Posts tonen met het label stad. Alle posts tonen
Posts tonen met het label stad. Alle posts tonen

maandag 14 januari 2013

De schaduw

‘Hoe gaat het met de verhuizing’ vraagt ze. Ze staat bij het rek met haarspeldjes in de drogist. Even ben ik van mijn stuk gebracht, hoe weet zij van mijn verhuizing. ‘Ja, je blogs he’ zegt ze lachend op mijn blijkbaar toch duidelijke maar niet uitgesproken vraag. Even bedenk ik of ik moet vertellen dat niet alles autobiografisch is, maar dan bedenk ik me dat ze vast slim genoeg is om dat zelf te bedenken.

Als ik even verderop bij de douche- en badproducten sta, komt er een man naast me staan. Ongemakkelijk draait hij wat heen en weer en fluistert dan ineens ‘u bent toch van die blos’. Verbaasd kijk ik hem aan. Ik ken de man niet, nooit eerder gezien ook. ‘Gekker moet het niet gaan worden’ denk ik nog ‘straks kan ik niet eens meer rustig naar de winkel’. Ik knik verlegen en nog steeds verbaasd. ‘Ik zou graag een keer mijn verhaal vertellen’ zegt hij. ‘En zou je dat dan op willen schrijven’. ‘Uh ja, dat kan’ zeg ik enigszins twijfelend. De man geeft me een kaartje met daarop een datum en een adres'. Dan is hij weg.
Twee dagen later zit ik in een voor mij onbekend restaurantje in een nabijgelegen plaats. Als de serveerster een kop koffie voor me neerzet, zie ik de man binnenkomen en rondkijken. Snel loopt hij naar mijn tafeltje en stelt zich voor. Er bekruipt me een raar gevoel dat het niet zijn echte naam is die hij noemt. Vrij snel begint hij te vertellen. ‘Ik ken haar al bijna mijn hele leven’ zegt hij ‘tenminste al heel lang. Ze is zo mooi, was ze vroeger al’. Even lijkt hij terug te gaan in de tijd. ‘Eigenlijk had ik al meteen een oogje op haar’ vervolgt hij al mijmerend. De blik in zijn ogen wordt zacht. 'Het eerste tijd zag ze mij niet, maar later kregen we contact. En eigenlijk is het nog zo’ zegt hij dan. Zijn toon is ineens veranderd. De laatste woorden zijn die van een verbitterde man. De blik in zijn ogen is veranderd naar wanhoop en hebben iets dat me angstig maakt.
Vragen wie het is, durf ik niet en dus zoek ik naar de goede vragen. ‘Zijn jullie vrienden?’ vraag ik. Dat helpt, er komt een glimlach over zijn gezicht. ‘Ja vrienden’ zegt hij ‘we zijn goede vrienden. Ze vindt mij leuk. Af en toe lacht ze zelfs naar me maar niet altijd ziet ze mij. Meestal ga ik wat verder weg staan. Vooral als hij er bij is’. Er klinkt minachting in het woordje ‘hij’ en ik vermoed dat hij het over haar man of vriend heeft. Met  elke zin die de man verteld, krijg ik meer het idee dat het niet klopt. Ik kijk schichtig om me heen om te zien of er wel mensen in mijn buurt zijn. Dan lacht hij ineens hard en schel ‘ze vindt me echt wel leuk hoor’ zegt hij. En ineens besef ik dat ze hem waarschijnlijk niet eens kent. ‘Zie je haar vaak’ vraag ik in een poging te achterhalen wie het is. Hij lacht ‘natuurlijk’ zegt hij overmoedig, ‘ze moet zo vaak ergens iets vertellen. Ze is belangrijk’ voegt hij er met een grijns aan toe. ‘Ze is de belangrijkste vrouw van de stad. En ze is mijn vriendin. Alleen van mij’.
De grimmigheid in zijn stem maakt me bang. ‘Heb je haar verteld dat je haar zo leuk vindt’ vraag ik in een poging het gesprek rustig en op gang te houden. De belangrijkste vrouw van de stad. ‘Welke stad’ roept het stemmetje in mij, ‘mens vraag dan door’. ‘Ik heb het wel eens geschreven’ haalt hij mij uit mijn innerlijke strijd. ‘Ze weet ook best wel dat ik elke dag even langsfiets en dat ik altijd overal bij ben. Ze weet het echt wel. En ik weet alles van haar’. Het klinkt haast dreigend. ‘Mag ik weten wie het is of waar ze woont?’ ik vraag het zomaar ineens. Zomaar ineens vliegen de woorden uit mijn mond. Verschrikt kijkt hij me aan. ‘Dan ga je het hem zeker vertellen he’ fluistert hij. ‘Dat ga ik je dus niet vertellen’ sist hij er achteraan en zijn ogen schieten vuur. Dan pakt hij als in een flits zijn jas en voor ik het besef staat hij al bij de deur. ‘Let jij maar op’, roept hij ‘misschien kun je er wat over schrijven want binnenkort weet toch iedereen het. Binnenkort is ze helemaal van mij…..’

zaterdag 5 januari 2013

Ons dùrrup

Als ik langs het water loop en achterom kijk, besluit ik dat het hier echt een ander gevoel is. Ik woon hier nog niet zo lang. Wel in deze stad die ik eigenlijk altijd bestempel als dorp. Gewoon omdat iedereen hier elkaar lijkt te kennen. Maar nu woon ik in een stuk van de stad dat echt een dorp op zich is. Dat geeft me een geruststellend gevoel.

Het ligt overal buiten, dat dan weer wel. En ik maak de laatste tijd dus nog meer kilometers dan ik al deed. Het moet nog wennen het gevoel dat ik hier naar huis ga, maar langzaam komt het. Ik ben geboren in een stad, de vijfde grootste van Nederland. Toch heb ik meer met dorpen. Het knusse gevoel. Zo’n niet al te groot dorp, of liever gezegd “dùrrup” want ik blijf een Brabander natuurlijk. Zo’n dorp waar iedereen elkaar kent maar liefst weer niet zo klein dat je echt nog geen scheet kunt laten. Niet dat ik dat doe, maar bij wijze van spreken. Ik hou ook van de stad. De anonimiteit van een grote stad. Maar dan wel graag één met sfeer. Met grachten en oude gebouwen. Waar de sfeer van vroeger rond rondspookt terwijl tegelijk de neonreclames op je af denderen. Zo’n stad die altijd leeft en nooit gaat slapen. Want als je dan wil slapen ga je terug naar het bed in het dorp.
In mijn dùrrup woon ik aan de rand, bijna aan het water. Vanaf mijn voordeur amper twintig stappen. Als ik ’s avonds de hond uitlaat hoor ik het water klotsen. Al vanaf dat ik klein was, heb ik de droom ooit aan zee te wonen. Dit komt dicht in de buurt en ik prijs me gelukkig met het alternatief. Als ik langs het water loop, zit ik direct midden in de natuur en in de stilte en de rust. Achterom kijkend zie ik de huizen tegen de waterrand. Ze doen ouder aan dan ze zijn en dat vind ik wel prettig. Dat mis ik hier, oude huizen en de sfeer van jaren geleden. De sfeer van toen alles nog goed was. Niet dat het zo was, maar het is heerlijk om er in weg te dromen. De tijden van de bolderkarren en de hoepels. Van spelletjes doen en echt zelf gemaakt eten en de geur van brood. Van rust en tijd. En van waarschijnlijke de zelfde verlangens als nu.

Als ik het pad in sla dat terug loopt naar het de huizen in ons dùrrup, valt me op dat er veel vervallen is. Maar zoals altijd kan ik erg goed zo kijken, dat ik alleen het mooie zie. Niet dat ik mijn ogen sluit maar daar waar ik niks veranderen kan, pest ik mezelf liever niet. Daarbij komt dat ik een dromer ben. Ik loop langs huizen die als je ze goed fotografeert zo in een van de woonbladen zou kunnen. Je zou zo denken dat ze in een of ander godverlaten en vergeten klein dùrrup zouden staan. Je zou er zo een toeristische trekpleister van kunnen maken, tenminste als de huizen er omheen er niet zouden staan. Het lijkt in niets op de nieuwe stad. Het huis er naast is vervallen en het onkruid staat hoog. Ook leuk voor de foto maar toch wel een heel ander sfeerplaatje.
Als ik bijna thuis ben, kijk ik uit over het water. Het riet wuift en in de verte zie ik de gloed van de zon. Van mij mag het gaan vriezen. Ik wil hier wel ons halve dùrrup zien schaatsen. En als dat er niet in zit, maak er dan maar gelijk zomer van. De bootjes liggen al geduldig te wachten en ook ik kan bijna niet wachten om het hier tot leven te zien komen. Misschien moet ik er maar een aparte column van gaan maken. “Het leven in ons dùrrup”.