Posts tonen met het label geesten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label geesten. Alle posts tonen

zondag 20 maart 2016

Donkere nacht

De dromen die me 's nachts plagen
komen als nare geesten
Ik weet ze zijn niet echt
Nou ja in elk geval de meesten

Maar in de donkere nacht
zijn er mensen die ik niet ken
en ben ik vergeten
waar ik eigenlijk ben

De angst verstikt me
het bloed jaagt 
maar mijn passen
gaan sloom en vertraagd

Ik val van bergen 
er zijn ogen die turen
En de minuten 
lijken nu uren te duren

Tot ik ontwaak 
uit de boze dromen
En ik na even weer
lijk los te komen

zaterdag 6 april 2013

Spooktrein

De lichten zijn aan. Toch is er niemand te zien. Spookachtig stil verlicht staan ze daar te staan. Terwijl ik voorbij rij, word mijn aandacht als vanzelf getrokken. Buiten is het aardedonker is, maar daar brand licht achter elk raampje. Ik kan zien dat er niemand binnen is. Zelfs vanaf de weg kan ik het zien zo licht is het daar binnen. Het is een vreemd stilleven, helverlichte treinen die eenzaam stil op een verlaten rangeerterrein staan. Een stilleven en spookbeeld tegelijk. Ik weet eigenlijk niet wat ik verwacht. Niemand of iemand te zien daar in die treinen. Ik weet niet wat me meer gerust zou stellen.

Ineens denk ik aan het spookstation. Vanaf dag 1 dat ik daarvan hoorde, wilde ik er heen. Er ligt een cache en zo wist ik van het bestaan. Een station gebouwd maar nooit afgebouwd. Nooit is er een trein gestopt. De bedoeling is dat hier ooit een station zal komen. Misschien als er een woonwijk komt, maar voorlopig ligt het spookachtig stil in het landschap. Een aantal keren ben ik het per trein gepasseerd. Als je het niet weet, merk je niet eens dat je een station nadert of er overheen dendert. Een heel aantal keren ben ik er met de auto vanuit de verte voorbij gereden en altijd werd mijn blik,  net als vanavond,  als een magneet er naar toe getrokken. Met als enig verschil dat daar geen trein te bekennen is.
Als een magneet, zo werkt het op mij. Net als het kasteel een eindje verderop. Het kasteel dat nooit afgebouwd is. Dat als een raar half afgebouwd al weer bijna vervallen stilleven, op een afstandje toekijkt. Waar ik klimop tegen zou laten groeien om er een soort van ruïne van te maken. Een vervallen ruïne op nieuw land. Een nieuwe trekpleister geboren. Een paar weken geleden las ik dat daar de meeste geesten van Nederland dwalen. Geesten van vergane schepen, tezamen op deze niet afgebouwde plek. Nog interessanter vind ik het kasteel nu, maar er alleen heen gaan leek me ineens geen slim plan meer. En toch….
Nog even kijk ik om, om zo een laatste glimp op te vangen van die stilstaande treinen. Helemaal verlicht en helemaal leeg. Tenminste dat denk ik. Simpel omdat ik niemand zie, maar of het zo is…
Dan denk ik terug aan de avond dat ik met mijn overbuurmeisje mee mocht naar haar nieuwe school. Ze gingen verhuizen en zij ging naar de middelbare school. Om al een beetje te wennen, was ze uitgenodigd voor een toneelstuk en ik mocht met haar mee. Nog zoek ik van tijd tot tijd of het stuk niet gewoon ergens speelt, zo graag zou ik nog een keer het zien en voelen. In mijn gedachten zie ik de leerlingen die wachtende mensen voorstelden op een perron. Zelfs in die tijd al speelden vertragingen van de NS al een rol. De laatste trein kwam dus niet en de wachtende mensen moesten overnachten in de wachtkamer van het station. De spanningen tussen de reizigers bouwden zich op. En de conducteur maakt het zeker niet minder erg. En ineens was het donker. Aardedonker. Alle lichten vielen uit. De flitsende lichten en een oorverdovend kedeng kedeng (zonder oe hoe) liet de toeschouwers geloven dat er een trein door de tot theater omgetoverde aula denderde. De laatste trein.

Is het de warme herinnering aan het mee mogen met mijn iets oudere overbuurmeisjes, het gevoel van groot zijn. De kunstzinnige inslag van de school die zo goed bij haar en haar ouders paste en waar ik me zo in thuis voelde. Of is het ’t mystieke van het ongrijpbare wat me zo aantrekt en waardoor ik naar die treinen toe zou willen. Er doorheen lopen en voelen.
Het is spookachtig stil en toch lijkt het daar zo druk. Is het het licht achter de raampjes of is het meer? Ik zal het nooit weten. Want in plaats toe te geven, probeer ik de magnetische kracht te ontwijken en rij ik door. Rechtdoor naar huis. Naar huis waar het de laatste dagen minstens net zo spookt.


vrijdag 22 februari 2013

Spoken op de kruising

‘Ben je niet moe’ vraagt ze. Ik zeg dat ik een heerlijk bed heb en even wacht tot ze weer slaapt en dan ook wat ga slapen. Even staart ze alleen naar het plafond. Dan zegt ze ‘rond deze tijd begint het bij mij weer te spoken’. Ik kijk op de klok, de wijzers geven tien over één in de nacht aan. Dan sta ik op en pak de laptop weer. Ze kijkt me aan. ‘Ga maar slapen’ zeg ik ‘ik blijf nog even wakker’.  Ze knikt, nauwelijks waarneembaar en dan doet ze haar ogen dicht en slaapt verder.

Een paar uur daarvoor sms ik hem over hoe het gaat. Ik vertel over hoe anders de nacht is in vergelijking met de dag. De rust en het donker. Ik schrijf dat het iets magisch heeft. Maar vast ook iets engs als je je heel alleen voelt. En zij voelde zich zo alleen de afgelopen nachten. Hij antwoord over de energie in een ziekenhuis, de plek van hoop, vreugde, pijn en verdriet. Altijd intens. Gevoelens tussen hoop en wanhoop. Gelukkig zit ik in een kamer in de nieuwe vleugel en voelt het hier niet zo heel erg heftig.
Ik ben niet bang van spoken en ook niet van de nacht. Niet van het donker, niet van het licht. Niet van het leven, niet van de dood. Maar ik heb makkelijk praten. De dood staat bij mij nog niet in de gang te wachten. Bang soms van mijn gevoel als ik niet weet wat het brengen gaat, dat wel. De onmacht en onzekerheid. Bang ben ik dat ik het niet goed genoeg doe voor mijn kinderen. Maar van spoken ben ik niet bang. Spoken, wat zijn spoken. Spoken ze door je hoofd of dwalen ze door de gangen? Boze geesten of dwalende zielen opzoek naar wraak of naar de rust?
Gelovend in het goede van de mensen, geloof ik te vast ook in het goede van de geesten. Of is het dat ik nooit kwade geesten tegen gekomen ben. Je leest er over, zwarte demonen. Boos op zich zelf en op de rest van de wereld. Te vroeg en onheus van het leven beroofd. Dwalend en zoekend. Of hebben ze verkeerd geleefd. En zijn ze vooral bang van zichzelf. Net als de dwalende zielen opzoek naar rust is het niet anders dan in de levende wereld. De gevers en de nemers. De werkende en de profiterende. De mooie mensen die geleid zijn en zij die het pad verlaten hebben, altijd opzoek naar meer, naar te veel.
Ooit was ik in een kerk in België. En zij die mij een beetje kennen, weten dat ik geen kerk voorbij kan lopen of ik moet er even in kijken. Liefst een kaarsje aan steken en even kort Maria gedag zeggen. Maar deze kerk was omgebouwd. Het was een soort van tentoonstelling maar in de foute zin van het woord. Vijf stappen heb ik gedaan in die kerk toen ik het benauwd kreeg. Het leek alsof het gonsde in de kerk. Gonsde van boze geluiden. Boosheid en woede voerden de boventoon. Heel even stond ik stil. Daarna heb ik me omgedraaid om heel hard de kerk uit te lopen en niet meer terug te gaan.
Zij gelooft niet in geesten en spoken. Toch spookt het bij haar rond deze tijd. Maar niet nu. Niet nu ik hier naast haar zit en over haar waak. Gerust valt ze weer in een diepe slaap. Mijn vermoeidheid lijkt weer verdwenen of in elk geval naar de achtergrond geschoven. Mijn moeder instinct (of dochterinstinct) viert weer eens hoogtij en dus zit ik rustig wakker naast haar. Het heeft iets van reizen in de nacht alleen weet ik niet we vooruit of achteruit rijden. We blijven maar rondjes draaien op de kruising die nog alle kanten op kan. Soms als ze even helder is, denk ik even dat we naar het zonnige zuiden rijden. Maar dan als ze net als vanmiddag ineens haar handen ineen vouwt en onhoorbaar de woorden prevelt lijkt het alsof we zo stil zullen staan. Stil staan midden op de kruising en achter ons zal een file ontstaan. Heel even kan niemand een kant op.
Dan wordt ze wakker en hoest. Ik bel voor de nachtzuster en ze krijgt een kapje voor nevel. Ze knijpt hard in mijn hand en dan wijst ze belerend met haar wijsvinger. Ik heb geen idee wat ze me duidelijk wil maken. Ze schud met haar hoofd. Als ik vraag wat er is, wordt ze weer kalm. Nog heel even draaien we rondjes op de kruising. Dan besluit ze om door te rijden. Neem de tweede afslag op de rotonde. Samen hebben we de spoken verjaagd. Een half uur later ligt ze rustig op haar zij en is ze in slaap gevallen. Ik lees de laatste bladzijde van mijn boek en kruip in het bed naast het hare. Voorlopig hebben we de spoken getrotseerd. Voorlopig rijden we weer even rechtdoor.  

vrijdag 31 augustus 2012

Geheime informatiebron

“Hoe weet je dat” vroeg ze verwonderd. “Van Kiki” antwoorde hij simpel. Zijn grote groene ogen keken haar vol vertrouwen aan, alsof hij iets zei dat behoorde tot de normaalste dingen van de wereld. En dat zij dat toch zou moeten begrijpen. “Kiki?” vroeg ze voorzichtig en ze probeerde haar verbazing enigszins te verbergen. Want Kiki, ze had geen flauw idee wie dat was.
Later kon ze zich niet meer herinneren wanneer het begonnen was. Haar zoon zal ongeveer 3 of 4 jaar oud geweest zijn. Misschien was het al wel eerder. De naam Kiki was steeds vaker teruggekomen. Kiki was zijn vriendje en Kiki wist overal het antwoord op. In het begin moest ze er nog wel om lachen maar langzaam aan begon ze te merken dat haar zoon echt antwoorden kon geven die hij op zijn leeftijd helemaal niet kon weten. Zo kon hij uitleggen hoe verzekeringen in elkaar zaten, hoe een spin een web maakte  maar ook wie wat wanneer had gedaan en over hoeveel nachtjes het ging sneeuwen. En elke keer weer als ze hem vroeg hoe hij dat wist, was zijn simpele antwoord dat Kiki dat verteld had. Wanneer hij dan met Kiki sprak heeft ze eigenlijk nooit gevraagd. Haar zoon was er zo van overtuigd dat Kiki bestond en altijd bij hem was, dat ze het maar zo gelaten heeft. Want ach, een beetje fantasie kan toch geen kwaad op die leeftijd.
Later begon ze te twijfelen of Kiki nu gewoon het een denkbeeldige fantasie vriendje was. Maar wat dan Kiki wel was……. Nou het ideale vriendje tot zover. Kiki wist overal een antwoord op, was slim, alleen op de achtergrond aanwezig en bleek ook nog eens over behoorlijk wat normen en waarden te beschikken. Want niet alleen gaf hij haar zoon antwoorden maar leerde hem ongemerkt ook nog eens wat wel en niet mocht. Haar hoorde je dus niet zeuren want welke moeder wil dat nou niet. En daarbij had je bij Kiki geen gezeur over ophalen en brengen, niets te maken met zijn ouders, logeerde hij standaard in het gezin en was koken voor meer niet eens nodig. Idealer kon het bijna niet.    
De omkeer in haar denken kwam toen zowel zoonlief als Kiki er van overtuigd bleken dat er nog een zusje zou komen. Nu hadden zij en haar man geen directe plannen voor nog een baby en dus deed ze het af met het idee dat hij op school vast iets had opgevangen over een zwangere moeder. Vervelender werd het toen diverse mensen haar gingen vragen of ze zwanger was omdat haar zoon regelmatig overal verkondigde dat hij een zusje zou krijgen. Tot op de dag dat ze ontdekte dat ze zwanger was, al 9 weken. In alle drukte had ze inderdaad niet gemerkt dat ze niet ongesteld geworden was. En toen ze na een paar weken gewend waren aan het idee en het aan de kinderen vertelde, wist haar oudste zoon alleen te vertellen dat hij dat al wist en dat de baby een zusje was.
Wat later wist hij haar te vertellen wanneer de baby geboren zou worden “op maandag na Pasen”en was hij zo overtuigd dat ze hem echt niet om de tuin kon leiden om hem wat eerder in bed te leggen met het idee dat hij uitgerust moest zijn als de baby zou komen. Want “mama is het morgen dan maandag” zei hij dan. En op haar “nee” antwoorde hij “oh maar onze baby wordt geboren op maandag”. Het  werd ongemerkt “het verhaal” in de familie. Toch was de verbazing groot toen hij op de voorspelde dag (2 weken na de uitgerekende datum) bij de geboorte van zijn zusje alleen maar zei “dat had de baby toch al aan mij verteld”.
Meer dan 10 jaar zijn we inmiddels verder. Het kleine ventje is inmiddels een kop groter dan zijn moeder. Kiki is inmiddels verleden tijd. Maar haar gedachten heeft hij vaak nog hardop uitgesproken compleet met de mededeling “dat vind jij toch ook mama”. Tja het besef dat je soms beter iets alleen kunt denken is pas in de jaren daarna gekomen. Vaak hoorde hij stemmen, voelde hij stemmingen aan en antwoorde hij op zijn moeders gedachten. Tot hij er echt zelf last van kreeg. Toen heeft ze hem meegenomen naar een vrouw die zijn mogelijkheden om meer op te vangen dan anderen wat meer “dicht” gedraaid heeft. Nu is het rustig in zijn hoofd. Problemen van anderen vangt hij niet langer op. Soms vindt ze dat wel jammer. Want ze is er van overtuigd dat haar zoon met een mooie gave bedeeld is. Maar ze gunt hem ook zo de rust om zich bezig te houden met school, vrienden en het groot en volwassen worden. Heel af en toe verteld ze hem wel eens over vroeger. Over de tijd dat hij wist over hoeveel nachtjes het ging sneeuwen en hij haar met “nee mama, niet Loelila” met zijn 2 jaar al probeerde duidelijk te maken dat de baby in haar buik geen meisje (Julia) maar toch echt een jongen was.  En hoe hij had voorspeld dat er daarna nog een zusje zou komen.
En heel heel heel af en toe verteld ze hem over Kiki.
“Kiki?” vraagt hij dan voorzichtig en probeert zijn  verbazing te verbergen. Want Kiki……… hij heeft geen flauw idee meer wie dat is.