Posts tonen met het label berg. Alle posts tonen
Posts tonen met het label berg. Alle posts tonen

maandag 13 maart 2017

De top

Moe en onzeker
zoek ik mijn pad
Het pad naar boven
ik dacht dat ik het 
gevonden had
Maar de top
is niet meer in zicht
En het bos voor mijn ogen
is donker en dicht
Moe en onzeker
ploeter ik door
Ik roep en roep
maar krijg geen gehoor
Ik weet er is daar ergens
een top is waar de zon straalt
Want ooit in het verleden
heb ik die top gehaald

dinsdag 28 oktober 2014

Nevel op de berg

Een intense mist daalt neer. Even zie ik geen hand voor ogen. Dan ontdek ik contouren maar de nevel wil niet weg. Ik durf geen stap meer te zetten. Hoogtevrees en angst spelen mij parten. Moet ik nu vooruit of juist achteruit? Verschrikt blijf ik staan. Maar voor hoe lang?

Hand in hand lopen we de berg op. Allebei hebben we een behoorlijke rugzak mee die ondanks het formaat toch wel te tillen lijkt. Wat er bij de ander in de rugzak zit, weten we nog niet. Hoe kan het ook, we hebben er nog maar amper over gesproken. Het enige dat we weten is dat ons gevoel zegt dat we de berg op willen. Met grote passen beginnen we aan onze tocht. Ik heb niet het idee dat ik ren, maar echt slenteren is het ook niet. We lijken een zelfde tempo te hebben wat prima aanvoelt. Af en toe kijken we naar boven en glimlachen. Wat een prachtige berg daar voor ons, de zon die schijnt en de top die uitnodigend wenkt.

Terwijl we rustig het pad volgen, komt er ineens een stuk met prachtige bloemen. Ik geniet en voel de zon op mijn wangen. Mijn rugzak lijkt even niets te wegen en al pratend en lachend klimmen we verder. Hij lacht en straalt. Ik kijk nog eens vol vertrouwen naar boven en dan ineens is alles gehuld in mist. Het lijkt alsof de berg op zijn kop staat. Op de tast zoek ik naar degene naast mij. Hij zoekt ook, zijn handen dwalend door de mist op zoek naar houvast. Maar de houvast is er niet. Het is alsof hij door onzichtbare armen wordt weggepakt en in een achtbaan wordt gezet. Ik zie vaag de contouren van de wagons die met een sneltreinvaart alle kanten op bewegen.

‘Het komt goed’ fluister ik en heb geen idee of mijn woorden hoorbaar zijn. Komt het goed? En wat kan ik daar aan doen terwijl ik stil op de berg sta. Ik kan niet vooruit of achteruit en ik weet niet of blijven staan wel goed is. Vage beelden van voorheen vullen mijn gedachten. Toen ik daar ook op de berg stond, in een zelfde soort van mist, te wachten tot de mist op zou trekken. Vol vertrouwen bleef ik wachten tot het te laat was en ik koud en verkleumd achter bleef. Die mist is opgetrokken maar de nevel is nog steeds tastbaar in mijn rugzak.


Behalve op de berg is de mist nu ook in mijn hoofd aanwezig. Af en toe vang ik een glimp op van de achtbaan, de man en zijn rugzak. Steeds meer voel ik wat er in de rugzak zit maar zien mag ik het nog niet. En hij? Kan hij mij nog zien staan? De mist hangt als een dikke prop watten om hem heen en hij ziet geen hand voor ogen. Op gevoel zou hij het halen, makkelijk zelfs maar hij is zo vaak over de kop gegaan in deze achtbaan, dat hij niet eens meer weet op welke berg hij was. Is hij op een nieuwe berg of loopt hij nog zoekend op de vorige? Is het een nieuw pad dat hij ingeslagen is. En waar is hij eigenlijk naar op zoek? De achtbaan neemt een loopje met hem, letterlijk en figuurlijk. De mist maakt dat hij zijn pad even niet meer ziet. En ik? Ik weet nog steeds niet of ik een stapje vooruit moet of achteruit. En dus blijf ik weer staan. 


donderdag 23 oktober 2014

De berg leidt tot de meeuw

Hij is terug in mijn leven. De berg. De berg is terug in mijn leven. In zijn droom en daardoor weer in mijn leven. ‘Gedroomd dat wij een berg aan het beklimmen waren’ stuurt hij per sms aan mij. ‘En kwamen we boven?’ vraag ik. Als ik de vraag na lees, ziet het er uit als een gewone vraag. Hij weet niet hoe belangrijk zijn antwoord is. Ik zucht en glimlach. De berg is er weer, een intens geluk stoomt door mij heen.

De berg is een metafoor in mijn leven geworden. Met de berg kan ik mijn gevoel uitdrukken. En of we de top bereiken is belangrijk. Niet de top zelf is belangrijk maar de reis er naar toe. Alleen als ik weet dat ik nooit boven zal komen, kan ik de reis niet opbrengen. Dan struikel ik over elke steen die ik tegen kom. Ik heb dat doel nodig. Nodig om als ik dan toch val, weer op te staan. Op staan en verder lopen, de reis beleven. Met steeds als doel het uitzicht op het ultieme, en met elke stap nieuwe ervaringen opdoen. Weer een stapje hoger. Hoger op de berg, hoger in mijzelf. Voelen en intens beleven. En dan zal ik boven op de top beseffen dat de reis zelf het mooiste was. En dat de top de hele reis samenvat. Ooit zal ik daar staan, een zoen op mijn mond, een arm om mijn schouder. Samen stil genieten van alle momenten, daarvan ben ik overtuigd.  

Hoe ridicuul kan het zijn. Een berg als metafoor als je hoogtevrees hebt. En misschien maakt dat het juist zo bijzonder. Want meer dan anderen is het voor mij belangrijk dat ik me veilig voel op de berg. Durf ik met jou de berg te beklimmen? Ik hoef er niet eens over na te denken. Een volmondig ja vormt zich in mijn hoofd. Een ‘ja ik durf de berg te beklimmen’ staat voor mezelf veilig voelen, volkomen op mijn gemak. En zonder dat, mag je niet met mij mee de berg op.

‘Komen we op de boven?’ was de vraag. ‘Op de top’ komt even later zijn antwoord ‘en daar heb ik je gezoend’. Ik lees de woorden en een brok vormt zich in mijn keel. ‘De berg is bijzonder in mijn leven’ schrijf ik terug. ‘De zeemeeuw voor mij’ antwoord hij. Ik wijs hem simpel naar mijn naam en hij ontdekt de meeuwen. Even denk ik dat het bijna te veel is voor een dag. Voor een uur, nee nog korter. Nooit gedacht dat iemand ooit mijn liefde voor de zeemeeuwen zou snappen. Laat staan de liefde zou delen. ‘De berg leidt tot de meeuw’ zegt hij. De berg leidt tot de meeuw. Ik weet niet wat jou naar mij leidt of mij naar jou. Ik weet niet wie jou op mijn pad heeft gezet of ik op het jouwe. Ik weet niet hoever we komen op de berg. Of we de top zullen bereiken. Maar ik ben bereid mijn rugzak te pakken en mijn eerste stap te zetten. Jij ook?


zondag 6 januari 2013

Het laatste stuk op hakken

“Er zijn van die teksten he….” zegt ze tegen me “die zijn zo verrekte waar. Gewoon dat je er niks aan toe te voegen hebt. En dit, dit is er één” zegt ze. Op de radio schalt de stem van Bart van Racoon. “Je moet er toch niet aan denken he” vult ze nog aan “dat ze hierna geen Nederlandse teksten meer maken. Zoooo jammer. Gelukkig zijn de engelse teksten net zo mooi.

Ik zit op de bank met mijn benen onder me gevouwen en luister stil naar de tekst. “Een oceaan om in te schuilen, nooit alleen meer hoeven zijn. Ik heb gesmeekt niet meer te huilen. Alsjeblieft. Het leven jaagt geen angst meer aan. Ik heb al zo ver moeten kruipen. Het laatste stuk zal ook wel gaan, tot ik ga staan.” Een oceaan…. Ik heb iets met dat water. Met de zee. Was ik gisteren nog tot in tranen geroerd door Trijntje Oosterhuis, denk ik nu “doe inderdaad maar groter”. De zee is mooi maar de oceaan. Daar kun je pas in vluchten. “Een oceaan om in te verzuipen…. Een oceaan vol tranen is van mij …. Alleen van mij..
Verzuipen wil ik. Met mijn hakken aan. Als ik toch grootser aan het denken ben en de controle los laat is de oceaan wel geschikt. Verzuipen in alles. In verdriet, in liefde, in het leven. Helemaal ondergaan en voelen. Echt weer voelen. Niet bang zijn en loslaten of je ooit nog boven zult komen. Want wat kan er gebeuren? Ik heb inderdaad al ver moeten kruipen. Ik ben niet meer bang om te vallen, ik kabbel wel weer omhoog. Met of zonder hakken. Dat laatste stuk zal wel gaan. En dan doen we er toch gewoon wat langer over. Het laatste stuk op hakken.  
Het laatste stuk. Dat klinkt dan weer als een klein eindje. Een “we zijn er bijna” gevoel. Dat zou mooi zijn, maar daar geloof ik dan weer niks van. En als het dat wel zou zijn, bekruipt me tegelijk het gevoel dat ik nog langer wil. Niks klein stuk. Ik wil nog wel wat jaren mee. Het laatste stuk? Volgens mij ben ik nog niet op de helft. Maar misschien heb ik het eerste stuk wel te hard gelopen. Grote stappen, dat deed ik namelijk altijd. Altijd haast. Ik kijk naar mijn hakken. Misschien is dat de truc. Misschien loop ik langzamer op hakken. Misschien wel bewuster, misschien loop ik mezelf dan wel wat minder voorbij. Misschien blijf ik dan wel veel beter overeind. Ik vraag me af het mooie kiezelpad met de bloemen wel te doen is met hakken. Maar ach, wie niet waagt…..

Een oceaan om in te vluchten. Over de berg en de top. Het kiezelpad op hakken. De bloemen steek ik in mijn haar. Liefde om je hart te luchten. Het laatste stuk, op naar de oceaan. Een oceaan alleen van mij. Op hakken zal ik mezelf weer vinden. I have been a way too long and every day I missed you more. You look like you did before, only prettier… Every day I love you more.



zondag 11 november 2012

Met een gouden randje

Al in de ochtend, zeker in de middag maar nog meer in de avond voel ik me gelukkig. “Ik hoop dat vandaag een mooi gouden randje heeft” schreef ze een paar dagen geleden. In een sms naar mij. Gisteren was zo’n dag. Een dag met een gouden randje. Een dag die je voor altijd in je herinnering zit, een dag die je voor altijd in je hart bewaard.

Net voor we weggaan krijg ik een cd. Een cd vol mooie liedjes. “Ik heb hem gekregen hoor” zegt hij, maar misschien maakt dat het nog wel meer bijzonder. Iets dat je zelf gekregen hebt en mooi vindt, toch weggeven. Gewoon omdat je denkt dat de ander er nog blijer mee zal zijn. “Ik denk dat jij ze erg mooi vindt”. Ik ben stil. Nog net kan ik “dank je wel” zeggen maar vooral ben ik stil door het gebaar. Er zijn geen woorden die kunnen vertellen wat ik denk of voel. In de auto zetten we de cd op en snel toetst hij verder naar nummer 10. Paul de Leeuw klinkt door de auto. Een liedje dat ik al zo vaak hoorde. Dat me altijd aantrok, dat me raakte. Een liedje dat ik vaak kreeg als antwoord op mijn vragen, wat ik nooit begreep. De stukjes lijken op hun plaatst te vallen. Bij het liedje er na van Herman van Veen lopen de tranen over mijn wangen. Tranen van geluk. Van een gevoel dat ik niet onder woorden kan brengen. Geluk met een gouden randje.
De middag is voor mij en de kids en in de avond zitten we dan allemaal samen op een terras en lachen om grapjes en verhalen. Dan slenteren we langs de gracht en vinden het perfecte restaurant. Met een arm om mij heen voel ik het weer. De rust, terwijl het met de groepen jongeren in de ruimte juist zo rumoerig is. Ik voel de rust in mij en geniet. Dan drinken nog koffie en dan zie ik haar berichtje en lees haar blog. Antwoorden kan ik niet en dus laat ik het op me inwerken. Ik wist en voelde wel hoe belangrijk het was maar haar woorden zien, doet me iets. Ik kan niet anders dan een gelukkig mens zijn dat ik met pen en papier dit heb kunnen doen. Haar blog is een weer zo’n klein cadeautje met een gouden randje.
In de bus, in de auto, alle momenten voel ik het. Pril, teer, kwetsbaar geluk. Nog zoveel kiezels, smalle wegen zullen komen voor we misschien ooit boven zijn. Boven op de berg. Maar vechten zal ik, vallen en weer opstaan. Een hand reiken, een hand pakken. Naast elkaar, achter elkaar. Stukjes misschien alleen omdat het even niet anders kan om dan later weer samen verder lopen. Eigen gedachten, eigen hindernissen. Veel praten en vooral stil er zijn. “Hou me vast en laat mij niet gaan”. Hij knijpt in mijn hand. Eigen gedachten. Zonder woorden. Een liedje vanaf nu met een gouden randje.
“Als jij het niet meer weet, in het donker van je hoofd. Ze laten weinig heel, van waar je in geloofd. Hoe de tijd ook raast. We moeten er doorheen. Als jij het niet meer weet. Je bent niet alleen. Hou me vast”.
In de nacht als ik wakker ben en nadenk over de hobbels op mijn pad, komt de kat tegen me aan liggen. Weken heeft hij dat elke nacht gedaan. Dan moest ik zijn kleine pootje vasthouden en viel hij tegen me aan in slaap. Nu ligt hij hier tegen mij aan, en terwijl ik de oplossing even niet meer weer, legt hij zijn kleine zachte pootjes op mijn hand. Alsof hij zeggen wil: “je bent niet alleen”.
Dan lees ik een tweet. Het gaat over een liedje waar ik ooit een blog over schreef. Ik ben gek op die band, al jaren, maar niet op dat nummer. De tweet zegt dat het nummer geniaal is met nog wat er achter, maar degene die het schrijft snapt er niets van. Weet blijkbaar niet wat houden van is, gooit het gewoon over boord. Voor mij is het een cadeautje. De stukjes vallen op hun plaats. Het is goed zo. De rust is weer in mij. Het is als een klein cadeautje. Een met een gouden randje.

maandag 5 november 2012

De zevende hemel


“Hoe is het in de andere zes dan?” vraagt hij me als we bij een prachtig pand staan waar de naam “de zevende hemel” op prijkt. Als er een zevende hemel is, moeten er dus minstens nog zes andere zijn. Ik ben stil. Geen idee. Stel hij bestaat, die geweldige zevende hemel, hoe zou er dan zijn en hoe zou het in die andere zes hemels zijn?
Er zijn er genoeg, zevende hemels, zo blijkt op google. Maar ik ben niet op zoek naar de restaurants die ik op het internet vindt. Niet op zoek naar het museum, de cafés  en zelfs hotels. Bij de laatste groep weet ik even niet  wat ik daarbij dan weer moet denken. Zesde hemels zijn er dan weer niet, ook vijfde en vierde hemels worden niet genoemd en dus zoek ik niet eens meer naar derde, tweede en laat staan naar de eerste.
“De uitdrukking komt van de kabbala, een joods geheime mystieke leer uit de Middeleeuwen waarin sprake is van zeven hemelen” zegt een site die alles over onze taal schijnt te weten. “De zeven hemelen worden voorgesteld als een soort 'verdiepingen' en daarbij geldt: hoe hoger, hoe heerlijker. De zevende hemel is de verblijfplaats van God en de hoogste engelen”.  De bijbel kent dan maar weer 3 hemelen. Volgens de bijbel zal je dus nooit in de “zevende hemel” zijn. Misschien verklaart dat waarom ik niet zo goed weet wat ik me er bij voor moet stellen. Laat staan van de andere zes. De eerste/onderste hemel wordt volgens de bijbel gevormd door de atmosfeer, de luncht en de wolken. De tweede/middelste hemel is de sterrenhemel, het uitspansel. De derde hemel (oftewel de hemel der hemelen) is de verblijfplaats van God en de engelen; deze hemel komt voor in 2Korintiers 12:2. Vondel daarentegen heeft meermalen melding gemaakt van negen hemelen en de site beweerd dat bij anderen ook wel sprake is van een elfde en zelfs een dertiende hemel.
Wikipedia vertelt ons alleen dat er 1993 een Nederlands-Belgische film uitgekomen is, gebaseerd op een scenario van cabaretier Urbanus. De film heeft als internationale titels “Le Septieme ciel” en “Seventh Heaven”. Maar mijn prachtige beeld van “de zevende hemel” is in een klap weg als ik lees dat de film destijds een flop was. Niks zevende hemel maar gewoon met één klap naar beneden gekletterd. De site verteld dan weer niet of de film in een van de andere hemels opgevangen is.
Zelf weet ik niet meer zo goed wat voor beeld ik moet hebben bij de hemel, laat staan de zevende. Is het dan zoiets als de zeven slechte en zeven goede jaren. Moet ik door me straks door de eerste zes heen worstelen om dan ooit in de zevende te komen of is die zevende voor ons gewone mensen sowieso “not done”. Onbereikbaar. Het topje van de hoogste berg waar je niet kan komen. Niet zonder flessen zuurstof. En zeker niet voor mensen zoals ik die hoogtevrees hebben. Ik kan maar niet denken in een God die daar boven een beetje zit te zitten en alles heeft. Persoonlijk lijkt een zevende hemel me ook helemaal niets in je uppie. Ik vind het steeds lastiger om te denken dat een God sommige van ons zoveel verdriet aan kan doen en een ander laat zwemmen in geluk of in weelde. En toch denk ik tegelijk weer dat er meer is tussen hemel en aarde. En of dat nu de zevende of de eerste is, laat ik dan maar even los. Even denk ik aan het prachtige gedicht “voetstappen in het zand”. Is het dat dan? Willen wij mensen gewoon te veel. Zien wij alleen wat we willen zien en heeft ieder van ons het portie verdriet vroeg of laat.
Dan besluit ik het los te laten. Ik hou me vast aan mijn eigen zevende hemel. En in die zevende hemel ben ik op mijn bijzondere momenten. De momenten dat ik intens kan genieten van de mensen van wie ik hou. De momenten als ik buiten loop en prachtige gekleurde blaadjes van de bomen zie dwarrelen, als de kater zijn hoofd op mijn arm legt en met zijn pootje mijn hand vast houdt. Als de hond blij is als ik thuis kom en de poes me kopjes geeft als het even niet wil lukken. Als er zomaar weer een blog uit mijn vingers rolt. Als blof op de achtergrond de prachtige teksten de lucht in gooit, als de kaarsjes branden en de wierook het huis vult. En in mijn dromen ben ik de zevende hemel; woon ik aan zee met hen die ik intens liefheb en vul ik de dagen met schrijven.


dinsdag 23 oktober 2012

Op weg naar de berg die ze ooit weer naar boven zal leiden

Als ik hem aankijk zie ik de pijn in zijn ogen. Zijn hoofd lijkt vol en leeg te gelijk. Af en toe kijkt hij wazig voor zich uit. Ik zou hem zo graag helpen, zo graag zijn pijn verlichten. Zijn hoofd leegmaken. De pijn en het verdriet eruit halen om weer de ruimte te geven aan de mooie herinneringen. Maar alles wat ik doen kan, is naast hem staan. Er zijn voor als hij ooit wel wil praten.

Als ik haar aankijk zie ik het verdriet. Soms reageert ze niet en dan weer te uitbundig. Af en toe kijkt ze blij en lijkt alles weer normaal. Ik zou haar zo graag helpen, haar verdriet verlichten. Haar hoofd leegmaken. De pijn en het verdriet eruit halen om ruimte te geven om mooie herinneringen te maken. Maar alles wat ik kan doen is haar aandacht geven. En er zijn voor als ze ooit wel wil praten.
Beide staan me na. Beide heb ik lief. Hun verdriet doet me pijn, maar helpen kan ik ze niet. Ik kan er voor ze zijn. Ik kan van ze houden. Ik kan ze vertellen dat achter de wolken de zon nog altijd voor ze schijnt en enkel wacht tot ze haar stralen weer op hun gezichten kan weerspiegelen. Ik kan ze aandacht geven of juist wat meer tijd alleen. Ik hoop dat ik het juiste doe.

Als ik hem aankijk zie ik de twijfel. We lopen en praten. En met elke voetstap die ik zet, ordenen mijn gedachten. Mijn hakken tikken op het beton van het pad. De frisse maar toch zwoele lucht is als balsem voor mijn longen. Af en toe kijk ik op zij. Zijn gedachten dwalen af en toe weg. De afgelopen week heeft hij niet geschreven. Dat is jammer want hij kan prachtig schrijven. Ik lees zijn verhalen graag. Maar deze week was het stil. Geen inspiratie zegt hij. Schrijven kun je niet dwingen, dat weet ik. Ik haal adem want ik weet dat het terug gaat komen. Maar nu is het stil. Maar met elke stap lijkt het als of hij een heel klein beetje opgeruimder kijkt. Soms zie ik een vonkje in zijn ogen. We lopen verder en praten verder. We lachen en houden elkaar vast. Ik sla mijn armen om hem heen en ik hoop dat zijn hoofd wat leger is.
Ze ontwijkt me. Als ik vraag wat er is zegt ze dat er niets is, maar haar stem verraad haar. Ik besluit haar te laten. Voor nu even te laten. Later op de avond als ze bij me zit, komen als vanzelf de tranen. Verteld ze haar gevoel, haar twijfel, haar angst, haar onzekerheid. Dan sla ik mijn armen om haar heen en leunt ze tegen mij aan. Ik kan haar troosten, geruststellen maar vooral luisteren. En tegelijk kan ik niets. Eigenlijk wist ik al wat er was. Ik voelde het. Te laat? Zij leek altijd zo zorgeloos van het leven te genieten. Waarom zag ik het niet eerder. Waarom was ik zo blind of stopte ik het weg. Of kon het niet eerder? Ik voel me machteloos, ik wil en wilde haar zo graag beschermen.
De volgende dag lees ik zijn verhaal. Een klein dal is overwonnen, even loopt hij op het rechte pad. Een recht pad dat misschien wel iets naar boven loopt. Maar er zullen nog meer dalen komen voor we weer bij de berg zijn die ons naar boven kan brengen. Dan zie ik haar lachen en hoor haar plannen maken. Ook daar is een klein dal overwonnen. Maar wat als ze niet kan praten met hem, als hij het niet ziet. Hoe kan ik haar dan door de volgende dalen heen helpen. Ben ik sterk genoeg om haar te kunnen helpen bij haar tocht naar de berg. De berg die haar ooit naar boven zal laten gaan.

dinsdag 25 september 2012

De berg

Ooit stond ik ook op een berg, maar dat was toen ik klein was. Bergen zijn mooi maar niet voor mij. Bergen zijn namelijk hoog en ik heb hoogtevrees.

Toch ging ik de bergen op. Met de auto, in een bus, lopend en zelfs op een ezel. Die laatste voerde mij langs afgronden. Doodsangsten heb ik uitgestaan op bergen. Bussen draaien zo dat het lijkt alsof je boven de afgrond zweeft. Klam zweet stond vaak in mijn handen en op mijn voorhoofd. Tranen heb ik gehuild op een berg waar we met een jeep moesten keren. Maar dat was in de tijd dat ik wist dat ik zo nooit boven zou komen.
Ik ben bang te verliezen. Dat is me duidelijk. Het ging beter, ik kon het loslaten dacht ik. Dit weekend spraken we over de toekomst. Misschien noodgedwongen stappen maar ergens voelde die zo goed. Snel, te snel? Waarschijnlijk veel te snel. Maar toch voelde ze fijn, prettig. Ik heb geklommen, jaren ben ik een berg opgeklommen waarbij ik nooit boven zou komen. Ik zou nooit boven komen omdat de berg die ik wilde beklimmen de weg al afgezet had. De top was niet bereikbaar. Ooit had daar  iemand op de top gestaan en de berg had besloten dat dat nooit meer zou gebeuren. Achteraf gezien was het ook niet mijn berg. Ik stond aan de voet van de verkeerde berg. Als ik moet kiezen tussen bergen en zee, kies ik voor zee. De zee begrijp ik. De golven kalmeren, inspireren. Bergen geven het idee dat je er toch nooit komt. En daarbij heb ik hoogtevrees. Wat moet ik dus op een berg.
Maar nu heb ik een nieuwe berg gevonden. Een mooie berg. Zomaar ineens zag ik die berg. Vanaf de grond lijkt de top hoog maar prachtig. Het is een berg met ook hobbelige paden. Maar de weg is niet afgesloten. Er staan nog wel veel obstakels op de weg  en er is geen recht pad naar de top. Ergens zweven er ook mensen op of rond die top. Ik weet niet of één ervan nog boven is of onderweg naar beneden. Ik weet niet of die ooit echt naar beneden gaat maar de weg is tot zover niet afgesloten. Ik vraag me af of ik het aandurf. Te klimmen op die berg. Te gaan naar de top. Kan ik mijn hoogtevrees, mijn angsten overwinnen?
Ik heb jarenlang gezworven, ergens in een dal rondgelopen genoten van het dal maar af en toe keek ik naar de bergen. Dan wilde ik dat ook. Dan wilde ik naar boven. Op de top staan. Dan vroeg ik mij af hoe het zou zijn daar boven op die berg. Zou ik het halen? Zou ik overwinning voelen? Zou ik kunnen genieten van het boven zijn, genieten van het uitzicht? Zou ik me daar veilig voelen? Altijd was er de angst maar nu wil ik zo graag weer klimmen. Zou deze berg mij beschermen? Zou deze berg mij opvangen als ik lijk uit te glijden, als ik struikel of als de angst van het diepe mij overvalt? Is deze berg de juiste berg, is deze berg de berg die ik ga beklimmen? Of zie ik na deze berg pas de echte berg?
Ik kijk naar buiten en neem een besluit. De volgende vakantie ga ik de berg op. Symbolisch ga ik klimmen. Lopen, omhoog. Angsten overwinnen en zien wat bergen mij gaan brengen…