Posts tonen met het label tranen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label tranen. Alle posts tonen

woensdag 16 augustus 2017

Waarom gedichten je blij maken

"Het lijkt wel alsof je dit speciaal voor mij geschreven hebt' "Prachtig' en 'wat mooi'. Enkele opmerkingen die ik vaak hoor als reactie op de gedichten. Maar waarom maken mijn of andere gedichten je zo blij?

Je kent vast wel het gevoel dat het heel erg goed met je gaat. Dat kan een dag duren of dagen maar je weet ook dat het leven niet alleen maar hoogtepunten kent. Dat is maar goed ook want anders zouden die gelukzalige momenten normaal worden en zou je nooit meer dat super geluksgevoel ervaren. Zo stap je niet elke dag met hetzelfde gevoel uit of weer in bed. En de realiteit is dan ook dat we allemaal wel periodes in ons leven hebben waarin het goed of juist minder goed gaat. Het ene moment dans je op wolken en is geen berg te hoog maar die momenten kunnen zo maar weer omdraaien. Want hoe kun je nog door een roze bril kijken als je relatie uitgaat of je je baan verliest. En hoe zwart kleuren de dagen als iemand die je dierbaar is ineens ziek is of overlijdt. De wereld staat op zijn kop. In elk geval voor jou. De dagen worden zwaar, de wolke zijn er nog wel maar in plaats van dat je er op danst hangen ze hinderlijk voor jouw zon en maken ze je dagen donker. En ook al weet je diep in je hart wel dat het weer beter wordt... nu zie je het even niet.

Grote maar ook de kleine tegenslagen kunnen je humeur behoorlijk naar beneden halen. Waarom jij? De meest positieve optimist kan de moed dan laten zakken. Het enige dat je dan wil, is getroost worden. En vooral weten dat je niet alleen bent in je verdriet. Een gedicht om je in te herkennen of woorden die je troosten of laten lachen. Een gedicht zodat je weet dat jij niet de enige bent want waarom zou er anders een gedicht over geschreven zijn! Eigenlijk vreemd maar het idee dat anderen ook verdriet kunnen hebben, maakt je stiekem minder droevig en misschien zelfs wel een heel klein beetje blij.

"dit wil je elke dag"
 
En dan zijn er van die dagen (of misschien wel weken of maanden) waarop je twijfelt aan jezelf. Dat je even vergeet van je zelf te houden. Ben je wel goed genoeg, leuk genoeg. Zelfs de sterkste mannen en vrouwen herkennen het. Want aan de buitenkant doen we soms zo stoer maar diep van binnen... Op die dagen geven je gedichten net dat duwtje om weer in jezelf te geloven. Of om de ander weer even te laten weten dat het niet gaat om uiterlijk maar om hele andere dingen.

Overigens gaat het met de super geweldige dagen minstens net zo. Je wil het schreeuwen van de daken en je denkt dat iedereen het aan je kan zien. Dit gevoel... GEWELDIG... dit wil je de hele dag en liefst elke dag. En dus wil je er aan herinnert worden. Om het gevoel vast te houden of om het terug te krijgen als het dreigt weg te ebben. En gedichten kunnen precies weergeven wat jij voelt.

Gedichten geven je in een paar woorden wat jij zelf niet kunt omschrijven maar wat je wel voelt. Gedichten geven je een feest van herkenning. En precies dat maakt je blij! Het troost je of geeft je weer een doel of ze zorgen ervoor dat je geluksgevoel nog meer versterkt wordt.

Ook blij worden? Kijk dan op www.nicolasinakaartenshop.nl





vrijdag 9 juni 2017

zondag 12 maart 2017

Soms

Soms zou ik je vast willen houden
en je knuffelen tot alle pijn weg gaat
Dan zou ik zo graag zorgen
dat niemand je nog ooit verlaat
Maar alles wat ik kan doen
is er op afstand voor je zijn
Een klein berichtje en een zoen
en hopelijk verlicht dat iets van je pijn

vrijdag 2 december 2016

Tranen

Ik heb het verloren
deed zo mijn best
maar ik heb verloren
mijn tranen zijn al wat rest


vrijdag 12 augustus 2016

Zoute zee

Nog zouter dan je tranen
is het zout van de zee. 
Want de golven spoelen 
alle tranen mee.  
De wind vangt je gedachten 
en maakt je hoofd weer vrij. 
Daarom is het strand, 
de mooiste plek voor mij.

zondag 17 juli 2016

Geknakt

Mijn ogen staren in de verte
Mijn hart doet pijn
Om iets wat eigenlijk
Zo mooi had kunnen zijn


zondag 14 februari 2016

Tranen

De regen drupt de tranen
die zich in mijn ogen boren
Omdat je mij al dagen 
niet echt meer kan horen
De zee wordt alsmaar voller
en je drijft steeds verder van mij vandaan
En het ergste is dat het lijkt
dat dat de weg is die je wil gaan
De regen huilt verder
de lucht is grijs en grauw
Ik voel mij zo verdietig
Omdat ik zoveel van je hou

zaterdag 19 december 2015

Het komt wel goed schatje

Het komt we goed schatje
zeg ik tegen haar
En in gedachte
streel ik door haar haar

Vriendinnen zijn
voor in lief en in leed
Zij is altijd degene
die van jouw tranen 
het meeste weet

En los je 
met zoete woorden
'haar' problemen op
Geef je tegelijk
jezelf een zachte schop

Praten, praten, praten
en uren luisteren 
naar elkaar
Het komt wel goed schatje
heus waar. 

maandag 8 juni 2015

donderdag 5 december 2013

Dag lieve Noddy

Ik zit naast haar op de grond en streel zachtjes haar kop. Eigenlijk wil ik het niet maar ik weet dat het beter is. Beter voor haar, hoe gek dat ook mag klinken.
Het is nog maar twee maanden geleden dat ik een bult in haar bek ontdekte. Een ontsteking dacht ik nog even. Maar bij de dierenarts was die hoop al snel vervlogen. Toch startte we met een antibioticakuur en hoopte het beste. De zwelling werd amper minder en een week later werd dan ook vastgesteld dat het een tumor was. Een erg snel groeiende ook nog. Heel even nog bespraken we de opties van onderzoek, bestraling etc. Wilde ik dat? De vraag was maar: ‘Wilde zij dat?’ Maar ja, ik kon het wel vragen maar de kans dat ik een antwoord zou krijgen was nihil. Grote ogen keken mij alleen maar aan en terwijl mijn hoofd vol vragen zat, kwispelde ze vrolijk achter mij aan naar de auto.
Een paar maanden hooguit. Meer zouden we er niet mee winnen. Maar eerst onderzoek, de vraag of het überhaupt wel zou kunnen. Meerder keren vroeg ik me af wat ik zou willen als ik het zou zijn. Ik zou rust willen. Geen polonaise aan mijn lijf voor een paar weken misschien maanden meer. En dus besloten we om niets te doen. Nou ja, niets behalve dan extra extra lief voor haar zijn. Een extra koekje, extra boterham. Een klein rondje meer. Vlees in plaats van brokken en een extra aai.
De weken gingen voorbij. Mondspoeling kochten we en een spray omdat de lucht af en toe niet te harden was en we haar toch graag bij ons in de buurt wilden hebben. Nauwlettend hield ik haar in het oog. Kwispelde ze wel? Had ze pijn? De rondjes werden korter. Het spontaan naar je toe komen, werd minder.
Tot de dag kwam dat ze niet meer wilde eten en nog amper op wilde staan. Het gerammel van brokken maakte niets uit. Droevige ogen keken mij aan. Wilde ik nog langer wachten? De laatste dagen leek ze steeds moeilijker adem te kunnen halen. En dus belde ik de dierenarts. Die middag namen we afscheid en liepen samen een laatste rondje buiten. Toen we terug liepen, wilde ze niet naar binnen en dus liepen we nog een stukje verder. Zachtjes begon het te regenen en ze besloot dat het goed was zo en liep terug naar huis.
Ik zat naast haar op de grond en streelde zachtjes haar kop. Eigenlijk wilde ik het niet maar ik wist dat het beter was. Beter voor haar, hoe gek dat ook mag klinken. In haar ene poot zit de drain waarin de dierenarts de vloeistof spuit waardoor ze gaat slapen, de andere poot hou ik vast. Dan valt ze in slaap en zachtjes hoor ik haar snurken. Tot de volgende spuit. Ik hoor dat ze dood is maar zien en weten wil nog niet samen. Het lijkt alsof langzaam mijn hond van vroeger weer terugkomt. In snel tempo schieten alle beelden hoor mijn hoofd. De verkleedpartijen met de kinderen en zij met een hoedje op haar hoofd mij aankijkend van ‘ach laat ze maar’. Rennend in het bos. Lopend door de drek, een van haar lievelingsactiviteiten. En de wachtende blik als ik pannenkoeken bakte want de eerste was altijd voor haar. De momenten dat ze vergat hoe groot ze was en als schoothondje op de bank klom.
Als ik vandaag de post open, zit er een kaartje bij.
‘Woorden van troost zijn snel gegeven,
over de tijd die alle wonden heelt.
Maar weten zij wat wij hebben gedeeld?
Echte vriendschap, zo zeldzaam in het leven.
‘De crematie van Noddy heeft plaatsgevonden op 3 december 2013 om 15.00 uur’ lees ik. Langzaam voel ik mijn keel dichtknijpen en tranen opwellen. Dag lieve Noddy. Ik zal je nooit vergeten.
 


woensdag 20 februari 2013

Vrienden laten je nooit vallen

‘Mam, de buren aan de deur’ roept mijn zoon terwijl hij richting voordeur loopt. Even later zitten mijn buurvrouw en haar zoon bij mij op de bank. Met jas aan weliswaar want er komt zo een vriendje spelen. Maar ze wilde toch even weten hoe het gaat. In haar hand het briefje dat ik in de haast bij haar in de bus had gedaan met telefoonnummer voor het geval dat het nodig zou zijn. Zij had direct even een sms’je gestuurd om ons sterkte te wensen en zodat ik haar nummer zou hebben. Mijn lieve buurvrouw die ik nog maar net ken. Zo kort dat ik haar naam nog steeds vergeet. Maar wel weet dat ik aan kan bellen als het nodig is.

Een paar weken geleden hadden mijn vriendin en ik zo’n lange bijpraat avond. Zo’n avond zonder op de klok te kijken die dan steevast te laat eindigt. Of te vroeg, het is maar hoe je het bekijkt. We hadden het over de vrienden om ons heen en hoe belangrijk ze waren. De mensen bij je wie je als vanzelfsprekend kunt aankloppen. Bij wie je vaak niet eens aan hoeft te kloppen omdat ze er al zijn voor je het vraagt. Ik ben gezegend met een groot vangnet met zulke vrienden. Dat besefte ik deze week weer eens. Een enkele sms en het is geregeld.
Sommige ken ik al heel lang. Binnenkort vier ik met mijn ‘te-ver-weg-vriendinnetje’ ons 25-jarig jubileum. Een ander ken ik van vrijwilligerswerk, van school of van sport. Al acht jaar inmiddels. Sommige ken ik nog maar echt heel kort, zoals mijn buurvrouw. Het maakt ook niet zoveel uit, lang of kort. Het gaat om de klik, het moment, de chemie. In relaties, liefdesrelatie. Maar dat is in vriendschappen niet anders. Dat ontstaat, zomaar, ineens soms. Je weet niet waarom maar het is een fijn en warm gevoel. Ze zijn er, gewoon omdat zij zij zijn en jij jij bent. Mooier bestaat het niet.
Een andere vorm van zo’n warme band is familie. Die band is anders maar tegelijk minstens net zo speciaal. Het blijft altijd of ze nu in je buurt blijven of uit het zicht verdwijnen. Er is altijd een verbondenheid. Hoe dan ook. Het is avond als ik even de behoefte heb om stil te zitten. Te denken en te schrijven. Er is veel gebeurd in een paar dagen en tegelijk ook zo weinig. Alles voelt anders. Dan komt hij naast me staan en legt zijn hand op mijn schouder. Ik zit stil en denk aan mijn mama die daar zo ver van mij vandaan ligt. “Ik zal vandaag de stom bedwingen en dan laten razen. Tot ze stil is met jou bij mij kan ik alles, wil ik alles en ik weet dat ik straks zonder, veel te klein en niks meer waard ben en geen dag meer door kan’ hoor ik op de radio en de tranen lopen over mijn wangen.
‘Het komt door jou, dat komt gewoon door jou’ zingt Guus verder. Hoe toepasselijk kan het zijn. Guus, de Brabantse zachte G die zo nauw verbonden is aan mijn moeder, mijn roots met een tekst die ineens hard binnenkomt. ‘Je hart zit heel dicht bij mij, je hart zit heel diep in mij’. Vergeten zijn alle keren dat ik op haar mopperde, vergeten het onbegrip. Ik zal geen liedje schrijven maar wel de woorden geven die van jou zijn, alleen voor jou zijn. Jij zal ze niet lezen. Jij weet niet eens dat ik schrijf. Maar ik ga vandaag wel alles kunnen tot de dag voorbij is. En ik weet dat ook ik maar één ding wil, dat je mee gaat met mij, bij me blijven want ik weet dat ik straks zonder, niet meer wil en niets meer kan, dan alleen maar huilen.
De tranen blijven lopen. Hij zit stil naast mij. Meer is niet nodig. Ik weet dat ik niet alleen ben. Dat ik even niet sterk hoef te zijn. Hij neemt het stil van mij over, zet koffie en is er. Die avond zeg ik dat ik zo blij ben dat hij er is. En dat het gek is dat hij er juist nu is. ‘Misschien ben ik er daarom wel’ zegt hij simpel. Ik denk weer aan de woorden van het liedje. ‘Alsof de wereld weg lijkt en ik naar je kijk, naar jou blijf lachen. Voelt het weer alsof het wonder veel te mooi en veel te groot is’.
Dan denk ik aan de plaatjes aan de muur en mijn vrienden en familie. Ze zijn belangrijk, zo belangrijk. Ze zijn misschien niet altijd in staat om me er bovenop te helpen. Maar……. Ze laten me nooit vallen.


 



dinsdag 19 februari 2013

Aan een zijden draadje

Broos en oud ligt ze daar. Een breekbaar mensje. Ineens besef ik des te meer dat ze al 87 jaar is. Ik zeg het vaak maar dan is het maar een getal. Nu zijn het 87 jaren die ineens zichtbaar zijn. Zonder haar haren netjes gewatergolfd en zonder haar bril ligt ze met slangetjes in haar neus en armen in het grote ziekenhuis bed. Mijn mama. Altijd zo sterk en stoer, maar nu zo breekbaar.

Als ik haar hand vastpak voel ik hoe warm ze het heeft. De tranen waren er voor ik bij haar bed stond en die zullen er straks vast wel weer zijn. Maar niet nu. Nu zit ik naast haar. Ze kijkt glazig rond en antwoord antwoorden die niet bij de vragen horen. Maar af en toe komt er een helder antwoord tussendoor. Haar hart is op heeft de arts gezegd. En ook dat mensen van haar leeftijd dit meestal niet overleven. Hard maar eerlijk. De verpleegster komt de medicatie vervangen en zegt terloops dat het nu toch wel moet gaan aanslaan. De woorden hangen in mijn hoofd maar eigenlijk wil ik ze niet toe laten.
Ze woont nog zelfstandig en kookt elke dag voor zich zelf. Knap vind ik dat. Als ik een paar dagen alleen ben, kook ik meestal niet. Zij wel. Een alarm voor oudere mensen wilde ze niet. Daarvoor in de plaats kan ze toch de buren bellen. Maar nu blijkt dat de buurman haar vier keer gebeld heeft in de avond maar dat er geen lampje in een van die bovenkamers van hem is gaan branden. Als ik er aan denk, word ik boos. Als mijn broer en schoonzus iets later gekomen waren….. Dat dat geen zin heeft om boos te worden of daarover na te denken, weet ik ook wel maar dat telt niet. Het is toevallig wel mijn mama. Nu weten we dus dat ze meer dan vierentwintig uur in de keuken op de grond gelegen heeft. Vierentwintig uur waarin mijn broer en schoonzus met hun schoondochter en kleindochters bij mij waren. Waarin we gelachen hebben, geen enkel idee wat er zo’n 150 kilometer verder gebeurd was. Vierentwintig uur waarvan zij zich niets meer herinnert.
Haar ogen zoeken de klok. “De tijd gaat sneller als er iemand is” zegt ze. Ik vraag of ze moe is maar ze wil niet dat ik wegga. Als ze nog een keer kijkt zegt ze “drie uur ga je weer weg” en ik heb het lef niet om een minuut eerder te gaan. De verpleegster en ik leggen haar rechter in bed. Ik zie haar lachen, zelfs haar ogen lachen mee. Een gelukzalige lach. Een gek gezicht maar zo vredig. Dan worden haar ogen weer glazig en staren naar het plafond. Ze knijpt zachtjes in mijn hand en haar mond trekt samen, haar ogen worden nat. Ik vraag haar wat er is. Ze schud zachtjes haar hoofd. Mijn mama die nooit haar emotie laat zien. Dus ook nu niet. Ik slik. Ze is moe. “Ga maar slapen” zeg ik. Ze knikt. Als ik haar nog een kus geef zegt ze: “het zandmannetje komt zo”. Ik glimlach meewarig en zwaai nog een laatste keer. Een laatste keer en even spookt de vraag door mijn hoofd of ik het hierna nog een keer zal kunnen doen. Als ik naar buiten loop probeer ik de tranen die achter mijn ogen prikken tegen te houden. Tegen te houden tot ik veilig alleen in de auto zit.
Als ik een uurtje later over de snelweg rij, voelt het raar en vervelend. Waarom woon ik zo’n klote eind weg. Heb ik haar verwaarloosd, te weinig op gezocht? Het is een dun lijntje tussen geluk en verdriet, tussen gezond zijn en ziek. Tussen het aanslaan van de antibiotica en niet. Een dun lijntje, een zijden draadje waaraan naar mijn gevoel nu haar leven hangt. Dan besef ik dat ik het weer niet gezegd heb. Mijn moeder was altijd een sterke vrouw. En zeggen dat ze van je houdt doet ze niet. We weten het wel, dat wel. En ik heb het vandaag ook weer niet gezegd. Ik heb niet gezegd “mama ik hou van je”. Als ik het besef zou ik het liefste omdraaien, linea recta terug. Maar ik rij door. Bang dat ik met terug gaan, toegeef aan mijn angst of het morgen nog wel kan. Ze weet het vast wel. Ze voelt het toch wel. Maar toch….. Als ik weer bij haar ben is dat het eerste wat ik zeg. Want hoewel we elkaar zo vaak niet begrijpen, ik hou van haar. Zo verschrikkelijk veel.  

 

zondag 3 februari 2013

je 'hept' je best gedaan....

Ze staat op het schoolplein en wiebelt van het ene been op het andere. Haar ogen gaan zoekend rond terwijl ze doet alsof ze echt praat met een meisje dat iets ouder is dan zij. Dan ziet ze mij en rent ze naar mij toe. ‘Ik was je kwijt’ zeg ik. ‘Ik stond op je te wachten’ is haar simpele antwoord en haar grote ogen kijken me aan. Ik kan het haar niet kwalijk nemen. Ik had gezegd dat ik terug kwam en zij dacht op het schoolplein. En inmiddels vertrouwd ze mij. Onvoorwaardelijk.
 

Ik dirigeer haar naar binnen en besef dat dit de laatste keer is. Snel zet ik die gedachte opzij. Slecht ben ik er in, in afscheid nemen. Ik hou niet van afscheid nemen. Ik laat liever de deur op een kier. Zij vreest het, afscheid nemen. Te vaak is ze verlaten. Verlaten door de mensen waarvan ze het meeste hield. Zonder pardon uit haar leven weggerukt. En nu ga ik haar ook verlaten. Dat voelt oneerlijk. Diep in mijn hart wil ik zo graag bij haar blijven. Ik zou haar willen beschermen tegen alles. Ik zou zo graag zo veel meer voor haar willen doen. Haar weer vertrouwen geven. En ik zou haar zo graag weer kind laten zijn.
Ik sluit mijn ogen en een ander klein meisje kijkt me aan. Ze is ook een jaar of acht, negen misschien, maar zij heeft haar vader en moeder niet verloren. Ze probeert te doen wat haar gevraagd wordt en helpt met taken die niet horen bij haar leeftijd. Haar vader heeft gezegd dat hij niet meer wil leven. Niet zo. Hij kan het maar niet accepteren dat hij nooit meer gewoon gezond zal zijn. Zij begrijpt het niet en kijkt stilletjes toe. Alles draait nu om haar vader, zeggen ze tegen haar. Dat zou ze niet erg moeten vinden. Ze houdt toch van hem. ‘Zo hoort het’ denkt ze en probeert vooral niet tot last te zijn want haar moeder heeft het al zo druk. Maar ze wil zo graag gewoon kind zijn. Pas heel veel later als ze zelf kinderen heeft, beseft ze wat ze gemist heeft.
Vandaag was het de laatste dag. De laatste dag bij een groep kinderen die ik in mijn hart gesloten heb. Ik heb chips gekocht en er vooral niet te veel woorden aan verspild. Vandaag is de meest aanhankelijke van het stel verkleed als koning. ‘Ik heb nog nooit met een koning geknuffeld’ zeg ik en knuffel hem nog wat langer en hij straalt. Het kleine ‘kruitvat’ wat bij het minste of geringste ontploft, kruipt mij me op schoot. Hij wil foto’s maken met mijn mobiel. ‘Ik ik ga jou ook missen’ zegt hij in de camera die hij zelf bedient terwijl hij tegen me aan kruipt. Dan krijg ik tekeningen en van de andere groep een hart vol mooie teksten. ‘Ik ga je misen ik vind je heel lief kom je langs? dat zal leuk zijn je hept je best gedaan.’ Heeft zij op de ‘kaart met een rood hartje’ geschreven die haar vriendinnetje gemaakt heeft. Om haar tekst heen staan huilende gezichtjes en huilende hartjes. Ik slik en knuffel ze allemaal. Als ze even later allemaal aan tafel zitten om te eten , is de een verdrietig is omdat ze niet naast me kan zitten en barst in snikken uit omdat ze beseft dat ik er volgende niet zal zijn. Ik zet haar op schoot en aai over haar hoofd terwijl ze haar huilende gezichtje in mijn hals verstopt.
‘Ik hou ook van jou’, zegt het meisje van acht stilletjes in mijn hoofd. ‘Wil je ook voor mij zorgen? Ik ben zo moe van het zorgen voor iedereen’ Ik schrik, ik was haar even vergeten. ‘Kan ik dat, kan ik voor haar zorgen?’  vraagt mijn innerlijke moeder zich af. Ik weet het niet. Ik probeer haar meestal te negeren. Kan ik naar haar luisteren, wil ik voelen wat zij voelt. ‘Je weet niet wat je niet weet’ zegt een van mijn relaties altijd. Geldt dat ook voor ‘je mist niet wat je niet kent’. En wat als je het dan later leert kennen. Kun je het dan alsnog gaan missen. Hoe ga je om met het besef dat je je te vroeg volwassen moest gedragen en had je dat zelf kunnen voorkomen? ‘Je hept je best gedaan’ schreef zij. Maar is je best doen alleen wel goed genoeg? Vind ik ooit dat het genoeg is? De vragen gonzen door mijn hoofd.
Dan is het zover. Ik sta samen met haar bij het lokaal. Na een lange knuffel en tig keer de belofte dat ik echt nog langs zal komen, laat ze me los en loopt de klas in. Dan ineens rent ze terug en vliegt weer in mijn armen. Tranen blinken in haar ogen en ze knijpt haar kleine armpjes vast om mij heen alsof ze me nooit meer los zal laten. Nog dichter trek ik haar tegen me aan en hou beschermend mijn armen om haar heen geslagen. Tranen lopen over mijn wangen. ‘Ik ga niet weg’ zou ik willen roepen maar dat is niet eerlijk want ik ga wel weg. Ik kan haar niet beschermen. Ik kan haar niet met me mee nemen. Ik moet haar loslaten. ‘Hou me vast, blijf bij me’ smeekt haar lijfje terwijl ze zich vastklampt. ‘Ik hou je vast en je bent bij me. Voor altijd’ denk ik. ‘Je zit voor altijd in mijn hart, nooit zal ik je nog los kunnen laten’.

 

 

 


 

 

 

woensdag 9 januari 2013

Kippenvel

We zitten aan tafel en eten. Ineens zegt zoonlief: “mijnleraar is een mooi mens”. Ik laat de woorden even op me inwerken en vraag me afwat hij bedoeld. Dan vraag ik nog even wat hij zei. “Dat mijn leraar een mooimens is” herhaalt hij geduldig. “Hoezo dan” vraag ik.  “Nou volgende week gaan ze op school weer skiën”zegt hij. “Ach” zeg ik niet geheel zonder spot “en je leraar offert zich op ommee te gaan?” “Ja” zegt hij, “maar hij spaart zelf ook het hele jaar om tezorgen dat de kinderen waarvan de ouders echt het geld niet kunnen missen.” Ikvoel spontaan kippenvel op mijn armen komen. “Wow” zeg ik dan “je leraar isinderdaad een heel mooi mens”. 

Gelukkig zie ik ze steeds vaker. Mooie mensen. De mensendie echt leven en niet alleen voor zich zelf. Vandaag was ik er bij zo een. Eenmooi gesprek hadden we en blij was ik dat ik eindelijk weer de energie had omme weer aan te sluiten. Geroerd was ik toen hij zei dat ze me maar even gelatenhadden. Al zo veel aan mijn hoofd. Ik ken ze pas een jaar, hem ietsjes langer.Maar ze lezen mijn gedachten in mijn ogen. Ze kijken echt. Ze zien je om wie jebent en respecteren je. Dat is mooi. Nog steeds ben ik blij dat ze mij vroegenom aan te sluiten en mee te werken aan zo’n mooi project. Grote stoere mannenzijn het, met een heel klein hartje.
We bespraken een prachtig initiatief, zijn initiatief dateen beetje uit de klauwen groeit. We keken naar een filmpje op het internet.Weer even kijken waar je het allemaal voor doet. En ineens liepen de tranenover mijn gezicht. Ook zijn ogen zag ik blinken. Net als toen in het Agora.Want daar doen we het voor. De mensen die geen keuze hebben. De mensen dievechten en de hoop dat we het ooit anders kunnen maken. Hoe kun je leven zonderje in te zetten voor je medemens. Gelukkig zijn er veel van dit soort mensen.
Komende week zijn ze er ook weer. Mensen die proberen vrijwillig metinzet een verschil te maken. Vorig jaar werd ik verrast. Eigenlijk vond ik datik niet zoveel speciaals had gedaan. Want er zijn nog zoveel anderen die nogveel meer doen. De afgelopen tijd heb ik een aantal taken in vrijwilligerswerk afgestoten.Ik weet dat het nu beter is, maar ergens knaagt het. En dus scheen vandaag dezon weer, voelde ik de energie weer stromen om me vol te kunnen storten opzoiets moois. Jammer blijf ik het vinden dat het nodig is om te vertellen datde mensen die wat extra’s doen speciaal zijn.
En had ik nog geen wensen voor 2013, dan ventileer ik nude wens dat we allemaal wat meer stil staan bij onze naaste en (nog) eens watvaker iets voor de ander over hebben. Laten we eens wat minder praten over water mis is met de maatschappij en laten we dit jaar eens focussen op de mooiemensen die in het groot of in het klein een verschil maken. Laten we eenvoorbeeld nemen deze mooie mensen zoals de leraar van mijn zoon. De mensen die echtleven en echt kijken. Maar laten we ook stil staan bij de kinderen die dit zienen daardoor eerder hun voorbeeld zullen volgen. Want zij zijn de toekomst. Latenwe met zijn allen nog vaker een mooi voorbeeld zijn.  

zondag 23 december 2012

Een brievenbus vol

Verhuizen is ingrijpend. En schijnt voor stress te zorgen. Maar met een checklist kom je volgens de diverse sites een heel eind. Maar wat nou als je negen weken hebt om een huis te vinden en te verhuizen. Slik. Inderdaad…… dan loopt ineens alles niet meer volgens plan.

Ik open een site en lees “twee tot drie maanden voor de verhuizing”. Dat is 8 tot 12 weken en die heb ik niet. Ik lees verder naar “6 weken voor de verhuizing” en weer scrol ik maar verder. Eigenlijk kan ik de halve lijst al afhandelen maar ook weer niet. Want voor bijna alles is het nodig dat je weet waar je gaat wonen en dat weet ik nou precies dus nog niet.
Ik besluit alle lijsten voorlopig maar los te laten en stort me op het zoeken naar een huis. Ik google en schrijf me overal op in. Ondertussen probeer ik mijn hoofd omhoog te houden en zeg stellig tegen de kinderen dat het allemaal best mee valt. “Maak je maar geen zorgen hoor, negen weken is hartstikke lang” komt er zelfs overtuigend uit mijn mond. En jee wat ben ik sterk ineens. Maar zoals zoveel, is ook dat uiterlijke schijn. Bij de woningbouwvereniging sta ik al lang op de lijst maar verder dan één beschikbaar huis dat misschien zou kunnen kom ik die week niet. Nu is één huis genoeg hoor, begrijp me goed, maar ik schijn niet de enige te zijn die op zoek is. En om daar nu met 217 gezinnen te gaan wonen is misschien een beetje veel. Ik struin verder op internet en besluit mijn netwerk in te schakelen. Want “hoe meer ziel hoe meer vreugd” en “je weet nooit hoe een koe een haas vangt”.

Mijn steun en toeverlaat als het om netwerken gaat, reageert direct en via hem heb ik acuut een telefoonnummer van een leuke makelaar te pakken. Deze lijkt niet eens verwonderd als ik bel en dus verdenk ik vriendlief er van dat er ingefluisterd is. Heerlijk mensen die meedenken met je. Nog enthousiaster wordt ik als de leuke makelaar binnen een half uur terugbelt en ik nota bene op mijn verjaardag een bezichtiging heb. “Een huis voor mijn verjaardag” wordt het niet. Ik heb volgens mij niet heel veel noten op mijn zang maar daar moet ik wel heel veel stapelbedden kwijt wil ik het hele spul onder brengen of ik moet de vlizotrap standaard naar beneden laten. Daarbij twijfel ik over een kantoor in de trapkast. Maar ja negen weken…. Bijna zeg ik ja. Uit nood. Dan blijkt dat ik er nog wel even over kan denken, de verkoper wil in principe liever niet verhuren. En ik zoek verder…
De koe en de haas komen ineens ook om de hoek kijken want wat schets mijn verbazing…. mijn trouwste lezers verwijzen me via via, en een week later heb ik een getekende huurovereenkomst. Een last valt van mij af. Maar dan krijg ik de sleutel en merk ik dat het er net even anders uitziet dan de aardige volgens mij uit Amsterdam afkomstige eigenaar schetste. Thuis komt alle stress eruit en ik jank mijn ogen bijna uit mijn hoofd. Ik zie het even niet meer. Hoe krijg ik dat ooit goed? Ik heb één week en het “nieuwe huis” (dat ouder is dan het oude huis maar dat terzijde) ziet er niet uit. De muren zijn nicotinebruin en alles is vet. De week die ik had om in te pakken en nog een wandje te behangen, wordt gevuld met schoonmaken, witten, schrobben, ontvetten, ontnicotine-en ontgelen en zo meer. Elke dag zijn er lieve vrienden in de weer en ik ben dankbaar en probeer vooral te overleven. Maar zo gauw iemand iets aardigs zegt, komen de tranen. 

Ondertussen zijn we al weer twee weken verder. Het begint langzaam te wennen, maar uiteraard voor mijn gevoel niet snel genoeg. Dan bedenk ik me vandaag dat ik de brievenbus in het oude huis nog even moet legen. Daar merk ik dat het huis leeg is, leeg niet alleen in de zin van meubels maar leeg omdat ik besef dat ik er niet meer woon. Het tegendeel is de brievenbus. Die is vol, overvol. Vooral met folders en nutteloze informatie want de lieve kerstkaarten en welkom in het huis kaarten liggen elke dag in de nieuwe brievenbus. Ik doe de deur op slot en draai het slot tegen mijn gewoonte in nog een keer rond. Dan stap ik in de auto en rij naar huis.

 

dinsdag 18 december 2012

De psycholoog

Als ik door het raam kijk, zie ik haar met een wit papieren zakdoekje haar tranen wegvegen. Ze kijkt wazig voor zich uit. Niet eens naar de man tegenover haar maar starend, dromerig naar de muur erachter. Je ziet de gedachten door haar hoofd gaan. Niet gestructureerd maar alles door elkaar. Eén grote brei is het en ze kan het niet meer ordenen. Het is op. Ze is moe gestreden. Er zijn enkel nog haar tranen. Het is maar een enkele blik die ik per ongeluk mee krijg tussen de opengevallen lamellen. Maar die ene blik is genoeg.

Eens zat ik ook tegenover een psycholoog. Geen man maar een vrouw. Ze vroeg me waarvoor ik kwam en zo goed als het kon vertelde ik mijn verhaal. Af en toe vroeg ze wat of zei wat. Maar het voegde weinig toe. Dat wat ze zei wist ik al lang. Maar toch moest ik het van haar horen. Dat zij me vertelde dat ik het goed deed. Gewoon even horen dat het goed is wat ik doe. En niet dat niemand me dat verteld maar ik moest het van haar horen. Ik snakte er naar het te horen. “Je trekt het aan he” zei ze. Ik keek haar vragend aan. Even wilde ik het weerleggen. Hem verdedigen. Ze zei nog net niet “je valt op de verkeerde mannen”, maar ze bedoelde het wel. Zo’n ontzettend verkeerde uitspraak. “Foute mannen”. Wat nou foutverkeerd. Misschien de combinatie niet of misschien wel de “verkeerde of foute vrouw”. Maar gelukkig zei ze het niet. Daardoor bleef het hangen. Het hing stil in de lucht.  En ik? Ik was stil. Ik wist het even niet.
Nog veel langer geleden, ooit in een ander leven zo lijkt het, zat ik tegen over iemand die me vertelde dat ik niet aan de eisen hoefde te voldoen. Dat leek onmogelijk. Al mijn hele leven voldeed ik aan de eisen. Ik was zelfs een rustige puber. Ik kon me altijd inleven in de ander en ik wilde vooral tegemoet komen. Voldoen aan de eisen die ze aan mij stelden. Toen ik de deur uitliep kreeg ik een opdracht. Te laat komen. Ik heb er een week over gedaan. En heel wat getwijfeld maar op de dag suprême kwam ik keurig te laat. Niet heel erg veel maar wel te laat. Maar de opdracht kon ik niet volbrengen. Want als me gezegd zou worden dat ik te laat was moest ik antwoorden: “Ik ben er toch”. Maar niemand vroeg me wat. Het maakte niet eens uit. Zoveel twijfel, zoveel moeite en niemand had het door.
Eerlijk gezegd heb ik liever andere “eerstelijns hulp gesprekken” zoals de gesprekken met mijn vriendin. Lekker ongezouten haar mening horen. De vragen waardoor ik nadenk. En iemand die me kent. Die me snapt. Die ook midden in het leven staat. Die weet wat het is. Die na een “sessie” bedankt zegt. Omdat haar vragen aan mij haar zelf aan het nadenken zetten. Of de gesprekken met een vriend die hard kan zeggen wat hij denkt. Hij mag dat. Van een ander pik ik dat niet maar van hem wel. Hij is geen haar beter dan ik. Misschien nog wel wat erger. Of een avond doorzakken en de volgende dag de consequenties dan maar nemen.
Dan denk ik aan de vrouw daar in die kamer. Zou het beter met haar gaan na het gesprek. Kan hij haar helpen? Is het haar jeugd, haar verleden? Wat maakt haar zo verdrietig. Maakt ze zich zorgen en zijn die zorgen om zich zelf of om geliefden? Heeft ze een moeilijke relatie, is haar man gestorven of is haar kind ongelukkig. Ondanks haar verdriet is ze mooi. Ze ziet er breekbaar en toch sterk uit. Zou ze terug gaan? Of zou ze haar rug weer rechten en zoals altijd weer de sterke vrouw zijn. Dat doen wat iedereen verwacht. Zou ze haar verdriet nu echt verwerken of weer gaan wegstoppen. Haar tranen laten opdrogen en het verdriet proberen weg te vegen. Wegvegen, droogdeppen met het witte papieren zakdoekje.

zaterdag 15 december 2012

Vlucht

Weg van ’t verleden
Ging je op de vlucht
Dook je in mijn armen
Leek je zo opgelucht

Weg van ’t verleden
Kwam ’t verleden toch terug
Keek je in de spiegel
Wist je ’t ging te vlug

Terug in ’t heden
Zie je de toekomst nog niet
Verwerk je stap voor stap
De pijn en het verdriet

Maar op een mooie ochtend
Zal de toekomst voor je staan
En kun je weer
Met je leven verder gaan

zaterdag 24 november 2012

Elk huisje heeft zijn kruisje

“Ik heb er nog meer” roept hij naar zijn vriendje die aan de kant van het water staat met een hengel. Hij houdt een bakje in zijn hand en loopt op een drafje naar het andere jongetje. Ik bekijk het van een afstandje en denk “wat heerlijk om zo klein te zijn en geen zorgen te hebben”. Dan schrik ik van mijn gedachte want wie zegt mij dat zij geen zorgen hebben. Misschien gaan ze straks wel naar huis waar de één ruziënde ouders heeft en de ander alleen bij zijn vader is omdat zijn moeder een half jaar geleden overleed.

Langzaam wandel ik verder. De hond loopt iets voor mij uit. Vanaf een afstand kan een ander hier een prachtig gelukkig tafereeltje van maken. Dan ben ik iemand die heerlijk aan het wandelen is en zo naar huis gaat. Naar een gezellig warm huis waar manlief koffie heeft gezet en voor de kinderen warme chocolademelk heeft gemaakt. Een meisje hangt om hem heen te dralen en de jongen speelt met zijn autootjes. De kat ligt lui voor de brandende openhaard en het ruikt naar versgebakken appeltaart. Maar de realiteit is dat ik me eigenlijk gewoon heel verdrietig voel. De man is er niet en de kinderen dit weekend ook al niet. Mijn hoofd maalt om alles wat nog gedaan moet worden. De katten waar ik tijdelijk voor zorgde zijn gisteren weer naar huis gegaan en zelfs de hond is verdrietig en komt de keuken niet meer uit. Mijn huis is leeg. Er vandaag iets van maken heeft weinig zin want over een paar weken gaan we verhuizen. Ik trek mijn handen nog wat verder terug in mijn mouwen, het is koud. Niet alleen buiten maar vooral in mij. Dapper wandel ik door en ben voor de buitenwereld vast een mooi tafereeltje.
“Het is niet echt hoor, het is een neppe” zeiden de kinderen een paar jaar geleden als ze me weer eens met een drol of spin voor de gek wilde houden. Alles was niet echt was, heette “een neppe”. En hoe ouder ik word, hoe meer ik om me heen kijk en denk alles is zo nep. Als ik lees op twitter en facebook zie ik iedereen opzoek naar zichzelf. Het hoort bij deze tijd. Niet alleen ik maar de hele wereld is zich zelf blijkbaar kwijtgeraakt. Een enkeling heeft zich zelf inmiddels gevonden maar of dat werkelijk zo is vraag ik me soms af. Eens woonde ik in een huis dat van hout leek te zijn maar het niet was. De muren binnen leken steen maar waren dan weer wel van hout. Het gezin dat er in leefde was geen echt gezin. Het leek mooi.
Overal om me heen zie ik het. Het meisje op school dat lacht en komt aanrennen om me een knuffel te geven, lijkt heel gelukkig. Maar als je met haar praat komt een afschuwelijke waarheid naar boven. Een moeder die ik tijdens een info avond over haar kinderen hoorde praten, blijkt later aan Münchhausen by proxy te lijden. De vrouw waarvan ik me afvraag hoe ze in hemelsnaam op die oudere en zeker niet knappe man kon vallen, blijkt jarenlang mishandeld en hij ving haar op. Gezinnen die een prachtig totaalplaatje zijn, vallen spontaan uit elkaar. De man die zo gelukkig lijkt met zijn vrouw, heeft in het geheim een ander. In de netste wijk van de stad huist een hennepkwekerij en de man die zoveel geld lijkt te hebben, besluit zelfmoord te plegen omdat hij de druk van alle leningen niet meer aan kan. De mooiste vrouwen hebben heel wat laten inspuiten of rechttrekken. Prachtige boezems zijn vooral van silicone. En zelfs in mijn verhalen kun je niet weten wat echt is en wat niet. En op twitter en facebook proberen we vooral onszelf voor de gek te houden door te laten zien hoe gelukkig we zijn. En december is helemaal de maand vol bedrog.  
Als ik bij ze aanbel doe ik mijn best een glimlach tevoorschijn te toveren. Ondertussen probeer ik uit alle macht mijn tranen te bedwingen maar ik weet nu al dat dat tevergeefse moeite zal zijn. De eerste die nu iets aardigs tegen me zegt, krijgt de hele lading over zich heen. Als ze mijn jas aanpakt voel ik het al aankomen. En dan zegt ze: “Heb je lekker uitgeslapen?” Ik schud mijn hoofd en mompel iets. Maar te laat. Ze ziet ze al terwijl ik ze nog probeer te verdringen. Mijn hemel waarom kan ik niet gewoon lachen en doen alsof zoals de rest van de wereld. “Een last is van mijn schouders gevallen dus mens lach” denk ik bij mezelf. “Ach meisje” zegt ze dan en ja hoor alsof ze een startsein geeft lopen de tranen over mijn wangen. Na twee koppen koffie en heel wat praten, kunnen we beide weer adem halen. “Elk huisje heeft zijn kruisje” zegt ze tegen me. Ik prijs me gelukkig met wat ik wel heb en zou niet met haar willen ruilen. Zij misschien ook wel niet met mij. We dragen het lot en maken er het beste van. “Ach meestal lukt het me wel hoor” zeg ik dapper “dan zie ik het mooie allemaal wel”.  Ze knikt en weet wat ik bedoel. Het zijn mooie mensen en ik ben vooral blij dat ik ze ontmoet heb en verheug me er nu al op dat ze straks eens gezellig bij mij koffie kunnen komen drinken. Of liever nog het door mij aan hem beloofde borreltje.

woensdag 14 november 2012

Vanaf vandaag leef jij in mij

“Ik moet het een plekje geven” lees ik in zijn blog maar hij weet niet hoe. Hoe doe je dat ook, iets een plekje geven. Wat voor plekje, waar is zo’n plekje? Hoe kan je loslaten als je niet wil loslaten. Hoe kan je het een plekje geven als je denkt dat je het dan moet loslaten. Hoe doe je dat?

In de auto luister ik naar de cd. Ik luister steeds dezelfde liedjes. Dan zet ik zomaar, ik weet niet waarom, nummer 4 op. “Vandaag begraaf ik jou in mij” zingt Rob de Nijs. “Niet in de aarde, niet in die kist. Niet bij die bomen in de ochtendmist. Daar ben jij niet, jij bent veilig in mij”. Het raakt me diep. Ik denk aan hem. “Een plekje geven, eigenlijk doe je dat al maar misschien niet zo bewust. Misschien is dat wel het plekje. Een plekje in jou En misschien is dat ook wel “plekje” genoeg. Zij hoort bij jou. Zij zit in jou. In je gedachten, in je hart. “Al die oude namen, daar hoor jij niet bij. Nee vandaag begraaf ik jou in mij. Dan kan ik met je praten en antwoord geven” gaat de tekst en de melancholie verder, “dan blijf jij leven in mijn leven”.
Dan besef ik dat ik dat ook deed. Omdat er geen plaatsje was waar ik hem kon begraven. Hij werd gecremeerd en uitgestrooid. Ik weet niet waar. Er was niets meer. Niets meer voor mij behalve het kruisje dat op zijn kist lag. Maar ik had een plekje nodig. Hij mocht van mij niet zomaar verwaaien en dus begroef ik hem in mij. Niet bewust. Maar ik begroef hem dicht bij mij, in mij. Mijn vader zit begraven in mij.
Zij zit ook in mij. Voor haar was er wel een plaatsje. En daar ging ik vaak heen. Samen met mijn moeder. Bloemen leggen, het graf verzorgen. En als mijn moeder dan water ging halen praatte ik daar met haar, zoals ik eerst ook tegen haar praatte als ik bij haar zat aan de ronde tafel in haar kamer. Mijn oma. Mijn alles. Tot de plek weg was. Geruimd zoals ze dat noemen. Wat was ik boos op mijn moeder die dat “zomaar” zonder mij besloten had. Waar moest ik heen? Waar kon ik met haar praten? Die dag begroef ik haar opnieuw. Die dag begroef ik haar in mij.
“Vandaag begraaf ik jou in mij. Ik zal je niet zoeken waar jij niet bent. Blijf maar bij ons hier, waar je iedereen kent. Jouw plaats aan tafel hou ik voor je vrij”. Ze zitten in mij. Begraven in mij. “Dan kan ik met ze praten en antwoord geven. Dan blijven ze leven in mijn leven”.  De mensen die ik zo lief had, ze zitten in mij. Begraven in mij. Vanavond zit ik op een bank in een onbekend huis bij onbekende mensen. Ik spreek ze voor de eerste keer. Dan zegt de man “begraven? En dan legt hij met veel verbeelding uit wat er dan naar zijn mening gebeurd. “Nee”, zegt hij “Ik heb geen plek nodig”. Dan wijst hij naar zijn hart en zegt:  “ze zitten hier, hier in mij”.
Kan dat zomaar of moet je dat heel bewust misschien wel met een soort van ritueel doen? Ik hoop dat hij het kan, haar een plaatsje geven in zichzelf. Ik luister verder en er rolt een traan. Ik hoop zo dat hij het kan. Dat het rust geeft. “Vandaag begraaf ik jou in mij. Dan kan ik met je praten en antwoord geven. Dan blijf jij leven in mijn leven. Hier neem m’n ogen en kijk met mij. Neem m’n voeten en loop met mij. We gaan naar huis nu wij allebei. Vanaf vandaag leef jij in mij”.
“We zullen lachen en plannen maken. Ik zal met je slapen en met jou ontwaken. Hier neem m’n mond en lach met mij. Neem mijn handen en voel met mij. Wat je doen wou doe ik erbij. Vanaf vandaag leef jij in mij”.
“Neem m’n hart en leeft met mij. Want jouw dood is nu voorbij. Vanaf vandaag………. leef jij in mij”.

maandag 12 november 2012

Alleen

“Ik voel me zo alleen” zegt ze. Ze zit tegenover mij aan de ronde tafel in haar keuken. Het duurde lang voor we konden afspreken, ze is ook zo druk. Dat wekt niet de indruk van alleen zijn. Maar blijkbaar is de realiteit heel anders.

Ze heeft kinderen, net als ik. Ze is een alleenstaande moeder maar zo kijk ik eigenlijk nooit naar haar. Ze heeft een goed contact met haar familie, leuke vrienden, een leuke baan en is op sociaal gebied erg actief en overal wel bij betrokken. Ze is open en spontaan en er zijn altijd wel mensen om haar heen. Soms wil ze juist zo graag even alleen zijn, dat weet ik wel. Even tijd voor zich zelf hebben. Maar dat wekt niet de indruk van alleen zijn, dus schrik ik van haar woorden. Een paar weken geleden was er de week van de eenzaamheid. Ook ik heb daar bij stil gestaan. Maar nooit zou ik dan aan haar gedacht het hebben. Zij wekt niet de indruk eenzaam te zijn. Maar ze is het dus wel, eenzaam in haar hoofd.
“Herken je dat” vraagt ze en ik schrik op uit mijn gedachten. “Herken je dat, dat er altijd iemand om je heen is maar dat je je zo alleen voelt”. Ja herkennen doe ik het wel een beetje en dus knik ik wazig van ja. “Waar denk je aan” vraagt ze me dan als ze me zo nadenkend ziet kijken. En ik biecht op dat ik het nog niet helemaal begrijp. Het niet bij haar kan plaatsen.
“Soms voel ik me zo schuldig” legt ze uit.  “Altijd vraag ik me maar af of ik het goed doe. Ik doe mijn stinkende best, daar niet van, maar is dat goed. Is dat goed genoeg? Alle beslissingen moet ik alleen nemen. En de beslissingen die ik dan neem, zijn die goed? Ik kan wel tegen mensen aanpraten maar daar blijft het dan ook bij. Ik praat, praat en praat en hoor mezelf maar doorpraten en neem dan een beslissing. Want de beslissingen liggen allemaal bij mij. De beslissingen voor mij, voor mijn kinderen. Het is alleen ik en niemand om tegenaan te leunen. Niemand met wie ik de verantwoordelijkheid kan delen. Ik moet alles alleen beslissen, alles doen, alles regelen en overal op letten en altijd vergeet ik wel iets. Nooit is het goed. Soms ben ik zo moe. Zo intens verschrikkelijk moe”.
Ze is een sterke vrouw. Maar misschien is dat het wel. Misschien maakt dat je wel heel eenzaam. Misschien denken mensen dan wel dat je ze niet nodig hebt. Dat je het allemaal wel alleen kunt. Ik zie de tranen over haar wangen lopen. “Waarom zijn sterke vrouwen zo vaak alleen?” vroeg iemand mij laatst. Ik weet het niet maar ik zie inderdaad veel sterke vrouwen om me heen die alleen zijn. Niet allemaal gelukkig. Sommige hebben het geluk wel gevonden en kunnen de zorgen en de leuke dingen delen. Misschien moet ik daar maar eens mee gaan praten. Misschien moet ik die eens interviewen voor een blog. Misschien kunnen zij er cursussen in geven. Sommige zijn niet alleen maar lijken nog eenzamer dan degene die wel alleen zijn. Die zijn eenzaam in een relatie. Ik weet niet wat erger is.
Dan kijk ik weer naar haar. ”Is het de maatschappij van nu” vraag ze  “of is het altijd al zo geweest?” We moeten zoveel. Er liggen zoveel beslissingen op mijn bordje, ik overzie ze gewoon soms niet meer”. “Hoe gaat het met de kinderen?” vraag ik, maar tegelijk zie ik dat dat geen goede opmerking was. Ik raak een te teer punt. Nu stromen de tranen pas echt over haar wangen. “Ik weet het niet” snikt ze tussen het snotteren door. “Ook daarin voel ik me alleen. Alles wat ik ze graag wilde geven, lijkt me niet te lukken.” “En hun vader? “ vraag ik voorzichtig. “Ook die lijkt te druk mijn zijn eigen leven” zegt ze zacht. “Volgens mij heeft hij geen flauw idee wat er speelt bij de kinderen en ik krijg het hem niet verteld. Dat bedoel ik dus, ik voel me zo verrekte alleen”. Ik zou haar zo graag helpen. Maar ook ik kan alleen maar luisteren. Ook tegen mij kan ze alleen maar aanpraten.
Ik neem me voor om de komende weken nog eens beter om me heen te kijken. Maar zou ik het dan wel zien. Kun je het zien vraag ik me af. De mensen die alleen zijn. Of bouwen ze een muur om zich heen. Willen ze anderen niet tot lat zijn. Ik denk aan hem. Hij sluit anderen ook buiten. Bewust maar vaker nog onbewust. Dan kun je nog zoveel willen maar helpen kun je niet meer. Dan kijk je machteloos toe. Dan kijk ik weer naar haar. Doet zij dat ook? Ik weet het niet. Ik weet het werkelijk niet.