zaterdag 23 februari 2013

Ruimte wezens, vliegende schotels en serpentine

Een fel licht schrikt me op. Door het keukenraam zie ik een fel licht de keuken en kamer inschijnen. Even denk ik dat het de lampen van een auto zijn maar dan besef ik dat het iets anders is. De sfeer in huis veranderd er door. Het is een vreemd licht waar ik als een magneet naar toe getrokken wordt. Als vanzelf sta ik op en loop naar het raam. Even ben ik verblind, verblind door het licht. Maar dan….

Niet hier, niet waar ik woon. Eigenlijk helemaal niet. Alleen maar in films. En onze Andre natuurlijk maar die valt onder een andere categorie. Ruimte wezens bestaan niet. Toch? En dingen als vliegende schotels en zo al helemaal niet. Hooguit in Almere. Toen de kinderen nog heel klein waren maar wel groot genoeg voor science fiction liet ik ze geloven dat het gebouw net naast de snelweg in Almere een ruimteschip was. Soms zag ik dan ruimtewezens en riep ik: ‘bukken.’ Braaf bukte ze dan. Heel lang heeft dat natuurlijk niet geduurd.
Het felle licht verzacht. Ademloos kijk ik door het keukenraam naar het veld tegenover mijn huis. Een vreemd soort van voertuig staat geparkeerd op dat veld. Er knippert van alles maar het felle licht is uit. Dan schakelen een voor een ook de knipperende lichtjes uit en gaat er een soort van deur open. Langzaam, zoekend om zich heen kijkend, komen er wezens uit. Door de afstand maar ook door de  pakken die ze dragen, kan ik niet zien of het mannen of vrouwen zijn. Ze zijn met vijf. Tenminste, vijf die naar buiten komen. Ze hebben wel iets weg van Andre tijdens zijn laatste ruimtereis. Behalve dan dat er geen rood wit blauwe vlag op hun arm prijkt en dat de pakken niet wit zijn maar een soort van zilvergrijs.
Een van de mannen ….  Ja ik neem voor alle gemak maar gewoon een aan dat het mannen zijn en anders stel ik later de diagnose gewoon bij, tenslotte kon dat bij Johannes uh Johanna de bultrug ook. Goed, een van de mannen dus grijpt naar zijn “glazen bol” op zijn hoofd en lijkt een beweging te maken om het ding af te zetten. De andere raken bijna in paniek en gebaren wild met hun handen. Dan ziet een van hen mij achter het raam staan. Nieuwsgierig staart hij mij vanaf een afstand aan. Als aan de grond genageld sta ik daar en staar terug. Niet wetend wat ik doen moet.

Dan kijken ze elkaar aan en na een subtiel knikje lopen ze richting van mij en mijn huis. Aan de rand van de weg blijven ze staan en kijken naar elkaar. Dan komt er eentje verder, zoveel verder tot hij recht voor me staat en even met zijn neus tegen de ruit drukt. Dan wenkt hij mij. Zijn ogen kijken me vriendelijk aan. “Kom” lijkt zijn mond te zeggen. En als in een trance loop ik zonder er bij na te denken naar buiten. De dapperste van het stel, misschien wel de leider, kijkt mij doordringend aan. Dan raakt hij me voorzichtig aan. Zijn hand op mijn schouder. Dan maakt hij een vragend gebaar of ze de helmen af kunnen zetten. Ik knik en pas als ze allemaal hun handen op het ding op hun hoofd leggen, overvalt de paniek mij. Misschien kunnen zij wel helemaal niet zonder zuurstof of leven ze helemaal niet van zuurstof.
Een paar uur later loop ik terug naar huis. Gelukkig hoef ik niet ver. Ik weet even niet of het van vermoeidheid is of van de drankjes die ze veelvuldig voor me bleven inschenken. Gefeest hebben we en niet te zuinig ook. Het enige was de taalbarri√®re. Het klonk bekend maar ik kon er weinig van maken. Als ik na een paar uur slaap de hond ga uitlaten kijk ik naar de plek waar gisteren het soort van ruimteschip stond. Dan opeens valt mijn oog op een paar slierten op de grond. Rood, blauw en geel gekleurd. Ik ken die slierten. Serpentines. Heel wat rolletjes heb ik in mijn jeugd uitgeblazen. Als ik weer binnen ben zet ik de radio aan. Siep vult de keuken met ‘een nije dei’ en ineens valt het kwartje en is mijn hoofd helder. Mijn ruimtewezens komen niet zo heel ver hier vandaan uit het ‘land’ net onder de Waddeneilanden. En wat ze kwamen doen? Ze waren op zoek naar een gids om ze een paar weken te laat het gevoel van carnaval bij te brengen.