donderdag 14 maart 2013

Eenzame stoel aan zee

Als een stil relikwie staat hij daar. Helemaal alleen. Je weet dat er iemand moet zijn geweest. Iemand die hem daar heeft neer gezet. Het kan niet anders. Maar er is niemand te zien. Hij staat daar alleen, als stille herinnering aan iets of niets. Ik zal het nooit echt weten.

We lopen over het strand. Het is een koude maar mooie zondag. De zon schijnt en geeft een zilverachtige gloed aan het water. Ik heb mijn sjaal nog extra dicht om mij heen geslagen en handschoenen aan mijn handen. De hond rent vooruit, wij volgen gedwee. Genietend van de lucht, het strand, de zee en van elkaar. Veel is er gebeurd de afgelopen jaren. Voor hem en voor mij. De laatste keer dat ik aan het strand liep was met een vriendin. Hoeveel er al sinds die tijd weer gebeurt is. Het leven staat niet stil, al lijkt dat soms wel. Heel soms wil je het leven stil zetten om extra te genieten, en soms staat het leven stil omdat dat wat gebeurt teveel indruk maakt om in een seconde te kunnen verwerken. Dan staat de wereld stil voor jou. Minuten, uren, weken of soms wel maanden of jaren. Zo lang als nodig is, staat de wereld stil. Stil om jou de kans te geven weer adem te gaan halen en verder te gaan.

Als we terug lopen zie ik ineens de stoel. Midden op het strand staat hij daar. Alleen, leeg en eenzaam. In gedachte zie ik iemand op de stoel, in eerste instantie uitkijkend over de zee. Denkend, nadenkend over het leven. Zijn leven. Over wat er is gebeurd en hoe nu verder. Positief of negatief dat weet ik niet. In elk geval denkend over het verleden en de toekomst. Het heden bestaat uit de stoel, het strand en de zee. Vaag hoort hij de mensen om hem heen, vaag ziet hij de vogels vliegen en de honden over het strand rennen en kinderen die spelen. Dan wordt het hem te veel en draait hij de stoel om. Hij kan niet meer kijken in de leegte. De alles verzengde leegte die hem opvreet en vervult tegelijker tijd.
‘Zo stil, dat alle klokken zwegen ja. De tijd stond onbeweeglijk’ zingt blof. En zo voelt hij het terwijl hij daar zit, stil en onbeweeglijk in de stoel. ‘Ik zal vandaag de storm bedwingen en dan laten razen. Tot ze stil is met jou bij mij, kan ik alles, wil ik alles, en ik weet dat ik straks zonder, veel te klein en niks meer waard ben en geen dag meer door kan’ dreunen de woorden van Guus door zijn hoofd. Maar hij is hij al klaar voor de storm? Zal hij de storm ooit bedwingen? Is hij groot genoeg om de dagen weer door te gaan? Hij is het waard maar weet hij dat zelf ook?
De stoel laat me niet los. Ik kijk nog een keer om. Zo stil en leeg staat de stoel daar. Iets in mij trekt om op die stoel te gaan zitten. Om mijn gevoel zijn gang te laten gaan, daar in die stoel. Om het verdriet of de vreugde van de man of vrouw die daar in de stoel gezeten heeft te voelen. Om het verdriet of de vreugde van mijzelf te voelen. Om het verdriet of de vreugde van iedereen die me lief is te voelen. Maar in plaats van in de stoel te gaan zitten maak ik een foto. Een foto zodat ik later alsnog in de stoel kan kruipen. Dan maak ik nog meer foto’s. Foto’s van hem en van de hond en van hun samen. Van het strand en van de zee. En van de meeuwen. Dat moet, dat kan niet anders. Een dag aan zee zonder foto’s van meeuwen, is alsof de dag niet bestaan heeft. Dan steek ik mijn arm door die van hem, haal adem, laat het los en loop door. Ik loop door met de wetenschap dat de stoel voor altijd binnen handbereik zal zijn. De stoel zelf blijft achter, als stille herinnering aan iets of niets. Want dat zal ik nooit echt weten.