vrijdag 22 februari 2013

Spoken op de kruising

‘Ben je niet moe’ vraagt ze. Ik zeg dat ik een heerlijk bed heb en even wacht tot ze weer slaapt en dan ook wat ga slapen. Even staart ze alleen naar het plafond. Dan zegt ze ‘rond deze tijd begint het bij mij weer te spoken’. Ik kijk op de klok, de wijzers geven tien over één in de nacht aan. Dan sta ik op en pak de laptop weer. Ze kijkt me aan. ‘Ga maar slapen’ zeg ik ‘ik blijf nog even wakker’.  Ze knikt, nauwelijks waarneembaar en dan doet ze haar ogen dicht en slaapt verder.

Een paar uur daarvoor sms ik hem over hoe het gaat. Ik vertel over hoe anders de nacht is in vergelijking met de dag. De rust en het donker. Ik schrijf dat het iets magisch heeft. Maar vast ook iets engs als je je heel alleen voelt. En zij voelde zich zo alleen de afgelopen nachten. Hij antwoord over de energie in een ziekenhuis, de plek van hoop, vreugde, pijn en verdriet. Altijd intens. Gevoelens tussen hoop en wanhoop. Gelukkig zit ik in een kamer in de nieuwe vleugel en voelt het hier niet zo heel erg heftig.
Ik ben niet bang van spoken en ook niet van de nacht. Niet van het donker, niet van het licht. Niet van het leven, niet van de dood. Maar ik heb makkelijk praten. De dood staat bij mij nog niet in de gang te wachten. Bang soms van mijn gevoel als ik niet weet wat het brengen gaat, dat wel. De onmacht en onzekerheid. Bang ben ik dat ik het niet goed genoeg doe voor mijn kinderen. Maar van spoken ben ik niet bang. Spoken, wat zijn spoken. Spoken ze door je hoofd of dwalen ze door de gangen? Boze geesten of dwalende zielen opzoek naar wraak of naar de rust?
Gelovend in het goede van de mensen, geloof ik te vast ook in het goede van de geesten. Of is het dat ik nooit kwade geesten tegen gekomen ben. Je leest er over, zwarte demonen. Boos op zich zelf en op de rest van de wereld. Te vroeg en onheus van het leven beroofd. Dwalend en zoekend. Of hebben ze verkeerd geleefd. En zijn ze vooral bang van zichzelf. Net als de dwalende zielen opzoek naar rust is het niet anders dan in de levende wereld. De gevers en de nemers. De werkende en de profiterende. De mooie mensen die geleid zijn en zij die het pad verlaten hebben, altijd opzoek naar meer, naar te veel.
Ooit was ik in een kerk in België. En zij die mij een beetje kennen, weten dat ik geen kerk voorbij kan lopen of ik moet er even in kijken. Liefst een kaarsje aan steken en even kort Maria gedag zeggen. Maar deze kerk was omgebouwd. Het was een soort van tentoonstelling maar in de foute zin van het woord. Vijf stappen heb ik gedaan in die kerk toen ik het benauwd kreeg. Het leek alsof het gonsde in de kerk. Gonsde van boze geluiden. Boosheid en woede voerden de boventoon. Heel even stond ik stil. Daarna heb ik me omgedraaid om heel hard de kerk uit te lopen en niet meer terug te gaan.
Zij gelooft niet in geesten en spoken. Toch spookt het bij haar rond deze tijd. Maar niet nu. Niet nu ik hier naast haar zit en over haar waak. Gerust valt ze weer in een diepe slaap. Mijn vermoeidheid lijkt weer verdwenen of in elk geval naar de achtergrond geschoven. Mijn moeder instinct (of dochterinstinct) viert weer eens hoogtij en dus zit ik rustig wakker naast haar. Het heeft iets van reizen in de nacht alleen weet ik niet we vooruit of achteruit rijden. We blijven maar rondjes draaien op de kruising die nog alle kanten op kan. Soms als ze even helder is, denk ik even dat we naar het zonnige zuiden rijden. Maar dan als ze net als vanmiddag ineens haar handen ineen vouwt en onhoorbaar de woorden prevelt lijkt het alsof we zo stil zullen staan. Stil staan midden op de kruising en achter ons zal een file ontstaan. Heel even kan niemand een kant op.
Dan wordt ze wakker en hoest. Ik bel voor de nachtzuster en ze krijgt een kapje voor nevel. Ze knijpt hard in mijn hand en dan wijst ze belerend met haar wijsvinger. Ik heb geen idee wat ze me duidelijk wil maken. Ze schud met haar hoofd. Als ik vraag wat er is, wordt ze weer kalm. Nog heel even draaien we rondjes op de kruising. Dan besluit ze om door te rijden. Neem de tweede afslag op de rotonde. Samen hebben we de spoken verjaagd. Een half uur later ligt ze rustig op haar zij en is ze in slaap gevallen. Ik lees de laatste bladzijde van mijn boek en kruip in het bed naast het hare. Voorlopig hebben we de spoken getrotseerd. Voorlopig rijden we weer even rechtdoor.