zaterdag 5 januari 2013

Ons dùrrup

Als ik langs het water loop en achterom kijk, besluit ik dat het hier echt een ander gevoel is. Ik woon hier nog niet zo lang. Wel in deze stad die ik eigenlijk altijd bestempel als dorp. Gewoon omdat iedereen hier elkaar lijkt te kennen. Maar nu woon ik in een stuk van de stad dat echt een dorp op zich is. Dat geeft me een geruststellend gevoel.

Het ligt overal buiten, dat dan weer wel. En ik maak de laatste tijd dus nog meer kilometers dan ik al deed. Het moet nog wennen het gevoel dat ik hier naar huis ga, maar langzaam komt het. Ik ben geboren in een stad, de vijfde grootste van Nederland. Toch heb ik meer met dorpen. Het knusse gevoel. Zo’n niet al te groot dorp, of liever gezegd “dùrrup” want ik blijf een Brabander natuurlijk. Zo’n dorp waar iedereen elkaar kent maar liefst weer niet zo klein dat je echt nog geen scheet kunt laten. Niet dat ik dat doe, maar bij wijze van spreken. Ik hou ook van de stad. De anonimiteit van een grote stad. Maar dan wel graag één met sfeer. Met grachten en oude gebouwen. Waar de sfeer van vroeger rond rondspookt terwijl tegelijk de neonreclames op je af denderen. Zo’n stad die altijd leeft en nooit gaat slapen. Want als je dan wil slapen ga je terug naar het bed in het dorp.
In mijn dùrrup woon ik aan de rand, bijna aan het water. Vanaf mijn voordeur amper twintig stappen. Als ik ’s avonds de hond uitlaat hoor ik het water klotsen. Al vanaf dat ik klein was, heb ik de droom ooit aan zee te wonen. Dit komt dicht in de buurt en ik prijs me gelukkig met het alternatief. Als ik langs het water loop, zit ik direct midden in de natuur en in de stilte en de rust. Achterom kijkend zie ik de huizen tegen de waterrand. Ze doen ouder aan dan ze zijn en dat vind ik wel prettig. Dat mis ik hier, oude huizen en de sfeer van jaren geleden. De sfeer van toen alles nog goed was. Niet dat het zo was, maar het is heerlijk om er in weg te dromen. De tijden van de bolderkarren en de hoepels. Van spelletjes doen en echt zelf gemaakt eten en de geur van brood. Van rust en tijd. En van waarschijnlijke de zelfde verlangens als nu.

Als ik het pad in sla dat terug loopt naar het de huizen in ons dùrrup, valt me op dat er veel vervallen is. Maar zoals altijd kan ik erg goed zo kijken, dat ik alleen het mooie zie. Niet dat ik mijn ogen sluit maar daar waar ik niks veranderen kan, pest ik mezelf liever niet. Daarbij komt dat ik een dromer ben. Ik loop langs huizen die als je ze goed fotografeert zo in een van de woonbladen zou kunnen. Je zou zo denken dat ze in een of ander godverlaten en vergeten klein dùrrup zouden staan. Je zou er zo een toeristische trekpleister van kunnen maken, tenminste als de huizen er omheen er niet zouden staan. Het lijkt in niets op de nieuwe stad. Het huis er naast is vervallen en het onkruid staat hoog. Ook leuk voor de foto maar toch wel een heel ander sfeerplaatje.
Als ik bijna thuis ben, kijk ik uit over het water. Het riet wuift en in de verte zie ik de gloed van de zon. Van mij mag het gaan vriezen. Ik wil hier wel ons halve dùrrup zien schaatsen. En als dat er niet in zit, maak er dan maar gelijk zomer van. De bootjes liggen al geduldig te wachten en ook ik kan bijna niet wachten om het hier tot leven te zien komen. Misschien moet ik er maar een aparte column van gaan maken. “Het leven in ons dùrrup”.