Posts tonen met het label ziek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label ziek. Alle posts tonen

zondag 1 juni 2014

Gestorven van verdriet

Het lijkt alsof de grond onder mijn voeten wegzakt. Ik voel me moe. Moe en leeg van verdriet. De stemmen lijken weg te zakken of was het al stil? Ik weet het niet. Langzaam zak ik in elkaar. Iemand houdt mij vast en legt mij neer. Ik kan niet meer, ik ben zo moe. Op van verdriet. Moe gestreden. Alles is mij afgenomen en nu ga ik dood. Ik voel dat ik dood ga.

Ik weet niet precies waar ik ben maar naast mij, half achter mij, staat een man. Mijn liefde. Mijn grote liefde. Hij kijkt naar mij en ik voel ook zijn verdriet. Ik kan hem niet zien maar ik weet dat hij bij mij hoort. ‘Niet weggaan’ fluister ik, bang dat hij verdwijnt. Weer zal verdwijnen. Maar ik kan hem niet tegen houden. Hij wil niet weg maar hij wordt meegenomen. Bruut weggerukt bij mij door twee mannen in uniform. Mijn hand rijkt naar hem. Ik wil hem vasthouden, aanraken, terughalen, maar hij strompelt tegen zijn zin in weg. Meegesleurd door de mannen. Ik zie hem achterom kijken. ‘Nee!’ schreeuwt het in mij. Mijn lippen bewegen maar er komt amper geluid uit mijn mond. Naast mij staan mensen maar ik weet niet wie ze zijn. De vrouw naast mij houdt mijn hand vast, dat voel ik,  maar ze hoort niet hier in het nu. Alle tijden lopen door elkaar. Ik wil wel denken maar het gaat niet.

Het is oorlog. Maar waar hebben ze mij naar toe gebracht? Waar zijn mijn kinderen. Ik heb twee kinderen maar ze zijn hier niet. Of zijn ze er wel maar mag ik ze niet zien. Net als de man, mijn man. Mijn grote liefde, mijn alles. Alles en iedereen hebben ze van mij afgenomen. Ik ben sterk maar het verdriet verlamt mij en maakt mij klein en kwetsbaar. Ik voel me ziek, ziek van verdriet. Het doet zo immens pijn.

Dan zak ik langzaam weg. Alles wordt donker en stil en even blijft het zo. Donker en stil. Dan lijkt de zon te gaan schijnen. Het is nog steeds stil en leeg. Ik kan me niet bewegen en voel niets meer. Langzaam doe ik mijn ogen open. Moe ben ik, zo ontzettend moe. Dan vervaagt langzaam het beeld maar het gevoel blijft. Puzzelstukjes lijken op hun plaats te vallen terwijl tegelijk de puzzel helemaal door elkaar geschud wordt. Alles en tegelijk niets lijkt er nog logisch te zijn.

Als in een trance ga ik rechtop zitten. Pas later zal ik het begrijpen…


   

dinsdag 19 februari 2013

Aan een zijden draadje

Broos en oud ligt ze daar. Een breekbaar mensje. Ineens besef ik des te meer dat ze al 87 jaar is. Ik zeg het vaak maar dan is het maar een getal. Nu zijn het 87 jaren die ineens zichtbaar zijn. Zonder haar haren netjes gewatergolfd en zonder haar bril ligt ze met slangetjes in haar neus en armen in het grote ziekenhuis bed. Mijn mama. Altijd zo sterk en stoer, maar nu zo breekbaar.

Als ik haar hand vastpak voel ik hoe warm ze het heeft. De tranen waren er voor ik bij haar bed stond en die zullen er straks vast wel weer zijn. Maar niet nu. Nu zit ik naast haar. Ze kijkt glazig rond en antwoord antwoorden die niet bij de vragen horen. Maar af en toe komt er een helder antwoord tussendoor. Haar hart is op heeft de arts gezegd. En ook dat mensen van haar leeftijd dit meestal niet overleven. Hard maar eerlijk. De verpleegster komt de medicatie vervangen en zegt terloops dat het nu toch wel moet gaan aanslaan. De woorden hangen in mijn hoofd maar eigenlijk wil ik ze niet toe laten.
Ze woont nog zelfstandig en kookt elke dag voor zich zelf. Knap vind ik dat. Als ik een paar dagen alleen ben, kook ik meestal niet. Zij wel. Een alarm voor oudere mensen wilde ze niet. Daarvoor in de plaats kan ze toch de buren bellen. Maar nu blijkt dat de buurman haar vier keer gebeld heeft in de avond maar dat er geen lampje in een van die bovenkamers van hem is gaan branden. Als ik er aan denk, word ik boos. Als mijn broer en schoonzus iets later gekomen waren….. Dat dat geen zin heeft om boos te worden of daarover na te denken, weet ik ook wel maar dat telt niet. Het is toevallig wel mijn mama. Nu weten we dus dat ze meer dan vierentwintig uur in de keuken op de grond gelegen heeft. Vierentwintig uur waarin mijn broer en schoonzus met hun schoondochter en kleindochters bij mij waren. Waarin we gelachen hebben, geen enkel idee wat er zo’n 150 kilometer verder gebeurd was. Vierentwintig uur waarvan zij zich niets meer herinnert.
Haar ogen zoeken de klok. “De tijd gaat sneller als er iemand is” zegt ze. Ik vraag of ze moe is maar ze wil niet dat ik wegga. Als ze nog een keer kijkt zegt ze “drie uur ga je weer weg” en ik heb het lef niet om een minuut eerder te gaan. De verpleegster en ik leggen haar rechter in bed. Ik zie haar lachen, zelfs haar ogen lachen mee. Een gelukzalige lach. Een gek gezicht maar zo vredig. Dan worden haar ogen weer glazig en staren naar het plafond. Ze knijpt zachtjes in mijn hand en haar mond trekt samen, haar ogen worden nat. Ik vraag haar wat er is. Ze schud zachtjes haar hoofd. Mijn mama die nooit haar emotie laat zien. Dus ook nu niet. Ik slik. Ze is moe. “Ga maar slapen” zeg ik. Ze knikt. Als ik haar nog een kus geef zegt ze: “het zandmannetje komt zo”. Ik glimlach meewarig en zwaai nog een laatste keer. Een laatste keer en even spookt de vraag door mijn hoofd of ik het hierna nog een keer zal kunnen doen. Als ik naar buiten loop probeer ik de tranen die achter mijn ogen prikken tegen te houden. Tegen te houden tot ik veilig alleen in de auto zit.
Als ik een uurtje later over de snelweg rij, voelt het raar en vervelend. Waarom woon ik zo’n klote eind weg. Heb ik haar verwaarloosd, te weinig op gezocht? Het is een dun lijntje tussen geluk en verdriet, tussen gezond zijn en ziek. Tussen het aanslaan van de antibiotica en niet. Een dun lijntje, een zijden draadje waaraan naar mijn gevoel nu haar leven hangt. Dan besef ik dat ik het weer niet gezegd heb. Mijn moeder was altijd een sterke vrouw. En zeggen dat ze van je houdt doet ze niet. We weten het wel, dat wel. En ik heb het vandaag ook weer niet gezegd. Ik heb niet gezegd “mama ik hou van je”. Als ik het besef zou ik het liefste omdraaien, linea recta terug. Maar ik rij door. Bang dat ik met terug gaan, toegeef aan mijn angst of het morgen nog wel kan. Ze weet het vast wel. Ze voelt het toch wel. Maar toch….. Als ik weer bij haar ben is dat het eerste wat ik zeg. Want hoewel we elkaar zo vaak niet begrijpen, ik hou van haar. Zo verschrikkelijk veel.  

 

zondag 16 december 2012

Ziek of ziek?


Mijn hoofd bonkt en mijn lijf doet zeer. En ik ben moe. Man wat ben ik moe. “Iedereen is ziek”, zei gisteren iemand tegen me. Ziek? Ach wat is ziek? Als ik het berichtje lees over de school in Newtown denk ik “dat is pas ziek”.
Eergisteren hield ik het nog op een avond te lang doorzakken na een geweldig concert. Zo’n avond die je eigenlijk niet wil laten eindigen en dus nog maar een glas besteld. Zo’n avond die je in een klein doosje wil doen en voor altijd bewaren. Maar toen kwam de ochtend. De ochtend na een geweldige avond is altijd minder. Minder omdat je moe bent, minder omdat je hoofdpijn hebt, minder omdat je weer afscheid moet nemen, maar vooral minder omdat je weet dat het voorbij is. Die avond is nu een herinnering.
Ik duik mijn bed in en besluit er vooral voorlopig niet uit te komen. Vandaag mag het. Vandaag kan ik wel een dagje ziek zijn. Ik ben alleen thuis en dus mag ik wel ziek zijn. Geen verantwoordelijkheid, niemand waarvoor ik moet zorgen. Dus mag ik vandaag wel een dagje ziek zijn. Niet als ik er lang over nadenk want er is nog altijd het lijstje met dingen die nog gedaan moeten. Voor heel even schuif ik het lijstje opzij en kruip ik diep onder de wol en slaap. Maar al gauw draai ik alleen maar en gaan mijn gedachten weer alle kanten op…. Charmant snuit ik mijn neus in een stuk papier van de enorme rol op mijn nachtkastje en voel me ellendig. De warme douche brengt wat verlichting in mijn hoofd net als de paracetamol.
Dan lees ik de nieuwsberichten en stuit weer op de berichtjes over de schutter. “Wat bezielt mensen om zoiets te doen” denk ik. En met mij, zo te lezen, de rest van de wereld. Iedereen heeft er een mening over. Horen we het nu alleen meer of was het er altijd al? Vergroten we nu alles nog eens extra uit? Of was het vroeger echt beter? We willen zo graag met zijn allen de wereld verbeteren maar ondertussen doen we elkaar allemaal pijn. We verwachten achterlijk veel van ons zelf en van anderen. Alles moet perfect. Je moet en moet en moet. Iedereen is moe. Steeds meer mensen lijken niet gelukkig. En het wordt alsmaar sneller en sneller. Had de schutter daar ook last van? Kon hij het niet meer aan? Was hij boos? Boos op zijn vader en moeder? Of boos op zich zelf? Was hij jaloers? Jaloers op al die kinderen die nog zoveel toekomst hadden. Of wist hij het gewoon niet meer? Was het een schreeuw om aandacht. In elk geval was hij ziek. Ziek in zijn hoofd, maar waardoor?
Kunnen we het nog wel? Gewoon van elkaar houden? Elkaar wat gunnen? Blij zijn voor een ander? Vorig jaar hoorde ik over een prachtig initiatief. Gewoon om eens belangeloos iets voor een ander te doen. Dit jaar hoorde ik hoe de een de ander het licht niet in de ogen gunde en het prachtige initiatief een strijd van mensen onderling geworden was. Ineens ging het niet meer over het initiatief zelf en het zo maar simpel even een ander gelukkig maken, maar over wie de credits zou ontvangen. Boze berichten gingen over internet. Is dat dan waar het om gaat? Moeten mensen elkaar zoveel pijn doen. Oordelen op één dag of één daad? Kunnen we het nog wel, elkaar vergeven. En vooral onszelf vergeven. Hebben we er enig idee van als we de ander zoveel pijn doen? En kunnen we het dan nog echt goed maken en hoe?
Ooit was de schutter in Newton een baby in een wieg. Nog vol van liefde voor zijn vader en zijn moeder. Waar ging het fout? Wat is er in die jaren gebeurd. Wie heeft hem zoveel pijn gedaan dat hij zo kon eindigen? Was het in zijn babytijd? De klap van de scheiding van zijn ouders? Verkeerde vrienden? Werd hij gepest of was het genetisch bepaald? Maar vooral de vraag heeft niemand het zien aankomen. Zag niemand dan zijn verdriet? Of raasden we allemaal voorbij. Op zoek naar ons zelf. Rennend om maar aan alle verplichtingen te voldoen. Kunnen we het nog wel zien? Willen we het wel zien?
Mijn hoofd bonkt en mijn lijf doet zeer. Ik snotter rustig door. Het heerst. Ik hoop dat het snel over gaat. Maar nog meer hoop ik dat de puinhoop die we elkaar aandoen over gaat. Dat dat niet blijft heersen. Dat de wereld tot rust kan komen. Dat we weer oog hebben voor elkaar en dat we met een kopje soep en een dag goed slapen wat meer wonderen kunnen doen.

vrijdag 28 september 2012

Want iedereen verdient een morgen, een morgen om weer naar huis te gaan

Naar huis, over een uurtje moet ik echt thuis zijn bedenk ik mij terwijl ik op mijn horloge kijk. Half 3, om vier uur heeft mijn dochter een afspraak bij de kapper en ik heb nog wel het een en ander te doen. Maar voor nu zit ik op de bij een bank in Lelystad en wacht ik geduldig tot alle papieren geregeld zijn. Ongemerkt kijk ik om me heen en vraag me af wie er ook allemaal mee te maken heeft…..

“Nee, niet in mijn familie” dacht ik de eerste keer toen ik de vraag hoorde, “maar in mijn directe omgeving helaas meer dan me lief is”. Wil iedereen die te maken heeft of heeft gehad met kanker opstaan, was de vraag van Wethouder Meta Jacobs. Ik was bij een bijeenkomst waar een groep kinderen had besloten om mee te fietsen tegen kanker.
Niet bij mijn ouders of familieleden. Hoewel mijn opa is aan leukemie gestorven maar dat was voor ik geboren was. En de broer van mijn vader maar dat was helemaal van voor mijn tijd. Wel in mijn directe omgeving. Mijn overbuurman toen ik nog heel jong was. Vaak ben ik bij zijn vrouw gaan theedrinken om de leegte wat draaglijker te maken. De andere overbuurman, 25 was hij met een gezin met jonge kinderen. Als hij ouder was geweest had hij nog langer kunnen leven vanwege de celdeling. Hoe krom kan het leven zijn. De juf op school waar ik zo veel contact mee had, de moeder van een jongetje bij ons op de vereniging, de vader van een vriendinnetje van mijn dochter. De beste vriendin van mijn schoonzus, haar broer en nu ook zijn vrouw. De vrouw van een goede vriend van mijn moeder en toen zij genezen was, overleed hij binnen een half jaar aan dezelfde ziekte. De kleinzoon van de opa en oma op de camping die nu aan het vechten is. En dat is echt nog niet iedereen.
Zoveel mensen en nooit had ik er aan gedacht. Tot hij me vroeg of ik donderdagochtend bij de eerste vergadering kon zijn. “Vergadering? “ zei ik, “waarvan?” Een aparte manier van vragen of ik in het nieuwe bestuur van KWF afdeling Lelystad wilde plaatsnemen. Even moest ik er over nadenken, had ik genoeg tijd want als je iets doet, moet je het goed doen is mijn motto. Het enthousiasme van de 2 mannen werkte aanstekelijk. En inmiddels zijn er al heel wat plannen over tafel gegaan. Niet zomaar loze beloftes maar plannen met inhoud. Het doet me goed, eindelijk kan ook ik mijn steentje bijdragen. Vorige week was de collecteweek en liepen heel wat mensen deur aan deur voor een bijdrage aan het KWF. Ieder met een eigen verhaal waarom ze zich willen inzetten. Samen zijn we sterk. Onze jongste vrijwilliger is een meisje van 8 jaar. Alleen lopen mag ze niet, dat is niet veilig. Maar haar motivatie om te lopen is zo sterk. Haar vader is overleden aan kanker en dus loopt haar moeder met haar mee. Ze snapt er niets van dat er ook nog mensen zijn die niets willen geven. Voor haar is dat zo ondenkbaar.
Inmiddels zijn alle collectebussen ingeleverd en voor ons als bestuur betekent dat bijna de laatste fase van de collecte. Het was even wennen dit jaar, alles was nieuw maar samen komen we er uit. De opbrengst is iets lager dan die van vorig jaar maar met de 19.000 euro die we nu kunnen tellen zijn we erg blij. We ruimen de spullen weer op, plannen een nieuwe datum om bij een te komen en  nemen allemaal wat lege bussen mee voor evt. verjaardagen, bruiloften, evenementen. Ook die mogelijkheden willen we promoten. Alleen de collecteweek is niet genoeg.
Hier zit ik dan, naast een koffer en een stuk of tien lege collectebussen van het KWF. Op en bankje bij het kantoor van de bank wacht ik geduldig tot mijn medebestuursleden de papieren hebben afgehandeld. Onverwacht maakt hij een foto van mij. Het lijkt alsof ik wacht om op reis te gaan. En onverwachts heeft die foto meer lading dan onze bedoeling is. Wij strijden samen met vele andere vrijwilligers voor mensen met kanker. Mensen die graag nog de reis van het leven willen afmaken maar waarvan zomaar opeens hun reis een andere kant op gaat een andere bestemming heeft gekregen. Daar op het bankje hoop ik dat onze hulp kan bijdragen aan het feit dat iedereen een morgen verdient. Daar op het bankje hoop ik dat met deze bijdrage velen hun nieuwe bestemming voorlopig nog niet bereiken maar terug kunnen keren naar huis. Naar hun man, vrouw, kinderen, iedereen die ze lief is. Want iedereen verdient een morgen, een morgen om weer naar huis te gaan.