dinsdag 19 februari 2013

Aan een zijden draadje

Broos en oud ligt ze daar. Een breekbaar mensje. Ineens besef ik des te meer dat ze al 87 jaar is. Ik zeg het vaak maar dan is het maar een getal. Nu zijn het 87 jaren die ineens zichtbaar zijn. Zonder haar haren netjes gewatergolfd en zonder haar bril ligt ze met slangetjes in haar neus en armen in het grote ziekenhuis bed. Mijn mama. Altijd zo sterk en stoer, maar nu zo breekbaar.

Als ik haar hand vastpak voel ik hoe warm ze het heeft. De tranen waren er voor ik bij haar bed stond en die zullen er straks vast wel weer zijn. Maar niet nu. Nu zit ik naast haar. Ze kijkt glazig rond en antwoord antwoorden die niet bij de vragen horen. Maar af en toe komt er een helder antwoord tussendoor. Haar hart is op heeft de arts gezegd. En ook dat mensen van haar leeftijd dit meestal niet overleven. Hard maar eerlijk. De verpleegster komt de medicatie vervangen en zegt terloops dat het nu toch wel moet gaan aanslaan. De woorden hangen in mijn hoofd maar eigenlijk wil ik ze niet toe laten.
Ze woont nog zelfstandig en kookt elke dag voor zich zelf. Knap vind ik dat. Als ik een paar dagen alleen ben, kook ik meestal niet. Zij wel. Een alarm voor oudere mensen wilde ze niet. Daarvoor in de plaats kan ze toch de buren bellen. Maar nu blijkt dat de buurman haar vier keer gebeld heeft in de avond maar dat er geen lampje in een van die bovenkamers van hem is gaan branden. Als ik er aan denk, word ik boos. Als mijn broer en schoonzus iets later gekomen waren….. Dat dat geen zin heeft om boos te worden of daarover na te denken, weet ik ook wel maar dat telt niet. Het is toevallig wel mijn mama. Nu weten we dus dat ze meer dan vierentwintig uur in de keuken op de grond gelegen heeft. Vierentwintig uur waarin mijn broer en schoonzus met hun schoondochter en kleindochters bij mij waren. Waarin we gelachen hebben, geen enkel idee wat er zo’n 150 kilometer verder gebeurd was. Vierentwintig uur waarvan zij zich niets meer herinnert.
Haar ogen zoeken de klok. “De tijd gaat sneller als er iemand is” zegt ze. Ik vraag of ze moe is maar ze wil niet dat ik wegga. Als ze nog een keer kijkt zegt ze “drie uur ga je weer weg” en ik heb het lef niet om een minuut eerder te gaan. De verpleegster en ik leggen haar rechter in bed. Ik zie haar lachen, zelfs haar ogen lachen mee. Een gelukzalige lach. Een gek gezicht maar zo vredig. Dan worden haar ogen weer glazig en staren naar het plafond. Ze knijpt zachtjes in mijn hand en haar mond trekt samen, haar ogen worden nat. Ik vraag haar wat er is. Ze schud zachtjes haar hoofd. Mijn mama die nooit haar emotie laat zien. Dus ook nu niet. Ik slik. Ze is moe. “Ga maar slapen” zeg ik. Ze knikt. Als ik haar nog een kus geef zegt ze: “het zandmannetje komt zo”. Ik glimlach meewarig en zwaai nog een laatste keer. Een laatste keer en even spookt de vraag door mijn hoofd of ik het hierna nog een keer zal kunnen doen. Als ik naar buiten loop probeer ik de tranen die achter mijn ogen prikken tegen te houden. Tegen te houden tot ik veilig alleen in de auto zit.
Als ik een uurtje later over de snelweg rij, voelt het raar en vervelend. Waarom woon ik zo’n klote eind weg. Heb ik haar verwaarloosd, te weinig op gezocht? Het is een dun lijntje tussen geluk en verdriet, tussen gezond zijn en ziek. Tussen het aanslaan van de antibiotica en niet. Een dun lijntje, een zijden draadje waaraan naar mijn gevoel nu haar leven hangt. Dan besef ik dat ik het weer niet gezegd heb. Mijn moeder was altijd een sterke vrouw. En zeggen dat ze van je houdt doet ze niet. We weten het wel, dat wel. En ik heb het vandaag ook weer niet gezegd. Ik heb niet gezegd “mama ik hou van je”. Als ik het besef zou ik het liefste omdraaien, linea recta terug. Maar ik rij door. Bang dat ik met terug gaan, toegeef aan mijn angst of het morgen nog wel kan. Ze weet het vast wel. Ze voelt het toch wel. Maar toch….. Als ik weer bij haar ben is dat het eerste wat ik zeg. Want hoewel we elkaar zo vaak niet begrijpen, ik hou van haar. Zo verschrikkelijk veel.