. Niet huilen bij het afscheid. In een opwelling draait ze zich om en steekt haar hoofd om de deurpost. Dan geeft ze hem een handkus. Een lach verschijnt door zijn tranen heen. Ze lacht naar hem en dan gaat ze weg.

Hij is haar vader en zit sinds kort in een tehuis. De handkus wordt hun ritueel. Haar manier om afscheid te nemen zonder dat hij huilt. Hij was 49 toen zij geboren werd. Zijn 3e kind, zijn eerste dochter, een nakomertje, zijn oogappel. Nu is hij 72 en zij 23 jaar oud. Sinds een tijdje is hij aan het dementeren. Niet heel erg maar toch. Hij weet dat hij de dingen vergeet. En dat doet haar verdriet. Soms hoopt ze dat hij het helemaal niet meer weet, zoals de vrouw die daar net naast hem zat. Dat is voor de familie en iedereen die van haar houdt misschien erg maar niet voor haar zelf. Zij is gelukkig in haar kleine wereld. Helemaal dement, dat zou ze wel kunnen handelen. Haar eigen verdriet kan ze wel aan, maar het zijne niet.  “Wat heb je vanavond gegeten?” vroeg ze hem in het begin als ze op bezoek kwam. Maar hij kan het niet vertellen. Met vragende ogen keek hij haar dan aan. Hij weet het wel maar tussen weten en zeggen zit een gat. Soms vraagt ze het nog wel eens. “Boontjes” zegt hij dan standaard terwijl hij lacht. “Lekker” antwoord ze hem dan met een grijns.  

Die dag kwam ze binnen en zag hem vanuit de verte met drie vrouwen in gesprek. Dichterbij gekomen hoorde ze dat ze alle vier over iets anders spraken. Ze moest moeite doen om haar lach in te houden. Van de meeste dingen kan ze de humor wel inzien. De mevrouw wiens tas elke avond gecontroleerd moet worden omdat ze elke dag al het bestek verzameld met een voorliefde voor de theelepeltjes. Die andere mevrouw die haar steevast “zuster” noemt en bij wie ze regelmatig aan de deur van het toilet staat te wachten omdat de deur van haar niet op slot mag maar ze bang is dat er iemand binnen komt.  Of de dame van 91 jaar die ze met de hand op het hart heeft beloofd dat ze haar vader wel even zal bellen om te vertellen dat mevrouw later thuis komt omdat het bandje zulke leuke liedjes speelde. De verpleging is blij met haar want ongemerkt neemt ze werk uit handen. En zij doet het met een gemak alsof ze nooit anders gedaan heeft. Behendig manoeuvreert ze avond aan avond tussen haar rollen die variĆ«ren van zuster tot toiletdame, met als hoogtepunt haar dochterrol. Alles kan ze aan, behalve het verdriet van haar vader als ze weer naar huis toe moet.

Zo ook op die dinsdag in april. Sterk is ze, want hij is dicht bij haar. Ze kan zijn hand op haar schouder voelen, het is goed zo.  Ze leest een gedicht aan hem voor. “Er was eens een boom, een grote boom, die met zijn takken langs de waterkant stond”, leest ze. Het is stil, iedereen luistert aandachtig. “Op een zekere dag kwam er een man, gewapend met een mes. De boom hield van schrik het ruisen in, maar er was geen ontkomen meer aan. De man sneed de mooiste tak van de boom en nam hem mee naar huis. Drie dagen later kwam de man opnieuw en de boom werd weer angstig en bezorgd. De boom dacht: welke tak zou er nu aan de beurt zijn? Maar de man ging onder aan de voet van de boom zitten en blies op een fluit, die hij van de tak had gemaakt. De boom luisterde en verstond het lied.
Hoor je mij? Ken je me nog?” leest ze. “Ik ben van jou, uit jouw hout gesneden. Ik zing voortaan mijn eigen lied, maar jou vergeten doe ik niet. Ik leef, ik zing. Ik dank het aan jou”
Dan komt het onvermijdelijke, het laatste moment, het moment van afscheid nemen. En dat doet ze op hun manier. Ze loopt naar hem toe. Naar de kist, zijn kist. Ze leest nog een paar regels van het kleine gedicht dat op zijn bidprentje staat. Het laatste beetje is nu op, vaarwel en wees tevreden. Zij ziet niet de kist, zij ziet hem zoals hij er altijd voor haar was.  Ze kijkt hem aan en zegt hem voorgoed vaarwel ……… met een handkus.