dinsdag 28 oktober 2014

Nevel op de berg

Een intense mist daalt neer. Even zie ik geen hand voor ogen. Dan ontdek ik contouren maar de nevel wil niet weg. Ik durf geen stap meer te zetten. Hoogtevrees en angst spelen mij parten. Moet ik nu vooruit of juist achteruit? Verschrikt blijf ik staan. Maar voor hoe lang?

Hand in hand lopen we de berg op. Allebei hebben we een behoorlijke rugzak mee die ondanks het formaat toch wel te tillen lijkt. Wat er bij de ander in de rugzak zit, weten we nog niet. Hoe kan het ook, we hebben er nog maar amper over gesproken. Het enige dat we weten is dat ons gevoel zegt dat we de berg op willen. Met grote passen beginnen we aan onze tocht. Ik heb niet het idee dat ik ren, maar echt slenteren is het ook niet. We lijken een zelfde tempo te hebben wat prima aanvoelt. Af en toe kijken we naar boven en glimlachen. Wat een prachtige berg daar voor ons, de zon die schijnt en de top die uitnodigend wenkt.

Terwijl we rustig het pad volgen, komt er ineens een stuk met prachtige bloemen. Ik geniet en voel de zon op mijn wangen. Mijn rugzak lijkt even niets te wegen en al pratend en lachend klimmen we verder. Hij lacht en straalt. Ik kijk nog eens vol vertrouwen naar boven en dan ineens is alles gehuld in mist. Het lijkt alsof de berg op zijn kop staat. Op de tast zoek ik naar degene naast mij. Hij zoekt ook, zijn handen dwalend door de mist op zoek naar houvast. Maar de houvast is er niet. Het is alsof hij door onzichtbare armen wordt weggepakt en in een achtbaan wordt gezet. Ik zie vaag de contouren van de wagons die met een sneltreinvaart alle kanten op bewegen.

‘Het komt goed’ fluister ik en heb geen idee of mijn woorden hoorbaar zijn. Komt het goed? En wat kan ik daar aan doen terwijl ik stil op de berg sta. Ik kan niet vooruit of achteruit en ik weet niet of blijven staan wel goed is. Vage beelden van voorheen vullen mijn gedachten. Toen ik daar ook op de berg stond, in een zelfde soort van mist, te wachten tot de mist op zou trekken. Vol vertrouwen bleef ik wachten tot het te laat was en ik koud en verkleumd achter bleef. Die mist is opgetrokken maar de nevel is nog steeds tastbaar in mijn rugzak.


Behalve op de berg is de mist nu ook in mijn hoofd aanwezig. Af en toe vang ik een glimp op van de achtbaan, de man en zijn rugzak. Steeds meer voel ik wat er in de rugzak zit maar zien mag ik het nog niet. En hij? Kan hij mij nog zien staan? De mist hangt als een dikke prop watten om hem heen en hij ziet geen hand voor ogen. Op gevoel zou hij het halen, makkelijk zelfs maar hij is zo vaak over de kop gegaan in deze achtbaan, dat hij niet eens meer weet op welke berg hij was. Is hij op een nieuwe berg of loopt hij nog zoekend op de vorige? Is het een nieuw pad dat hij ingeslagen is. En waar is hij eigenlijk naar op zoek? De achtbaan neemt een loopje met hem, letterlijk en figuurlijk. De mist maakt dat hij zijn pad even niet meer ziet. En ik? Ik weet nog steeds niet of ik een stapje vooruit moet of achteruit. En dus blijf ik weer staan.