maandag 17 september 2012

Het kaarsje dat niet uit mag gaan

“Ik werd bijna boos op hem,” zegt ze verdrietig “maar hij weet natuurlijk helemaal niet waarom die niet uit mocht. En hoe leg je het uit he?” ze kijkt me aan en even is ze stil en staart voor zich uit. “Hoe leg je uit dat je liefde voelt voor een meisje dat je niet kent en nooit zult leren kennen?”
Ik zit naast haar in het parkje buiten en denk na over wat ze zegt. Ik heb er wel eens over gehoord en gelezen, over meisjes of vrouwen die verliefd werden op mannen met wie ze correspondeerden. Meestal gevangenen. Maar dan kun je zeggen dat je verliefd word op de aandacht, op de brieven en meestal op de kans dat jij degene wel kunt helpen, op het rechte pad kunt krijgen. Maar bij haar is het zo anders. Niet te vergelijken met deze verhalen. Haar liefde voelt zo puur.  Ik ken haar niet zo goed. Vandaag raakte we zomaar aan de praat. Over het weer en over de kinderen. Op een of andere manier gaan gesprekken altijd weer over de kinderen.
Dan verteld ze me ineens zomaar uit het niets over haar vriend. “Heeft hij ook kinderen? “ vraag ik. Ze lijkt te aarzelen. “Uh nee, nou ja eigenlijk wel” stamelt ze. “Hij heeft een dochter maar die leeft niet meer, ze is dood geboren”. Ik ben stil. Dan vertelt ze mijn zijn verhaal en hoe dubbel het voelt. “Hij kent haar niet” zegt ze “en toch ook weer wel. Daar worstelt hij erg mee. De hoop en dat hij haar nooit zal leren kennen, nooit zal zien opgroeien. Ik ken haar helemaal niet, zal ook nooit de kans krijgen. Maar zij is wel een deel van hem en ik hou van hem. Dus ook van haar. Ze is altijd onzichtbaar maar wel heel dichtbij. Zo voelt dat”.
“Soms voel ik me zo schuldig” zegt ze dan. Verbaasd kijk ik haar aan. “Als zij er nog was geweest had ik hem misschien nooit leren kennen” legt ze uit. “Dan waren zij nog bij elkaar geweest.” Ik pak haar hand. “Niet doen” zeg ik zacht “het leven gaat zoals het gaat.” “Soms vraag ik in gedachte haar toestemming” zegt ze “dan vraag ik of ze het wel goed vind dat ik nu bij haar papa ben. En dan zoek ik naar een teken”. Er loopt een traan over haar wang. Ik knik en slik “Dat herken ik”, zeg ik dan.
Ze vertelde over hun kennismaking en hoe ze al voor ze zijn verhaal wist een kaarsje liet branden in een hartje en hoe geraakt hij daardoor was. Nu steken ze elke avond een kaarsje voor haar op. Samen of ieder apart, net zoals het uitkomt maar altijd brandt er een kaarsje voor haar. Thuis heeft hij een eigen plekje voor haar waar hij de kaarsjes brand. En ook zij heeft nu een vaste plaats, door hem uitgezocht. Daar brandt ze een kaarsje in een mooi glazen potje met een hartje erop. Van haar mag het lichtje nooit uitgeblazen worden. Dat voelt niet goed. Het liefst houdt ze het dag en nacht brandend.
“Ach, hij wilde helpen” komt ze terug op het voorval. “Hij kon het niet weten want dat het kaarsje voor haar brandt heb ik nooit verteld”. Ze kijkt me aan. Ik ken haar amper maar voel de warmte en liefde die ze uitstraalt. “Het is mooi” zeg ik dan. “Hij weet best dat je niet echt boos bent en hij weet en voelt ook dat je genoeg liefde hebt voor hen allemaal.