woensdag 8 mei 2013

Mijnheer de fietsert, ben ik al bruin?

‘Je wordt al bruin’ roept hij, terwijl hij voorbij fietst in zijn fel rode windjack. ‘Ja he’ roep ik vrolijk terug terwijl ik mijn benen nog eens extra in de zon leg. Hij zwaait en lacht terug.  Ik zit languit op een tuinstoel met voetenbankje lui voor de caravan in de zon. Mijn warme trui van vanochtend heb ik verruild voor een topje en mijn spijkerbroek heeft plaats gemaakt voor een rokje waardoor mijn nog witte benen voorzichtig de eerste zonnestralen op kunnen vangen.

Het is heerlijk weer. Fietsweer vooral, want er komen heel wat fietsers voorbij over de stadswal aan het einde van het grasveld wat ik voor deze dagen bestempeld heb als ‘onze voortuin’. En allemaal hebben ze een mening over de camping. Niet een fietst er voorbij zonder een opmerking te plaatsen.
‘Is dat een camping?’ vraagt een vrouw aan haar man terwijl ze naar het veld kijkt waar zo’n twintig caravans en campers staan. Ze is niet eens blond. ‘Nee joh’ denk ik en kan het nog net bij denken houden. ‘Een camping? Hoe kom je er bij? Toevallig besloten we hier allemaal om op dit veld te gaan staan met de campers en caravans omdat er namelijk heel heel echt heel toevallig van die handige stroompaaltjes stonden en ook nog eens een toiletgebouw’. Na een opmerking of tien begint het echt komisch te worden. Je zou bijna denken dat de camping een dag daarvoor pas aangelegd is. En de fietsende menigte lijkt te denken dat ze of zacht praten of dat wij niet alleen raar op een veld staan maar ook nog eens doof zijn. En dat terwijl we niet eens in een rolstoel zitten. Want dan praten de mensen namelijk ook over je alsof je doofstom bent. Niet kunnen lopen is voor de gemiddelde mens een reden om over je heen tegen de degene achter de rolstoel te praten. En liefst wel over jou. Gewoon alsof je er niet bij zit. Hier op mijn stoel voelt het ongeveer net zo. Na een minuut of twintig bereiken de opmerkingen zonder enige toegevoegde waarden als vanzelf niet eens meer mijn oren.
Als de boom in de ‘voortuin’ er voor zorgt dat mijn benen in de schaduw komen, pak ik onhandig mijn stoel op en verhuis een paar meter naar links. Dat je ook dat niet ongemerkt kunt doen, merk ik als ik half over mijn stoel struikel en een mevrouw op de stadswal een kreet slaakt omdat ik bijna val. Het doet me in elk geval goed dat ze meeleeft en tegelijk bedenk ik dat ik dus op moet letten hoe ik zit. Niks lekker benen omhoog met dit rokje tenzij ik nog meer opmerkingen wil aanhoren.
Dan valt er een schaduw over me heen maar vanaf de geheel andere kant. Als ik naar boven kijk zie ik twee lachende ogen en een mond die een kust komt brengen of halen, dat is me niet helemaal duidelijk maar doet duidelijk ook niet ter zake. Ik word verwend met een heerlijk kopje koffie met een stroopwafel en geniet van de rust die de omgeving, zelfs met de bemoeierige spraakgrage fietsers, uitstraalt. ‘Tjonge is de deur van het plaatselijke bejaardenhuis open blijven staan’ zegt de mond die mij zojuist nog zoende. ‘En weet je dat het gemiddelde groepje fietsers uit 4 tot 6 personen bestaat?’ Ik kijk naar de fietsers die duidelijk genieten van eindelijk zon op hun snoet en die daardoor allemaal vriendelijk kijken. Mij maakt het niet uit. Laat ze maar genieten, dat doe ik duidelijk ook.

Dan leun ik achterover en doe mijn ogen dicht. Zou de man in het rode windjack al verschil zien. Ik besluit dat als ik hem per ongeluk terug zie fietsen, ik het hem zal vragen of nu ook mijn benen al wat bruin zijn. Pas een paar uur later zie ik op een aanplakbiljet dat het geen toeval is dat iedereen hier zo gezellig fietst en allemaal dezelfde kant op. Nee we zitten gewoon aan de route van de fietsvierdaagse. En of mijnheer de fietsert in het rode jack het verschil in kleur op mijn benen ziet, zal ik dus nooit weten.