zaterdag 11 mei 2013

WC-bril onder je oksels

‘Er was niks daar hoor’ zegt ze. Ze is een jaar of zes, misschien al zeven en zit relaxed achter op de fiets van haar moeder. Haar stemmetje babbelt vrolijk verder terwijl ik gestaag richting het toiletgebouw loop. ‘Er was geen wc-papier, geen wc-bril. Je moest alles meenemen’ gaat ze serieus verder. Mijn beeldende fantasie doet zijn werk al weer en ik zie de mensen voorbijkomen; linkerhand rolletje wc-papier en onder de rechter oksel het eigen wc-brilletje geklemd.  

Ik adem diep in en geniet van het heerlijke weer terwijl ik de hoek om ga en het toiletgebouw al in het zicht heb. Hier lopen we inderdaad met wc-papier. Op de vorige camping hoefde dat niet. Maar hier is een timer zodat je weet hoelang je nog warm water hebt. Dan bedenk ik me dat als ik deze week thuis was geweest in plaats van hier op de camping, ik waarschijnlijk amper buiten was geweest. Wat een geluk dat ik mee gegaan ben. Grappig genoeg schijnt niet iedereen dat te hebben. De mensheid is in twee soorten verdeeld bedenk ik mij; zij die kamperen leuk vinden en zei die zich er groen en geel aan ergeren.
Zij die zich groen en geel ergeren kunnen zich eenvoudigweg niet voorstellen dat je naar een toiletgebouw wil lopen met het bekende rolletje wc-papier onder de arm geklemd terwijl je thuis een toilet gewoon in huis hebt, misschien wel 2 of 3 toiletten zelfs en misschien nog wel met vloerverwarming zodat je helemaal niet afkoelt in de avond of nacht. Zij kunnen zich niet voorstellen dat je op een matrasje of luchtbed gaat slapen terwijl je thuis een slaapkamer hebt net zo groot of groter dan je hele tent of caravan met voortent erbij. En compleet met box spring of waterbed natuurlijk. Zij die niet in de kampeerwieg gelegd zijn net na de geboorte haken al spontaan af bij het idee van koken op butagas in een klein pannetje met los handvat wat je meestal de hele dag kwijt bent. Om over waterhalen en douchen met muntjes nog maar niet te spreken.
Gelukkig hebben mijn ouders direct na mijn geboorte iets van een tentje over mijn wieg heen gezet waardoor ik wel in de bekende kampeerwieg gelegen heb. En we gingen toen ik nog heel klein was al met de tent op pad. Heerlijk vond ik dat. Drie weken lang buiten leven, kamperen. Hoewel dat dat dan weer niet echt kamperen mocht heten. Want het liefst namen mijn ouders alles mee. Hoge stoelen, want anders zat je maag dubbel als je moest eten. Stretchers met een dik matras, anders sliep het niet lekker. En een koelkastje, wel zo praktisch vond mijn vader die niks had met de bekende koelboxen die hun naam meestal geen eer aan doen. En mijn moeder had te tent van binnen voorzien van gordijnen, want stel dat iemand je zou kunnen zien als je je aan het omkleden was. Als de zon zou schijnen zou je wel eens een silhouet kunnen ontdekken en dat moesten we niet hebben natuurlijk. Een caravan wilde mijn vader dan weer gek genoeg niet. Want dat vond hij geen echt kamperen.

Als we in de avond de campertjes die ook bij onze groep horen een soort van windscherm gespannen hebben, en we met dikke truien en fleecedekens en glas wijn om de barbecue zitten, terwijl de zon de hemel oranje kleurt en de grappen en verhalen heen en weer gaan, voel ik me gelukkig dat ik hier met deze groep zit. En vanavond… nou dan loop ik gewoon met wc-rol in mijn ene hand, mijn toilettas onder de arm geklemd, genietend hand in hand met mijn schatje naar het toiletgebouw om mijn tanden te poetsen. Lach ik van binnen om de wc-bril van het meisje en geniet ik onderweg van een prachtige sterrenhemel.