zaterdag 20 april 2013

Op zonne-energie

‘Heerlijk’ zucht ze met haar ogen dicht en haar gezicht naar de zon gedraaid. Haar voeten liggen op de stoel tegenover haar en haar armen hangen losjes naar beneden. Er ligt een tevreden glimlach op haar lippen terwijl ze geniet van de warmte van de zon. Ik moet stilletjes lachen om haar. Het is geweldig om te zien hoe ze daar ontspannen zit. Ze ademt diep in en vervolgt dan: ‘dit was precies wat ik nodig had’.

Ook mijn voeten liggen op de stoel tegenover mij en ik kijk over het water voor me. We zitten bij een ‘tentje’ aan het Veluwe meer met een prachtig uitzicht en ook ik zit echt te genieten. Langzaam voelde ik alle stress wegebben en de energie weer komen. Vorig jaar waren we er ook al eens en toen bedacht ik me dat ik daar vaak zou zitten. Dan zou ik de laptop meenemen en daar aan het water gaan schrijven. De realiteit is dat ik er de hele zomerlang niet één keer geweest ben. Zonde eigenlijk want het is een heerlijke plek. Het klonk toen zo mooi, het idee was zo goed, maar eigenlijk weet ik nog steeds niets of ze er eigenlijk wel internet hebben en vooral of er een beetje verbinding te krijgen is.
Het is nog niet eens zo heel erg warm maar het zonnetje doet wonderen. ‘Ik zat volgens mij gewoon in een winterdipje’ zegt ze dan. ‘Jij niet alleen’ antwoord ik haar. “Man oh man wat doet dat zonnetje ook mij goed’. Het lijkt alsof ik hier, terwijl ik stil zit, mijn innerlijke batterijen aan het opladen ben. ‘Zou dat het zijn?’ vraag ik mezelf hard op af en ze kijkt me verbaasd aan. ‘Ik vraag me af of ik misschien gewoon op zonne-energie loop’ zeg ik grijnzend. Ik was zo moe de laatste weken, misschien was mijn opgeslagen zonne-energie gewoon op. Ze kijkt me lachend aan en schud meewarig haar hoofd. ‘Dat kan toch’ zeg ik op protesterende toon en probeer er zo serieus mogelijk bij te kijken. ‘Tjonge’ zegt ze, ‘dat zou wat zijn he, mensen op zonne-energie. Zodat je gewoon af en toe wat extra’s kunt inzetten’.
Mensen op zonne-energie. Volgens mij lopen we gedeeltelijk ook op zonne-energie. Op licht in elk geval. Zonder licht, kunnen wij mensen niet functioneren. Licht beïnvloed onze biologische klok. Met licht kunnen we zelfs bij een jetlag ons lichaam voor de gek houden. En licht therapieën tegen de winterdip. ‘Wist je dat er ongeveer een miljoen mensen in Nederland zijn die last hebben van een winterdip?’ vraag ik haar. De rimpel in haar voorhoofd en de verbaasde ogen zeggen genoeg. ‘De oorzaak van de winter blues zijn onbekend’ vervolg ik ’maar omdat de winterdepressie optreedt als er te weinig daglicht is, is het wel duidelijk dat er een link is. En wist je dat vrouwen tussen de 13 en 55 jaar een grotere gevoeligheid hebben voor het ontwikkelen van de winterdepressie’. Ze schudt haar hoofd. ‘Eigenlijk niet gek dus zegt ze dat wij zo aan de zon toe waren’.
Ik ga wat verder onderuit zitten in mijn stoel en staar over het water. Toch niet zo’n gek idee hoor, de mens op zonne-energie. En ik laat mijn fantasie de vrije loop. Maar waar laat je dan de energie die je te veel tankt? In een tank ofzo? Maar waar laat je dan die tank….. Mijn fantasie doet zijn werk en zoals altijd zie het direct voor me. Oh mijn hemel…. Ben ik blij dat ik niet in het zonnige Spanje woon….


zondag 14 april 2013

Het roze olifantje

Het is lente. En vandaag gaat de zon schijnen. Want dat hebben ‘ze’ beloofd. Al vanaf acht uur in de ochtend verschijnen er klagende berichten op twitter, want de zon komt pas in de avond. Er is mist, mist en regen. Niet veel maar toch. Nederland klaagt, zoals alleen Nederlanders dat kunnen doen. Het gaat dus goed met Nederland. Ondanks wat de politici in den Haag roepen. Het gaat goed met Nederland, want Nederland klaagt over ‘het weer’.

Beloofd is alleen dat het warmer wordt dit weekend. Maar daar maken wij dan gelijk in ons hoofd een zonnig weekend van. En dan valt het natuurlijk altijd tegen. Het kan niet anders, dat besef ik ook wel. Als je twintig graden hoort, denk je als vanzelf aan de zon en blauwe luchten. Zeggen dat je er niet aan moet denken werkt al helemaal niet. Dat is zoiets als ‘denk niet aan het roze olifantje’. Juist…. Waar denk je nu aan….
‘Daar gaat mijn stranddag’ lees ik op twitter. Stiekem ben ik wel blij. Wij gaan ook naar het strand, maar ik vind het strand vooral fijn als het niet al te druk is. Lekker uitwaaien en het water horen, het liefst met mijn voeten in het zand maar dat bewaar ik voor de volgende keer. Niet alles in een keer, dat zou nog zonde zijn. Uitwaaien aan het strand, mijn gedachten laten opkomen en ook weer laten wegwaaien. Dat is goed voor me. Daarna kan ik er weer tegen. Beter bestaat bijna niet.

Bij het horen van temperaturen van twee cijfers, ging Nederland direct massaal uit hun dak. Toen de weergoden daar ook nog eens een begincijfer 2 van maakten, brak de zomergekte helemaal uit. Plannen werden gemaakt, vrienden uitgenodigd, barbecues werden gepland. Dagjes uit kwamen op het programma, strand, pretparken, speeltuinen, wandelen en nog veel meer. Picknickmanden werden van zolder gehaald. Maar nu is het dan zondag en blijkt het roze olifantje ineens weer grijs. Nog steeds een olifantje, maar dan gewoon grijs zoals je ze altijd al zag. Het kwik loopt langzaam omhoog maar de grijze wolken verdwijnen nog niet. De mist overheerst. En met de grijze lucht ook de sombere berichten op Social Media.
Ik krijg vooral de neiging om Nederland massaal op te roepen eens positief te zijn. Wees eens blij met wat je wel hebt, in plaats van te zeuren over wat je niet hebt. Laat de buurman de buurman en leef je eigen leven. Het gras is altijd groener vanaf een afstandje. Zet vandaag je zonnebril op en bekijk de wereld eens met een zonniger tintje.  En moet je nog een nieuwe zonnebril dit jaar; koop er dan eens een met van die zonnig bruine glazen waardoor de lucht net wat stralender wordt, het gras groener en het water blauwer. Bedenk dat je vandaag je handschoenen niet aan hoeft en dat de blaadjes langzaam aan de bomen beginnen te komen. Bereid je langzaam voor op de zonnige zomer in plaats van vandaag de hele zomer in één dag te willen beleven.

Het is lente en jij bent blij. Ik zie het aan je. Je gezicht lacht en je ogen stralen. Ik zie zelfs iets van een twinkeling. Ben je soms verliefd? Is dat het? Zijn het de vlinders die ik zie. Wat mooi! Ja, nu zie  ik het helemaal. Je bent verliefd, je voelt de lente in je lijf. Je straalt geluk uit. Heerlijk om te zien dat jij zo loopt te genieten, want dat is wat ik je gun. Ik gun je alle geluk van de wereld en de lach van een blij verliefde tiener. Voel je het ook? Ik plant nu een roze olifantje in je hoofd, geniet er van.


zaterdag 6 april 2013

Spooktrein

De lichten zijn aan. Toch is er niemand te zien. Spookachtig stil verlicht staan ze daar te staan. Terwijl ik voorbij rij, word mijn aandacht als vanzelf getrokken. Buiten is het aardedonker is, maar daar brand licht achter elk raampje. Ik kan zien dat er niemand binnen is. Zelfs vanaf de weg kan ik het zien zo licht is het daar binnen. Het is een vreemd stilleven, helverlichte treinen die eenzaam stil op een verlaten rangeerterrein staan. Een stilleven en spookbeeld tegelijk. Ik weet eigenlijk niet wat ik verwacht. Niemand of iemand te zien daar in die treinen. Ik weet niet wat me meer gerust zou stellen.

Ineens denk ik aan het spookstation. Vanaf dag 1 dat ik daarvan hoorde, wilde ik er heen. Er ligt een cache en zo wist ik van het bestaan. Een station gebouwd maar nooit afgebouwd. Nooit is er een trein gestopt. De bedoeling is dat hier ooit een station zal komen. Misschien als er een woonwijk komt, maar voorlopig ligt het spookachtig stil in het landschap. Een aantal keren ben ik het per trein gepasseerd. Als je het niet weet, merk je niet eens dat je een station nadert of er overheen dendert. Een heel aantal keren ben ik er met de auto vanuit de verte voorbij gereden en altijd werd mijn blik,  net als vanavond,  als een magneet er naar toe getrokken. Met als enig verschil dat daar geen trein te bekennen is.
Als een magneet, zo werkt het op mij. Net als het kasteel een eindje verderop. Het kasteel dat nooit afgebouwd is. Dat als een raar half afgebouwd al weer bijna vervallen stilleven, op een afstandje toekijkt. Waar ik klimop tegen zou laten groeien om er een soort van ruïne van te maken. Een vervallen ruïne op nieuw land. Een nieuwe trekpleister geboren. Een paar weken geleden las ik dat daar de meeste geesten van Nederland dwalen. Geesten van vergane schepen, tezamen op deze niet afgebouwde plek. Nog interessanter vind ik het kasteel nu, maar er alleen heen gaan leek me ineens geen slim plan meer. En toch….
Nog even kijk ik om, om zo een laatste glimp op te vangen van die stilstaande treinen. Helemaal verlicht en helemaal leeg. Tenminste dat denk ik. Simpel omdat ik niemand zie, maar of het zo is…
Dan denk ik terug aan de avond dat ik met mijn overbuurmeisje mee mocht naar haar nieuwe school. Ze gingen verhuizen en zij ging naar de middelbare school. Om al een beetje te wennen, was ze uitgenodigd voor een toneelstuk en ik mocht met haar mee. Nog zoek ik van tijd tot tijd of het stuk niet gewoon ergens speelt, zo graag zou ik nog een keer het zien en voelen. In mijn gedachten zie ik de leerlingen die wachtende mensen voorstelden op een perron. Zelfs in die tijd al speelden vertragingen van de NS al een rol. De laatste trein kwam dus niet en de wachtende mensen moesten overnachten in de wachtkamer van het station. De spanningen tussen de reizigers bouwden zich op. En de conducteur maakt het zeker niet minder erg. En ineens was het donker. Aardedonker. Alle lichten vielen uit. De flitsende lichten en een oorverdovend kedeng kedeng (zonder oe hoe) liet de toeschouwers geloven dat er een trein door de tot theater omgetoverde aula denderde. De laatste trein.

Is het de warme herinnering aan het mee mogen met mijn iets oudere overbuurmeisjes, het gevoel van groot zijn. De kunstzinnige inslag van de school die zo goed bij haar en haar ouders paste en waar ik me zo in thuis voelde. Of is het ’t mystieke van het ongrijpbare wat me zo aantrekt en waardoor ik naar die treinen toe zou willen. Er doorheen lopen en voelen.
Het is spookachtig stil en toch lijkt het daar zo druk. Is het het licht achter de raampjes of is het meer? Ik zal het nooit weten. Want in plaats toe te geven, probeer ik de magnetische kracht te ontwijken en rij ik door. Rechtdoor naar huis. Naar huis waar het de laatste dagen minstens net zo spookt.


zondag 31 maart 2013

Webshop van de Paashaas

‘Vijftigtinten sneeuw’ schreef ik voor kerst, en ik vertelde over waarom we in plaats van een prachtige witte deken een grijze lucht gekregen hadden. Een kwestie van vragen dus. En zie het helpt. Als ik eerste paasochtend naar beneden komt, zie ik de sneeuwvlokjes vrolijk dwarrelen. Ik voel me een beetje schuldig. Was het mijn verhaal waardoor ik ze daar boven op een dwaalspoor heb gezet. Vijftig tinten sneeuw voor kerst. Kerst; de geboorte van Jezus. Misschien is gewoon niet alles blijven hangen en zijn alleen de woorden ‘sneeuw’ en ‘Jezus’ doorgekomen daarboven. Het zou kunnen natuurlijk.

Of was het door de ‘Passion’ die donderdagavond uitgezonden werd. Iedereen had het er over op ‘witte donderdag’. En dat waar massaal over gepraat wordt, dat wordt keurig geleverd natuurlijk. Wit met Pasen moet vast overal op de krijtborden bij de weerafdeling daarboven gestaan hebben. Het kan gewoon niet anders.
Gelukkig blijft de sneeuw niet liggen waardoor ik de krokussen nog kan zien. De narcissen met hun gele bloemenkopjes gewoon kan bekijken. Een enkeling, die vergeten is een sjaal om te doen, dan wel hangend maar toch. Ik besluit de paaseieren maar binnen te verstoppen. Niet omdat de kinderen niet tegen een beetje kou kunnen, maar omdat je als je een beetje moeder bent, er natuurlijk wel naast moet gaan staan. En zo vanachter het raam lijkt het nou net een beetje meer zonnig Pasen en zonnig dat is waar ik behoefte aan heb. Met de Paashaas zelf had ik toch ook al een beetje medelijden en dus heb ik die gisteren maar een sms gestuurd dat we dit jaar zelf wel gaan verstoppen. In de eerste plaats omdat ik het zo sneu vind, de paashaas met muts sjaal en wanten die eieren te laten verstoppen. Dat valt vast niet mee, eieren uit het mandje halen met die onhandige wanten. Om van de dikke sokken aan zijn poten nog maar niet te spreken.
Nu doen we er wel zo vreemd over, maar het is zeker niet de eerste keer dat het sneeuwde met Pasen. In 2008 viel er op sommige plaatsen wel 10 cm sneeuw.  En ook in 2001 viel er de dag voor Pasen nog een paar centimeter sneeuw. Op eerste paasdag zelf verdween die door de oplopende temperatuur weer ‘als sneeuw voor de zon’. En ook in 1982 en 1937 begon Pasen met sneeuw.  Dat komt al aardig in de buurt van de hooguit 8 keer dat er sneeuw was met kerst. En klinkt bijna logischer dan de 24,5 graden die gemeten werden op Pasen in 1949.

Maar ik ben nu wel een beetje de weg kwijt. Niet letterlijk maar figuurlijk. Ik weet ik niet meer zo goed waarin ik moet geloven. Een witte kerst en een lentegevoel met Pasen of net andersom. En bestaat nu de Kerstman of de Paashaas in het echt? De eieren liggen er inderdaad niet maar dat kan dus gewoon door mijn sms’je komen. Of zijn die twee eigenlijk een en dezelfde. Komt de Kerstman gewoon niet vanaf de noordpool maar uit Brabant en zoekt hij rond maart/april zijn Paasmannen pak uit de kist met carnavalskleren? Ik weet het niet. Dat een van de twee of beide bestaan weet ik inmiddels wel en via hun webshop leveren ze nog snel ook. Want zei ik in december nog in een blog: “Lieve lieve Kerstman mag ik voor volgend jaar vijftig tinten sneeuw voor kerst”. Enne als die man nog op voorraad is…. Mijn adres is.. ‘, word ik amper 3 maanden later wakker en dwarrelen de sneeuwvlokjes vrolijk naar beneden en ligt naast mij, gewoon helemaal in het echie, de meest mooie lieve man die ik me maar kon wensen.  

zondag 24 maart 2013

Geniet van elke dag en leef alsof het je laatste is

Zes maanden geleden hoorde ik  “Als er nooit meer een morgen zou zijn” van Marco Borsato terwijl ik naar huis reed. Het zette mij aan het denken zoals alle keren dat ik het lied hoorde maar als vanzelf kwam ik die dag uit bij het overlijdensbericht van Elly Jonkman. Die ochtend las ik op twitter: “Ze was zo ongelooflijk sterk. Het was niet genoeg, maar ze heeft elke dag van haar leven geleefd alsof het haar laatste was.” Ik kende haar niet zo goed. En hard was het besef dat ik nooit meer de kans zou krijgen. De afspraak die we wilde maken zou er nooit meer komen.

“Als er nooit meer een morgen zou zijn, en de zon viel in slaap met de maan. Heb je enig idee wat het met je zou doen, als je nog maar een dag zou bestaan”. Hoe vaak heb ik het lied al gehoord en hoe vaak gingen mijn gedachten uit naar wat ik dan zou doen. Wat zou ik doen als ik zou horen dat ik nog maar kort te leven zou hebben. En dan besefte ik dat ik mijn eerste gedachte was dat ik niets zou zeggen, maar weg zou gaan, uit mijn relatie zou stappen en de mensen op moest zoeken die belangrijk voor me waren. Een besef dat hard aankwam en uiteindelijk ervoor zorgde dat ik niet op die dag zou wachten.
Inmiddels had ik de stap van weggaan genomen maar alsnog was het niet compleet. Ik leefde mijn leven nog niet alsof elke dag de laatste kon zijn. Te vaak zette ik alles opzij voor dat wat nog moest. Moest van mezelf of opgelegd dacht ik door anderen, maar altijd vooral toch weer door mezelf. Ik was bijna vergeten wie ik was. Ik leefde te veel om het anderen naar de zin te maken. Waar was mijn eigen ik gebleven, mijn rust, mijn gelukkig zijn, mijn niks en mijn alles.
Ik luisterde naar de woorden en zoog ze allemaal naar binnen: “We verbannen de dromen naar morgen en later, maar doet het je stiekem geen pijn? Dat je dan pas zou doen wat je altijd al wou, als er nooit meer een morgen zou zijn”. En ik besloot: “Laten we een voorbeeld nemen aan haar. Niet zozeer aan  dat ze zich inzette anderen. Nee laten we echt een voorbeeld nemen aan wat zij deed “ze heeft elke dag van haar leven geleefd alsof het haar laatste was.”
Precies een half jaar later stap ik in de ochtend in de auto. De radio springt aan en ik hoor de woorden van precies het zelfde lied. Even val ik stil en bedenk me wat ik zou doen als er nooit meer een morgen zou zijn.’ Dan springen de tranen in mijn ogen. Ik zou niets doen, helemaal niets. Ik zou vandaag leven zoals ik vandaag leef. Het besef dat ik me gelukkig voel en tegen iedereen die me lief is gezegd heb wat ik zou willen zeggen, geeft me een enorm gevoel van rijkdom en vrijheid. Het gevoel van intens gelukkig zijn. Van liefhebben en mezelf weer zijn. Ik glimlach en denk aan haar. Ze heeft mij een groot cadeau nagelaten: “Geniet van elke dag en leef alsof het je laatste is.
Dank je wel Elly!

donderdag 14 maart 2013

Eenzame stoel aan zee

Als een stil relikwie staat hij daar. Helemaal alleen. Je weet dat er iemand moet zijn geweest. Iemand die hem daar heeft neer gezet. Het kan niet anders. Maar er is niemand te zien. Hij staat daar alleen, als stille herinnering aan iets of niets. Ik zal het nooit echt weten.

We lopen over het strand. Het is een koude maar mooie zondag. De zon schijnt en geeft een zilverachtige gloed aan het water. Ik heb mijn sjaal nog extra dicht om mij heen geslagen en handschoenen aan mijn handen. De hond rent vooruit, wij volgen gedwee. Genietend van de lucht, het strand, de zee en van elkaar. Veel is er gebeurd de afgelopen jaren. Voor hem en voor mij. De laatste keer dat ik aan het strand liep was met een vriendin. Hoeveel er al sinds die tijd weer gebeurt is. Het leven staat niet stil, al lijkt dat soms wel. Heel soms wil je het leven stil zetten om extra te genieten, en soms staat het leven stil omdat dat wat gebeurt teveel indruk maakt om in een seconde te kunnen verwerken. Dan staat de wereld stil voor jou. Minuten, uren, weken of soms wel maanden of jaren. Zo lang als nodig is, staat de wereld stil. Stil om jou de kans te geven weer adem te gaan halen en verder te gaan.

Als we terug lopen zie ik ineens de stoel. Midden op het strand staat hij daar. Alleen, leeg en eenzaam. In gedachte zie ik iemand op de stoel, in eerste instantie uitkijkend over de zee. Denkend, nadenkend over het leven. Zijn leven. Over wat er is gebeurd en hoe nu verder. Positief of negatief dat weet ik niet. In elk geval denkend over het verleden en de toekomst. Het heden bestaat uit de stoel, het strand en de zee. Vaag hoort hij de mensen om hem heen, vaag ziet hij de vogels vliegen en de honden over het strand rennen en kinderen die spelen. Dan wordt het hem te veel en draait hij de stoel om. Hij kan niet meer kijken in de leegte. De alles verzengde leegte die hem opvreet en vervult tegelijker tijd.
‘Zo stil, dat alle klokken zwegen ja. De tijd stond onbeweeglijk’ zingt blof. En zo voelt hij het terwijl hij daar zit, stil en onbeweeglijk in de stoel. ‘Ik zal vandaag de storm bedwingen en dan laten razen. Tot ze stil is met jou bij mij, kan ik alles, wil ik alles, en ik weet dat ik straks zonder, veel te klein en niks meer waard ben en geen dag meer door kan’ dreunen de woorden van Guus door zijn hoofd. Maar hij is hij al klaar voor de storm? Zal hij de storm ooit bedwingen? Is hij groot genoeg om de dagen weer door te gaan? Hij is het waard maar weet hij dat zelf ook?
De stoel laat me niet los. Ik kijk nog een keer om. Zo stil en leeg staat de stoel daar. Iets in mij trekt om op die stoel te gaan zitten. Om mijn gevoel zijn gang te laten gaan, daar in die stoel. Om het verdriet of de vreugde van de man of vrouw die daar in de stoel gezeten heeft te voelen. Om het verdriet of de vreugde van mijzelf te voelen. Om het verdriet of de vreugde van iedereen die me lief is te voelen. Maar in plaats van in de stoel te gaan zitten maak ik een foto. Een foto zodat ik later alsnog in de stoel kan kruipen. Dan maak ik nog meer foto’s. Foto’s van hem en van de hond en van hun samen. Van het strand en van de zee. En van de meeuwen. Dat moet, dat kan niet anders. Een dag aan zee zonder foto’s van meeuwen, is alsof de dag niet bestaan heeft. Dan steek ik mijn arm door die van hem, haal adem, laat het los en loop door. Ik loop door met de wetenschap dat de stoel voor altijd binnen handbereik zal zijn. De stoel zelf blijft achter, als stille herinnering aan iets of niets. Want dat zal ik nooit echt weten.

 



maandag 11 maart 2013

In een onverwachte hoek

‘En soms zit een glimlach in een onverwachte hoek’ lees ik. Het briefje is verstopt onder mijn laptop. Bedoelt om pas later te vinden. Maar zoals altijd ontdek ik het geheel per ongeluk al veel eerder. Alsof ik gedreven wordt naar plaatsen waar iets op me ligt te wachten. Maar het doel is niet minder. Een brede glimlacht trekt van oor naar oor. En als ik twee dagen later het briefje opnieuw zie, glimlach ik weer net zo hard.

Op de dagelijkse kalender lees ik ‘als een ongeluk in een klein hoekje zit, zit het geluk dan in de rest?’ Ik vraag me even af hoeveel hoekjes er zijn. En of dat kleine hoekje dicht in de buurt ligt van de onverwachte hoek. Of dat het ongeluk naast de glimlach ligt en het een keuze is welke je gaat kiezen.
Geluk is een keuze, net als ongeluk. Alleen wordt het de één heel wat moeilijker gemaakt dan de ander. Waar kies je voor. Ga je je lot aan en kies je er voor om ondanks alles gelukkig te blijven. Blijf je lachen, blijf je volhouden en doorgaan? Of ga je bij de pakken neer zitten en geef je de moed op? Het leven is niet altijd even makkelijk, dat weet ik ook zeker wel. En uiteraard zijn er tijden waarop het geluk makkelijker op te pakken is dan anders. Maar het is wel je eigen keuze. Als je wil is er genoeg geluk te vinden. Het zit namelijk in de kleine dingen die niets kosten. Die voor iedereen op te rapen zijn.
Als ik denk aan gelukkig zijn, denk ik aan wandelen over het strand. Het oprapen van schelpen die dan jarenlang als stille getuigen in mijn huis blijven liggen. Aan een eerste sneeuwvlok of een eerste zonnestraal. Aan bloemen die uitkomen of aan de teksten in de badkamer. Geschreven met shampoo op de douchedeur. Aan samen op de bank zitten als de kinderen in bed liggen. Aan de knipoog over tafel heen die alle andere aanwezige ontgaat. Aan het kopje koffie speciaal voor mij. Geluk is niet te koop. Simpelweg omdat het niets kost en tegelijk zo kostbaar is.
Als ik mijn werk klaar heb, pak ik de verslagen van mijn bureau om ze in de map te doen. Het blad onder de transparante bureaulegger wordt weer zichtbaar. ‘En soms zit een glimlach in een onverwachte hoek’ lees ik opnieuw. En weer komt er een grote glimlach op mijn gezicht. De onverwachte hoek is zeker niet het kleine hoekje, weet ik ineens zeker. De onverwachte hoek is de rest. Zoveel grote glimlachen passen nooit in een klein hoekje.

dinsdag 5 maart 2013

14 jaar in een zucht zonder vloek

‘Waarom komen de meeste kinderen toch in de nacht ter wereld?’ vraagt hij. Aanleiding is dat een collega vader is geworden. ‘Uiteraard’ is het kindje in de nacht geboren. ‘Nou gewoon omdat dat iets heeft, iets intiem’ zeg ik. Vragend kijkt hij me aan. Eigenlijk weet ik niet waarom het is. De reden van mijn antwoord is omdat ik het zo voel. Maar als ik dan nadenk, besef ik dat mijn kinderen toch echt overdag geboren zijn.

Ineens moet ik er weer aan denken. Het bijna een week geleden dat hij de opmerking maakte. Ik denk er nu weer aan omdat een jaar en 12 uur geleden is dat mijn 2e zoon geboren werd. Nu ligt hij alweer in bed, verjaardag geweest en het blonde koppie is nu 14 jaar oud. 14 jaar, de tijd vliegt gewoon voorbij. Soms zou ik het wel allemaal over willen doen. Niet alles hoor, maar wel die tijd met de kinderen. Of soms denk ik, ik doe het gewoon nog een keer.
Aan de ene kant geniet ik van de vrijheid die oudere kinderen met zich meebrengen. Hoewel…. ‘kleine kinderen, kleine zorgen, grote kinderen…..’ zei mijn moeder altijd en gelijk heeft ze. Nu heb ik niets te klagen over mijn kinderen hoor, in tegendeel. Maar de zorg is er natuurlijk altijd. Dus aan de ene kant geniet ik er van dat ik ze eens alleen kan laten. Wel binnen de perken maar toch. Aan de andere kant blijft het kriebelen. Als ik een baby zie, kriebelt het gelijk. Zal dat altijd zo blijven? Is het omdat ik een moeder moeder ben? Ik weet het niet en eigenlijk wil ik er vooral niet over nadenken.
Ik weet het nog goed, 14 jaar en wat uren geleden. De verloskundige kwam en begon op haar gemak alle spulletjes uit te stallen. Nu had ik een verloskundige die van wanten wist. Geen gezeik of gezeur. En hoe ik bij mijn eerste nog hoopte dat ik haar compagnon had, hoopte ik nu er erg op dat zij dienst had. Het geluk was met mij. Dapper vroeg ik haar wat ze aan het doen was? ‘Ach, ik leg vast alles neer’ was haar simpele antwoord. ‘Dat gaat echt nog wel ff duren hoor’ antwoordde ik haar.  Maar zij vond dat het maar vast kon liggen en het was toch rustig in bevallingsland. ‘Misschien moet je hem nu maar naar de oppas brengen’ zei ze tegen manlief terwijl ze op mijn zoon wees. Later bekende ze dat hij echt niet 5 minuten later terug had moeten komen of hij had de bevalling van zijn zoon gewoon gemist. Wat een kanjer was dat mens. Zo heerlijk recht door zee.

En nu is het 14 jaar later. Zo snel als zoonlief toen was, zo traag is hij nu af en toe. Maar nu ligt hij zomaar uit zich zelf na zijn verjaardag in bed. Zou het ooit komen? Het inzicht van op tijd naar bed gaan? Het was niks spectaculair vandaag. De familie woont te ver weg en zijn vriendenfeest komt binnenkort. De dag bestond uit school en na school thuis met een paar voor hem belangrijke mensen en wij. Helaas moest hij nog wat mensen missen. De buurtjes bleven gezellig eten, zoonlief bedacht het (afhaal) menu en daarna besloot dat hij daarna languit op de bank tv wilde kijken. Hij is jarig dus hij bepaalt. Tevreden gaat hij naar bed. Als alles en iedereen boven stil is en slaapt, schenk ik een glas wijn in en mijmer terug. Elke verjaardag van een kind weer. Alsof het moet, niet anders kan.
Ze zijn voorbij gevlogen. Alle jaren. ‘In een vloek en een zucht’ zou mijn moeder zeggen maar dat geld niet voor mij want vloeken past niet in mijn lijstje. Trots ben ik op mijn kanjers en niet een beetje ook. Zoals elke moeder denk ik, neem ik aan, hoop ik! Even mijmer ik over de baby tijd. Dan laat ik het varen. Op naar de volgende jaren. Dan mijmer ik vooruit. Ook dat laat ik weer los. Waarschijnlijk gaan de volgende 14 net zoals deze 14 jaren. In een zucht zonder vloek.

donderdag 28 februari 2013

Ikeapaard

“Ik ben van de gehaktballen van IKEA nu zelf thuis zelf een paard in elkaar aan het zetten................altijd een ellende bij het in elkaar zetten IKEA spullen...............” lees ik op Facebook en beeldend als ik in elkaar zit, zie ik het natuurlijk al weer helemaal voor me.

Op tafel voor haar liggen bergen Ikea zweutse gehaktballen. Rechts naast haar een half opengevouwen gebruiksaanwijzing, ook van Ikea en natuurlijk ligt die op zijn kop. Eén omdat het van Ikea is en twee omdat ze blond is. En inmiddels weten we het allemaal; “blond is geen keuze, blond is levenslang”. We kunnen het tenslotte niet voor niks goed met elkaar vinden. Verder liggen er natuurlijk nog tig plastic zakjes op tafel met onderdelen waarvan je nu nog echt met geen mogelijkheid kunt zien of je die echt nodig zult hebben en waarvoor dan in hemelsnaam. Waarschijnlijk kom je daar pas achter als je bijna klaar bent zodat je alles weer af kunt breken en opnieuw kunt beginnen. Zo hoort dat namelijk, bij Ikea.
Ik zie het nog steeds voor me, alsof ik van een afstandje mee keek terwijl ik zelf met een (mannelijke) collega Ikea kasten voor op kantoor in elkaar aan het zetten was. Het was avond, uiteraard was het avond want overdag doe je zoiets niet. Overdag heb je kans dat er anderen langs komen lopen en dat is al erg op zich maar er bestaat ook nog eens de kans dat ze zich er tegenaan gaan bemoeien. En geloof me, een Ikea kast in elkaar zetten is al lastig genoeg met zijn tweeën. Dus hadden we gegeten op kantoor, een kant en klare Appie Heijn maaltijd want we hadden natuurlijk niet voor niets een magnetron. Ons bedrijf huurde twee kamers in een bedrijvencentrum en zoals dat gaat in zo’n centrum, liggen die kamers uiteraard niet naast elkaar.
We liepen dus altijd al heel wat af van kamer naar kamer, alsof we in een groot bedrijf werkzaam waren. Na het eten, toen de gangen donker waren en de meeste mensen wel naar huis, trokken we richting de andere kamer om vol goeie moed de stellingen in elkaar te zetten. Vol goede moed begonnen we. En als snel merkte we dat het heel goed was dat het avond en dus rustig was op kantoor. Al snel hingen we in de meest vreemde posities over elkaar heen, armen en benen vreemd doorelkaar heen gewrongen proberend om en de onderdelen vast te houden, op zijn plaats en ook nog eens de schroefjes er in te draaien. Vanaf de gang moet het een geweldig plaatje geweest zijn dat het roddelcircuit zeker op gang had gebracht.
Maar nu zit zij daar aan die tafel, zwoegend om het deel paard uit de gehaktballen te peuteren en het vervolgens weer tot paard terug te kneden. Een paar dagen daarvoor hoorde ik een slager op de radio vertellen over het vlees van het paard. Dat waar nu iedereen van gaat stuiteren was vroeger heel gewoon. Paarden zorgden voor het vervoer en als het beest dood ging, at je het op. Het klinkt simpel maar als je er te lang over denkt wordt het toch weer bizar. Stel je voor dat je buurman overlijdt en de familie nodigt je een paar dagen later uit voor een diner. Tja, hij is toch dood dus zonde om weg te gooien.
Terug naar het paard en mijn vriendin want even vraag ik me af of wel alle onderdelen in die zweutse ballen zit. Als ik het haar vraag kijkt ze me warrig en vragend aan, verdiept als ze was in het paardenproject. Dan begint ze te lachen en zegt: ‘nee natuurlijk niet. Ik heb toch niet voor niks nog drie lasagnes in de koelkast liggen’. 

dinsdag 26 februari 2013

Energielekje

Er zit een lek in het system. Tenminste dat denk ik. Heel langzaam lijkt het weg te vloeien. Het kan ook zijn dat ik de kraan per ongeluk open gedraaid heb, of niet dicht gedaan heb. Het zou zo maar kunnen. De verwarming vergeet ik ook heel vaak terug te draaien.  Niet erg maar zo jammer van de rekening aan het einde van het jaar. Het is te wijten aan jarenlange gewoonte. Een te goed systeem waarbij je vooral niet aan de knop mocht komen. Dag en nacht, zomer en winter, het systeem regelt het zelf. Speciaal bedacht voor blontjes denk ik, of voor extreem luie mensen. Dus ideaal voor de combi van toen.

Maar nu lekt het dus. Vrijdag dacht ik nog dat het lag aan een halve nacht wakker blijven in het ziekenhuis. Koud had ik het in de avond en moe was ik ook. Maar ja, dat was wel te verklaren. De zaterdag daarna viel ik vroeg in slaap. Dus of ik het toen koud had, weet ik niet meer. Zondag was duidelijk een lazy sunnday maar nu is het maandag en is het geen haar beter. Er moet dus een lek zitten in het systeem. Een lek waardoor mijn energie langzaam wegsijpelt.
Maar hoe vind je zo’n lek en hoe maak je het dan. Is het net zoiets als met de band van de fiets van zoonlief. Die was dagen opzoek naar het lek. Meerdere keren heeft hij het gemaakt maar het lek was hem te slim af. Vandaag gaf hij zich gewonnen, tenminste zo lijkt het. Maar morgen is hij het lek te slim af en koopt gewoon een nieuwe binnenband. Onder het motto : ‘Wie niet sterk is moet slim zijn.’ En in die tussentijd heeft hij heel creatief het lek bedwongen met tape. Mijn mond viel wagenwijd open toen hij de optie vertelde. Maar wie ben ik om er iets van te zeggen. Hij heeft het lek bedwongen, en dat kan ik van mezelf nog niet zeggen.
Een heel lijstje met dingen die ik vanavond wilde doen, had ik gemaakt. Van zoeken naar een nieuw telefoonabonnement voor zoonlief en een only simm voor dochterlief tot armbanden maken en nog een verslag afmaken. Tot een kwellende maagpijn vanmiddag de kop op stak. Concentreren lukte niet meer en na een uur gaf ik mij over. Handen in de nek, op mijn knieën tegen de muur met als wapen in mijn maag de pijn. Murw geslagen gaf ik mij over en kroop richting bed. Opgerold door de pijn viel ik half in slaap. Op tijd hielp de telefoon mij te herinneren dat er een kind opgehaald moest worden. Mijn geweldig op tijd lopende schema was daarmee om zeep. Het eten moest nog gekookt, het ene kind was naar de ene sport, het andere moest ik ophalen en de hond was nog niet buiten geweest. Blij dat ik was dat ik op tijd met de auto voor kon rijden, kwam van nog even kijken ook niets meer.

Thuis verzamelde ik alle moed en energie en toverde een maaltijd op tafel maar na de afwas was de energie weer verdwenen. Zelfs voor het oefenen van de salsa passen kon  ik de energie niet meer vinden. Kwijt, weggesijpeld toen ik even op zij keek. Niet eens voor een goed doel. En blijkbaar is het goed in verstoppertje spelen of heeft het een sleutel van de voordeur want even daarna was het duidelijk onvindbaar of voorgoed verdwenen. Weg energie. Of het een koffer en een paspoort meegenomen heeft, heb ik niet gezien.
De enige optie was de bank op, benen omhoog waar de kat dan weer dankbaar gebruik van maakte. Te moe om op te staan voor drinken of om naar bed te gaan. Met het laatste kleine reserve beetje probeer ik mijn hersenen aan het denken te zetten (voor zover aanwezig natuurlijk want blont is echt levenslang). Had ik ergens op enig moment een gesis gehoord. Ik ging alle gangen na van de kraan aanzetten en weer dichtdraaien. Maar hoe ik ook de afgelopen week voor de geest probeerde te halen, alleen de knop opendraaien kwam mij bekend voor. Volgens mij heb ik nog een paar keer de extra boost aangezet toen dat nodig was. Ineens herinner ik mij een spreuk. “Zorg dat je niet altijd in de hoogste versnelling staat, anders kun je niet opschakelen als het nodig is”. Nou opgeschakeld had ik wel. En niet te zuinig ook.

Moe maar gerustgesteld sta ik op van de bank en sleep me richting bed. Ik blaas bijna alle kaarsjes uit en draai zelfs de verwarming op laag. Met een schuine blik op de klok zie ik dat het al vanzelf toch weer later is dan ik bedoeld had. Maar gelukkig weet ik waar het energie lek vandaan komt. Ik zet de wekker en besluit de energievoorraad de komende week heel langzaam weer tot een nieuwe reserve op te bouwen. En in het weekend ga ik heerlijk bijtanken en ook weer energie gebruiken. Gewoon energie gebruiken om nog meer energie te krijgen. Moe maar gerust doe ik mijn ogen dicht en val ik in slaap.

zaterdag 23 februari 2013

Ruimte wezens, vliegende schotels en serpentine

Een fel licht schrikt me op. Door het keukenraam zie ik een fel licht de keuken en kamer inschijnen. Even denk ik dat het de lampen van een auto zijn maar dan besef ik dat het iets anders is. De sfeer in huis veranderd er door. Het is een vreemd licht waar ik als een magneet naar toe getrokken wordt. Als vanzelf sta ik op en loop naar het raam. Even ben ik verblind, verblind door het licht. Maar dan….

Niet hier, niet waar ik woon. Eigenlijk helemaal niet. Alleen maar in films. En onze Andre natuurlijk maar die valt onder een andere categorie. Ruimte wezens bestaan niet. Toch? En dingen als vliegende schotels en zo al helemaal niet. Hooguit in Almere. Toen de kinderen nog heel klein waren maar wel groot genoeg voor science fiction liet ik ze geloven dat het gebouw net naast de snelweg in Almere een ruimteschip was. Soms zag ik dan ruimtewezens en riep ik: ‘bukken.’ Braaf bukte ze dan. Heel lang heeft dat natuurlijk niet geduurd.
Het felle licht verzacht. Ademloos kijk ik door het keukenraam naar het veld tegenover mijn huis. Een vreemd soort van voertuig staat geparkeerd op dat veld. Er knippert van alles maar het felle licht is uit. Dan schakelen een voor een ook de knipperende lichtjes uit en gaat er een soort van deur open. Langzaam, zoekend om zich heen kijkend, komen er wezens uit. Door de afstand maar ook door de  pakken die ze dragen, kan ik niet zien of het mannen of vrouwen zijn. Ze zijn met vijf. Tenminste, vijf die naar buiten komen. Ze hebben wel iets weg van Andre tijdens zijn laatste ruimtereis. Behalve dan dat er geen rood wit blauwe vlag op hun arm prijkt en dat de pakken niet wit zijn maar een soort van zilvergrijs.
Een van de mannen ….  Ja ik neem voor alle gemak maar gewoon een aan dat het mannen zijn en anders stel ik later de diagnose gewoon bij, tenslotte kon dat bij Johannes uh Johanna de bultrug ook. Goed, een van de mannen dus grijpt naar zijn “glazen bol” op zijn hoofd en lijkt een beweging te maken om het ding af te zetten. De andere raken bijna in paniek en gebaren wild met hun handen. Dan ziet een van hen mij achter het raam staan. Nieuwsgierig staart hij mij vanaf een afstand aan. Als aan de grond genageld sta ik daar en staar terug. Niet wetend wat ik doen moet.

Dan kijken ze elkaar aan en na een subtiel knikje lopen ze richting van mij en mijn huis. Aan de rand van de weg blijven ze staan en kijken naar elkaar. Dan komt er eentje verder, zoveel verder tot hij recht voor me staat en even met zijn neus tegen de ruit drukt. Dan wenkt hij mij. Zijn ogen kijken me vriendelijk aan. “Kom” lijkt zijn mond te zeggen. En als in een trance loop ik zonder er bij na te denken naar buiten. De dapperste van het stel, misschien wel de leider, kijkt mij doordringend aan. Dan raakt hij me voorzichtig aan. Zijn hand op mijn schouder. Dan maakt hij een vragend gebaar of ze de helmen af kunnen zetten. Ik knik en pas als ze allemaal hun handen op het ding op hun hoofd leggen, overvalt de paniek mij. Misschien kunnen zij wel helemaal niet zonder zuurstof of leven ze helemaal niet van zuurstof.
Een paar uur later loop ik terug naar huis. Gelukkig hoef ik niet ver. Ik weet even niet of het van vermoeidheid is of van de drankjes die ze veelvuldig voor me bleven inschenken. Gefeest hebben we en niet te zuinig ook. Het enige was de taalbarrière. Het klonk bekend maar ik kon er weinig van maken. Als ik na een paar uur slaap de hond ga uitlaten kijk ik naar de plek waar gisteren het soort van ruimteschip stond. Dan opeens valt mijn oog op een paar slierten op de grond. Rood, blauw en geel gekleurd. Ik ken die slierten. Serpentines. Heel wat rolletjes heb ik in mijn jeugd uitgeblazen. Als ik weer binnen ben zet ik de radio aan. Siep vult de keuken met ‘een nije dei’ en ineens valt het kwartje en is mijn hoofd helder. Mijn ruimtewezens komen niet zo heel ver hier vandaan uit het ‘land’ net onder de Waddeneilanden. En wat ze kwamen doen? Ze waren op zoek naar een gids om ze een paar weken te laat het gevoel van carnaval bij te brengen.


vrijdag 22 februari 2013

Spoken op de kruising

‘Ben je niet moe’ vraagt ze. Ik zeg dat ik een heerlijk bed heb en even wacht tot ze weer slaapt en dan ook wat ga slapen. Even staart ze alleen naar het plafond. Dan zegt ze ‘rond deze tijd begint het bij mij weer te spoken’. Ik kijk op de klok, de wijzers geven tien over één in de nacht aan. Dan sta ik op en pak de laptop weer. Ze kijkt me aan. ‘Ga maar slapen’ zeg ik ‘ik blijf nog even wakker’.  Ze knikt, nauwelijks waarneembaar en dan doet ze haar ogen dicht en slaapt verder.

Een paar uur daarvoor sms ik hem over hoe het gaat. Ik vertel over hoe anders de nacht is in vergelijking met de dag. De rust en het donker. Ik schrijf dat het iets magisch heeft. Maar vast ook iets engs als je je heel alleen voelt. En zij voelde zich zo alleen de afgelopen nachten. Hij antwoord over de energie in een ziekenhuis, de plek van hoop, vreugde, pijn en verdriet. Altijd intens. Gevoelens tussen hoop en wanhoop. Gelukkig zit ik in een kamer in de nieuwe vleugel en voelt het hier niet zo heel erg heftig.
Ik ben niet bang van spoken en ook niet van de nacht. Niet van het donker, niet van het licht. Niet van het leven, niet van de dood. Maar ik heb makkelijk praten. De dood staat bij mij nog niet in de gang te wachten. Bang soms van mijn gevoel als ik niet weet wat het brengen gaat, dat wel. De onmacht en onzekerheid. Bang ben ik dat ik het niet goed genoeg doe voor mijn kinderen. Maar van spoken ben ik niet bang. Spoken, wat zijn spoken. Spoken ze door je hoofd of dwalen ze door de gangen? Boze geesten of dwalende zielen opzoek naar wraak of naar de rust?
Gelovend in het goede van de mensen, geloof ik te vast ook in het goede van de geesten. Of is het dat ik nooit kwade geesten tegen gekomen ben. Je leest er over, zwarte demonen. Boos op zich zelf en op de rest van de wereld. Te vroeg en onheus van het leven beroofd. Dwalend en zoekend. Of hebben ze verkeerd geleefd. En zijn ze vooral bang van zichzelf. Net als de dwalende zielen opzoek naar rust is het niet anders dan in de levende wereld. De gevers en de nemers. De werkende en de profiterende. De mooie mensen die geleid zijn en zij die het pad verlaten hebben, altijd opzoek naar meer, naar te veel.
Ooit was ik in een kerk in België. En zij die mij een beetje kennen, weten dat ik geen kerk voorbij kan lopen of ik moet er even in kijken. Liefst een kaarsje aan steken en even kort Maria gedag zeggen. Maar deze kerk was omgebouwd. Het was een soort van tentoonstelling maar in de foute zin van het woord. Vijf stappen heb ik gedaan in die kerk toen ik het benauwd kreeg. Het leek alsof het gonsde in de kerk. Gonsde van boze geluiden. Boosheid en woede voerden de boventoon. Heel even stond ik stil. Daarna heb ik me omgedraaid om heel hard de kerk uit te lopen en niet meer terug te gaan.
Zij gelooft niet in geesten en spoken. Toch spookt het bij haar rond deze tijd. Maar niet nu. Niet nu ik hier naast haar zit en over haar waak. Gerust valt ze weer in een diepe slaap. Mijn vermoeidheid lijkt weer verdwenen of in elk geval naar de achtergrond geschoven. Mijn moeder instinct (of dochterinstinct) viert weer eens hoogtij en dus zit ik rustig wakker naast haar. Het heeft iets van reizen in de nacht alleen weet ik niet we vooruit of achteruit rijden. We blijven maar rondjes draaien op de kruising die nog alle kanten op kan. Soms als ze even helder is, denk ik even dat we naar het zonnige zuiden rijden. Maar dan als ze net als vanmiddag ineens haar handen ineen vouwt en onhoorbaar de woorden prevelt lijkt het alsof we zo stil zullen staan. Stil staan midden op de kruising en achter ons zal een file ontstaan. Heel even kan niemand een kant op.
Dan wordt ze wakker en hoest. Ik bel voor de nachtzuster en ze krijgt een kapje voor nevel. Ze knijpt hard in mijn hand en dan wijst ze belerend met haar wijsvinger. Ik heb geen idee wat ze me duidelijk wil maken. Ze schud met haar hoofd. Als ik vraag wat er is, wordt ze weer kalm. Nog heel even draaien we rondjes op de kruising. Dan besluit ze om door te rijden. Neem de tweede afslag op de rotonde. Samen hebben we de spoken verjaagd. Een half uur later ligt ze rustig op haar zij en is ze in slaap gevallen. Ik lees de laatste bladzijde van mijn boek en kruip in het bed naast het hare. Voorlopig hebben we de spoken getrotseerd. Voorlopig rijden we weer even rechtdoor.  

Nacht versus dag


In de nacht is alles anders dan overdag. Niet alleen omdat het donker is. Het is ook stiller. Stiller qua geluid en stiller op de weg. Stiller in de stad. Oké uitzonderingen natuurlijk daargelaten, maar dat hoort zo. Geen regel zonder een uitzondering.
Ik zit naast het bed van mijn moeder. Buiten is het al donker maar hier binnen is het nog gewoon in volle gang. Ziekenhuizen slapen niet. En zo ook mijn moeder niet. Tenminste dat denkt ze. Ze vertelt dat ze niet slaapt in de nacht. Ze ziet op tegen de nacht dus blijf ik hier bij haar. Blij dat ik iets kan doen. En hoeveel nachten zal zij niet bij mij gezeten hebben. Niet dat ik dat nog weet, maar ik weet wel hoeveel nachten mijn kinderen mij wakker gehouden hebben.
Ineens gaat hier het licht uit. Even denk ik nog dat dat komt omdat ik te stil zit. Ik beweeg amper. Alleen mijn vingers op het toetsenbord van mijn telefoon bewegen. Mijn contact met de buitenwereld. Mijn contact met degene die me lief zijn die niet hier bij me zijn. Ineens kies ik als mama niet om bij mijn kinderen te zijn maar om bij mijn mama te zijn. Als kind en ook weer niet. De rollen zijn omgedraaid. Alle rollen zijn ineens omgedraaid. Ik zorg voor haar. Mijn kinderen stellen mij gerust dat het goed gaat, ze zijn in goede handen. Niet alleen ik ben in een andere rol gekomen. Ook degene die me lief zijn zitten in een compleet andere rol. Zij zijn daar met elkaar en met de hond en de kat en ik zit hier. En nu is het ook nog nacht in plaats van dag. Een soort van omgekeerde wereld.  
In de nacht heerst er een soort van serene stilte. Ik kan me die stilte vooral goed herinneren van de tijd dat de kinderen klein waren en nog nachtvoeding kregen. En geloof me, ik heb heel wat nachtvoedingen gegeven. Zoveel dat ik blindelings naar het bedje van mijn zoon kon lopen en terug en soms in de ochtend niet meer wist dat ik hem gevoed had. Gelukkig lag hij als levend bewijs dan rustig naast mij te slapen. Die eerste nachten kan ik me vooral zo goed herinneren. Samen in het grote bed. Alles donker behalve een klein lampje op de slaapkamer en alleen hij en ik wakker. Genietend van dat kleine mannetje dat zich nog niet bewust was dat er zoiets als een dag en een nacht bestond.
Nu zit ik hier naast haar. Ook deze kamer heerst in een soort serene rust in het donker met een klein nachtlichtje en het licht van de gang dat de kamer in schijnt. Op de gang staat een bed rustig te wachten tot het de kamer op mag voor als ik wil gaan slapen. En dat is een dilemma, want ik ben niet hier om te slapen maar om er voor haar te zijn. Toch is het een geruststellende gedachte dat het bed er staat. De verpleegster heeft een handdoek en zo klaar gelegd. Ik voel me een logee in een te groot huis dat ergens min of meer op een hotel lijkt op een vrije dag die dan wel in de vakantie valt maar toch geen vakantie is.
Ineens heb ik zomaar tijd. Tijd om rustig te zitten. Ik moet wel want veel anders dan gewoon hier zitten kan ik niet. Tijd om na te denken. Mijn gedachtes komen en gaan. Het geeft een gerust gevoel. Dan is het kwart over elf en wisselen de avonddienst en nachtdienst elkaar af. Even is het rumoerig op de gang om daarna de rust echt te laten komen. De lampen gedimd, stilte, rust. Een soort van andere wereld. Geen tijdsbesef ook al hangt er een klok aan de wand. Een leven van dag en nacht. Van licht en donker tussen leven en dood. 
Zij slaapt. Gerust blijkbaar dat er iemand is. Tevreden keek ze vanavond rond om te zien dat we er allemaal waren. Glimlach op haar gezicht en zo viel ze in slaap. Ik heb mijn laarzen uitgedaan en mis mijn vertrouwde dikke sokken. Gesetteld op twee stoelen met de laptop op schoot, type ik mijn verhaal. Even wordt ze wakker. Ze heeft het koud. Ik leg haar handen onder de dekens en trek de lakens wat hoger. Ze kijkt tevreden en meld dat ze weer gaat slapen. Ik geef haar een kus en rustig slaapt ze verder. Verder in de nacht die ze zo vreesde gaan we samen op naar de dag.




woensdag 20 februari 2013

Vrienden laten je nooit vallen

‘Mam, de buren aan de deur’ roept mijn zoon terwijl hij richting voordeur loopt. Even later zitten mijn buurvrouw en haar zoon bij mij op de bank. Met jas aan weliswaar want er komt zo een vriendje spelen. Maar ze wilde toch even weten hoe het gaat. In haar hand het briefje dat ik in de haast bij haar in de bus had gedaan met telefoonnummer voor het geval dat het nodig zou zijn. Zij had direct even een sms’je gestuurd om ons sterkte te wensen en zodat ik haar nummer zou hebben. Mijn lieve buurvrouw die ik nog maar net ken. Zo kort dat ik haar naam nog steeds vergeet. Maar wel weet dat ik aan kan bellen als het nodig is.

Een paar weken geleden hadden mijn vriendin en ik zo’n lange bijpraat avond. Zo’n avond zonder op de klok te kijken die dan steevast te laat eindigt. Of te vroeg, het is maar hoe je het bekijkt. We hadden het over de vrienden om ons heen en hoe belangrijk ze waren. De mensen bij je wie je als vanzelfsprekend kunt aankloppen. Bij wie je vaak niet eens aan hoeft te kloppen omdat ze er al zijn voor je het vraagt. Ik ben gezegend met een groot vangnet met zulke vrienden. Dat besefte ik deze week weer eens. Een enkele sms en het is geregeld.
Sommige ken ik al heel lang. Binnenkort vier ik met mijn ‘te-ver-weg-vriendinnetje’ ons 25-jarig jubileum. Een ander ken ik van vrijwilligerswerk, van school of van sport. Al acht jaar inmiddels. Sommige ken ik nog maar echt heel kort, zoals mijn buurvrouw. Het maakt ook niet zoveel uit, lang of kort. Het gaat om de klik, het moment, de chemie. In relaties, liefdesrelatie. Maar dat is in vriendschappen niet anders. Dat ontstaat, zomaar, ineens soms. Je weet niet waarom maar het is een fijn en warm gevoel. Ze zijn er, gewoon omdat zij zij zijn en jij jij bent. Mooier bestaat het niet.
Een andere vorm van zo’n warme band is familie. Die band is anders maar tegelijk minstens net zo speciaal. Het blijft altijd of ze nu in je buurt blijven of uit het zicht verdwijnen. Er is altijd een verbondenheid. Hoe dan ook. Het is avond als ik even de behoefte heb om stil te zitten. Te denken en te schrijven. Er is veel gebeurd in een paar dagen en tegelijk ook zo weinig. Alles voelt anders. Dan komt hij naast me staan en legt zijn hand op mijn schouder. Ik zit stil en denk aan mijn mama die daar zo ver van mij vandaan ligt. “Ik zal vandaag de stom bedwingen en dan laten razen. Tot ze stil is met jou bij mij kan ik alles, wil ik alles en ik weet dat ik straks zonder, veel te klein en niks meer waard ben en geen dag meer door kan’ hoor ik op de radio en de tranen lopen over mijn wangen.
‘Het komt door jou, dat komt gewoon door jou’ zingt Guus verder. Hoe toepasselijk kan het zijn. Guus, de Brabantse zachte G die zo nauw verbonden is aan mijn moeder, mijn roots met een tekst die ineens hard binnenkomt. ‘Je hart zit heel dicht bij mij, je hart zit heel diep in mij’. Vergeten zijn alle keren dat ik op haar mopperde, vergeten het onbegrip. Ik zal geen liedje schrijven maar wel de woorden geven die van jou zijn, alleen voor jou zijn. Jij zal ze niet lezen. Jij weet niet eens dat ik schrijf. Maar ik ga vandaag wel alles kunnen tot de dag voorbij is. En ik weet dat ook ik maar één ding wil, dat je mee gaat met mij, bij me blijven want ik weet dat ik straks zonder, niet meer wil en niets meer kan, dan alleen maar huilen.
De tranen blijven lopen. Hij zit stil naast mij. Meer is niet nodig. Ik weet dat ik niet alleen ben. Dat ik even niet sterk hoef te zijn. Hij neemt het stil van mij over, zet koffie en is er. Die avond zeg ik dat ik zo blij ben dat hij er is. En dat het gek is dat hij er juist nu is. ‘Misschien ben ik er daarom wel’ zegt hij simpel. Ik denk weer aan de woorden van het liedje. ‘Alsof de wereld weg lijkt en ik naar je kijk, naar jou blijf lachen. Voelt het weer alsof het wonder veel te mooi en veel te groot is’.
Dan denk ik aan de plaatjes aan de muur en mijn vrienden en familie. Ze zijn belangrijk, zo belangrijk. Ze zijn misschien niet altijd in staat om me er bovenop te helpen. Maar……. Ze laten me nooit vallen.


 



dinsdag 19 februari 2013

Aan een zijden draadje

Broos en oud ligt ze daar. Een breekbaar mensje. Ineens besef ik des te meer dat ze al 87 jaar is. Ik zeg het vaak maar dan is het maar een getal. Nu zijn het 87 jaren die ineens zichtbaar zijn. Zonder haar haren netjes gewatergolfd en zonder haar bril ligt ze met slangetjes in haar neus en armen in het grote ziekenhuis bed. Mijn mama. Altijd zo sterk en stoer, maar nu zo breekbaar.

Als ik haar hand vastpak voel ik hoe warm ze het heeft. De tranen waren er voor ik bij haar bed stond en die zullen er straks vast wel weer zijn. Maar niet nu. Nu zit ik naast haar. Ze kijkt glazig rond en antwoord antwoorden die niet bij de vragen horen. Maar af en toe komt er een helder antwoord tussendoor. Haar hart is op heeft de arts gezegd. En ook dat mensen van haar leeftijd dit meestal niet overleven. Hard maar eerlijk. De verpleegster komt de medicatie vervangen en zegt terloops dat het nu toch wel moet gaan aanslaan. De woorden hangen in mijn hoofd maar eigenlijk wil ik ze niet toe laten.
Ze woont nog zelfstandig en kookt elke dag voor zich zelf. Knap vind ik dat. Als ik een paar dagen alleen ben, kook ik meestal niet. Zij wel. Een alarm voor oudere mensen wilde ze niet. Daarvoor in de plaats kan ze toch de buren bellen. Maar nu blijkt dat de buurman haar vier keer gebeld heeft in de avond maar dat er geen lampje in een van die bovenkamers van hem is gaan branden. Als ik er aan denk, word ik boos. Als mijn broer en schoonzus iets later gekomen waren….. Dat dat geen zin heeft om boos te worden of daarover na te denken, weet ik ook wel maar dat telt niet. Het is toevallig wel mijn mama. Nu weten we dus dat ze meer dan vierentwintig uur in de keuken op de grond gelegen heeft. Vierentwintig uur waarin mijn broer en schoonzus met hun schoondochter en kleindochters bij mij waren. Waarin we gelachen hebben, geen enkel idee wat er zo’n 150 kilometer verder gebeurd was. Vierentwintig uur waarvan zij zich niets meer herinnert.
Haar ogen zoeken de klok. “De tijd gaat sneller als er iemand is” zegt ze. Ik vraag of ze moe is maar ze wil niet dat ik wegga. Als ze nog een keer kijkt zegt ze “drie uur ga je weer weg” en ik heb het lef niet om een minuut eerder te gaan. De verpleegster en ik leggen haar rechter in bed. Ik zie haar lachen, zelfs haar ogen lachen mee. Een gelukzalige lach. Een gek gezicht maar zo vredig. Dan worden haar ogen weer glazig en staren naar het plafond. Ze knijpt zachtjes in mijn hand en haar mond trekt samen, haar ogen worden nat. Ik vraag haar wat er is. Ze schud zachtjes haar hoofd. Mijn mama die nooit haar emotie laat zien. Dus ook nu niet. Ik slik. Ze is moe. “Ga maar slapen” zeg ik. Ze knikt. Als ik haar nog een kus geef zegt ze: “het zandmannetje komt zo”. Ik glimlach meewarig en zwaai nog een laatste keer. Een laatste keer en even spookt de vraag door mijn hoofd of ik het hierna nog een keer zal kunnen doen. Als ik naar buiten loop probeer ik de tranen die achter mijn ogen prikken tegen te houden. Tegen te houden tot ik veilig alleen in de auto zit.
Als ik een uurtje later over de snelweg rij, voelt het raar en vervelend. Waarom woon ik zo’n klote eind weg. Heb ik haar verwaarloosd, te weinig op gezocht? Het is een dun lijntje tussen geluk en verdriet, tussen gezond zijn en ziek. Tussen het aanslaan van de antibiotica en niet. Een dun lijntje, een zijden draadje waaraan naar mijn gevoel nu haar leven hangt. Dan besef ik dat ik het weer niet gezegd heb. Mijn moeder was altijd een sterke vrouw. En zeggen dat ze van je houdt doet ze niet. We weten het wel, dat wel. En ik heb het vandaag ook weer niet gezegd. Ik heb niet gezegd “mama ik hou van je”. Als ik het besef zou ik het liefste omdraaien, linea recta terug. Maar ik rij door. Bang dat ik met terug gaan, toegeef aan mijn angst of het morgen nog wel kan. Ze weet het vast wel. Ze voelt het toch wel. Maar toch….. Als ik weer bij haar ben is dat het eerste wat ik zeg. Want hoewel we elkaar zo vaak niet begrijpen, ik hou van haar. Zo verschrikkelijk veel.  

 

vrijdag 15 februari 2013

Hekserij

“Als je nu niet stopt met vervelen, laat ik vanavond het plafond naar beneden komen” zei ik ooit. We hadden een paar dagen daarvoor de sleutel van onze woning gekregen en zoals dat bijna hoort bij een nieuwe woning zat alles tegen. Die avond witte hij het plafonnetje van de overloop. Nadat het klaar was en hij de slaapkamer inliep, viel spontaan het hele zo juist gewitte plafond naar beneden. Sindsdien heb ik de bijnaam “heks”.

Als we spelletjes spelen met een dobbelsteen, gooi ik bijna steevast dat wat ik graag zou willen gooien. En blijken andere zelfs ook nog eens te gooien wat op dat moment wenselijk is voor mij. “Geluk in het spel” noemde ik het altijd. En dat kan wel kloppen want zo gelukkig in de liefde was ik de laatste jaren niet. De kinderen denken daar alleen heel anders over en kiezen liever een spel zonder de “dubieuze dobbelsteen factor”.
Ook over de gezellige bezem bij de voordeur werden grappen gemaakt. En als ik na deze verhalen de wierook aan doe, bekijkt men mij ineens met andere ogen. Tijdens ons bezoek aan het Dungeon in Amsterdam moest ik uiteraard naar voren komen. Ik bleek schuldig te zijn aan hekserij. Langzaam raak ik er aan gewend, de grappen en de grollen. Speel ik steevast elk jaar een van de heksen bij het nachtspel van de vereniging en laat ik de gebruikelijke opmerkingen als “goh moet jij je niet verkleden” en “heb je je zondags jurk aangedaan” maar gelaten over mij heen komen. Ik raak er zo aan gewend dat toen ik laatst ergens mijn gewicht in moest vullen, wat ik gewoontegetrouw altijd probeer te omzeilen, ik maar gewoon 0 kg invulde.
Gelukkig woon ik in Nederland. Hier kan dat. In Papoea-Nieuw-Guinea werd eerder deze week een 20 jarige vrouw beschuldigd van hekserij en levend verbrand. Gewoon op klaarlichte dag en zelfs voor de ogen van honderden toeschouwers. Ik knipper met mijn ogen en laat de zin even in werken. Dat was toch in de jaren….  Een vrouw van 20 jaar met een kind. Beschuldigd van hekserij door familieleden van een overleden jongetje van 6 jaar. Veroordeeld door de premier. De rillingen lopen over mijn rug als ik lees dat de vrouw gemarteld is met een ijzeren staaf, vastgebonden, overgoten met benzine en vervolgens in brand gestoken op een stapel autobanden en afval. De politie heeft niemand aangehouden en wie het gedaan hebben is onbekend. Tenminste dat meldt het nieuws. Voor de ogen van honderden toeschouwers maar ze weten niet wie het gedaan heeft.
Natuurlijk weet ik niet wat er aan vooraf gegaan was. In vroeger jaren werd op verschillende manieren getest of iemand een heks was voor men tot vervolging overging. Misschien hebben ze haar ook wel getest op de middeleeuwse manieren. Een heks zou bijvoorbeeld buitengewoon licht zijn en daardoor op water kunnen blijven drijven. Een vrouw die verdacht werd van hekserij werd in het water geworpen. Bleef zij drijven dan was bewezen dat zij een heks was en belandde op de brandstapel. Maar bleef ze niet drijven, dan was daarmee haar onschuld bewezen. Helaas was meestal de vrouw dan al verdronken. Heel even denk ik aan alle keren dat ik in het zwembad lag, gewoon heerlijk drijvend op mijn rug.
Bij een andere test werden pinnen in de verdachte gestoken. De verdachte moest dan de plekken aanwijzen. Mensen met veel eelt voelden de pin niet goed en hadden pech. Een andere test was de weegschaal of de zogenaamde heksenwaag zoals in Oudewater.  Een heks zou minder wegen dan haar lengte boven een meter in kilo’s. En altijd moest de verdachte zich onder toezicht uitkleden om zo te bewijzen dat er zij geen gewichten in haar kleding verborgen had. Ik haal opgelucht adem. Eindelijk ben ik blij met mijn gewicht. Zelfs met de kilo’s te veel. Want al vul ik dan grappend 0 kg in, de weegschaal thuis geeft duidelijk meer aan.

woensdag 13 februari 2013

Vierentwintig rode rozen en één witte

Langzaam schuifelt ze bij het horen van de bel naar dedeur toe. Als ze open doet ziet ze alleen maar rode rozen. Grote mooie roderozen die in een prachtig groot boeket gebonden zijn. Dan komt er eenbloemenmevrouw achter de bos uit. “Mooi he” zegt de bloemenmevrouw “En allemaalvoor u. Voor Valentijn. U heeft wel een heel romantische aanbidder”.

Dan kijkt ze bezorgt naar de oudere vrouw voor haar. “Gaathet wel?” vraagt ze. “U schrikt er volgens mij van he”. De vrouw knikt,sprakeloos staart ze naar de bloemen. “Er zit een kaartje bij” zegt de bloemenmevrouwmaar de vrouw kan nog steeds geen woord uitbrengen. Ze schuift opzij bij dedeur vandaan houvast zoekend aan de kast die in de hal staat. “Zal ik debloemen even voor u binnen zetten?” vraagt de bloemenmevrouw. De oude vrouwknikt haar dankbaar toe. “Sorry hoor” brengt ze dan eindelijk uit “ik ben er inderdaadgewoon echt sprakeloos van. Wie geeft er nou toch zo’n mooie bos rozen aan mij?”
“Al 24 jaar bewonder en aanbidt ik jou….” Staat er op hetkaartje. Op de voorkant staat een rood hart van rozen. Ze staart van het kaartjenaar de bloemen en weer terug. Ze zijn prachtig en ook nog eens haarlievelingsbloemen. Maar zo’n prachtig boeket heeft ze nog nooit gekregen. Zestaan zo mooi in de mooie kristallen vaas die er volgens de bloemenmevrouw ookbij hoort. Langzaam heeft ze ze geteld, hopend dat het iets van het mysteriezou oplossen. 24 prachtig lange rode rozen, net in bloei en heerlijk geurend. Zeheeft ooit gelezen dat rode rozen in bloei staan voor volwassen liefde, voor “ikverlang naar je” en naar “een huwelijksaanzoek”.

Ze denkt na over wie haar deze rozen zou kunnen sturenmaar ze heeft geen idee. De enige van wie ze wel bloemen zou willen krijgen isvan de vijf jaar oudere vriend, haar steun en toeverlaat. Met wie ze op maandageen kopje thee drinkt en een blokje gaat wandelen. Met wie ze op dinsdag overde markt schuifelt waarbij hij altijd als een keurige heer haar tas draagt. Degenemet wie ze op donderdag dan een bezoekje brengt. Soms aan haar kinderen somsaan de zijne. Degene die op vrijdag altijd bij haar komt eten en met wie ze opzaterdag avond een wijntje drinkt en tv kijkt. De man met wie ze op zondag inde kerk zit waarna ze samen in de kapel een kaarsje aan steken. Een kaarsjevoor degene die hun lief waren maar die hen ontnomen zijn.
Hij is de enige man in haar leven voor wie ze zo’n diepevriendschap voelt die deze rozen uitstralen. Nou eigenlijk een diepe liefde.Maar meer dan een zoen op haar wang bij haar verjaardag is er nooit geweest.Heel soms raakt hij even haar hand aan als ze in de kerk zitten of legt hijzijn hand op haar schouder als er een traan over haar wangen rolt na hetaansteken van haar kaarsje. Hij is haar beste vriend, haar steun en toeverlaat.Ze zou geen dag meer zonder hem willen zijn. Maar zou hij haar rozen sturen?
Dan klinkt opnieuw de bel en schuifelt ze naar de deur.Als ze de deur open doet staat hij daar. Hij heeft zijn mooiste pak aan gedaanen zijn grijze golvende haar zitten zo keurig als het maar zijn kan. Zijn ogenlachen en stralen maar kijken enigszins bezorgd tegelijkertijd. In zijn handheeft hij een enkele roos. Een prachtige bloeiende roos, net zo lang als derode rozen binnen in de vaas. Maar deze roos is wit. Wit staat voor vertrouwenweet ze. Dan denkt ze aan de rode rozen binnen. Witte en rode rozen samen; dewens om altijd samen te zijn, voor eenheid en verbondenheid. Ze voelt haarwangen kleuren en haar ogen krijgen die prachtige zachte glans waar hij zo vanhoudt.
Dan kijkt hij haar aan en zegt met diepe emotie in zijn donkerkrakende stem:  “Lieve schat, 24 rode rozen, want al 24 jaar bewonder en aanbidt ik jou….. Met deze 25e witteroos vraag ik je, wordt alsjeblieft mijn vrouw….”

 

 

 

 

Zoals toen

Het is bijna 14 februari, Valentijn, dag van de liefde. Ik ben goed in liefde. Vooral in onmogelijke liefdes. Vorig jaar was ik alleen, en dit jaar?

Na negen lange jaren had ik eindelijk de moed. De moed om weg te gaan. Opgelucht, bevrijd. Maar alleen is maar alleen. Geen arm om je schouders, geen lief die een glas wijn inschenkt en vraagt hoe je dag was. Het samen koken of simpel samen op de bank zitten. Huis, tuin en keukengeluk. Ik heb geen spijt. Dat zeker niet. En het leven is vol lieve vrienden, prachtige kinderen, een hond en een kat. Wat wil een mens nog meer?
Ik was 18 jaar toen er op Valentijnsdag een kaart in de bus lag. ‘Ik mis je danspassen wel en jonger word ik er ook niet op’ stond er op de kaart. Ik zal ze nooit vergeten die woorden. Weken heb ik er over gedaan om te weten van wie ze waren. Stiekem hoopte ik van hem. De jongen uit het Friese gezin. Degene die me kuste met carnaval, hoewel dat niet telt. Kussen met carnaval daar moest ik niks van hebben. Later werden we vrienden. Jaren zijn we vrienden geweest maar heimelijk vond ik hem veel meer dan een lieve vriend.
Ik verloor hem uit het oog, zoals dat gaat. Geen dansen meer op zaterdagavond en ons contact verwaterde. Ik kreeg verkering en hij net zo. Tot het moment dat ik ging trouwen. Ik stuurde hem een kaart. En toen belde hij. Hij stond aan de deur bij mijn ouders, compleet met een bos bloemen. We spraken af en de klik was er meteen weer. Hij had inmiddels een baard, maar hij was nog steeds hij. De twinkel in zijn ogen. De andere dag was hij op mijn huwelijk. Baard eraf… twijfel. Mijn huwelijk strandde al snel. En ook ons contact ging verloren.

De kaart was niet van hem maar van een andere danspartner. Een lieve gekke vriend die ik alleen met dansen zag. Homo en dus had de valentijnskaart ineens een andere waarde. Niet minder mooi, maar anders. Nog altijd denk ik aan hem op 14 februari, ‘en jonger word ik er ook niet op’, zijn verjaardag.
Nu is het bijna Valentijn, dag van de liefde. Ik ben goed in liefde. Vooral in onmogelijke liefdes. En in echte liefde die altijd vriendschap blijkt of wordt. Er zijn mooie mensen in mijn omgeving die ik diep diep lief heb. Toch is er altijd het verlangen. Vooral op een onzinnige dag als 14 februari. Want stiekem hoop ik dan toch op dat ene kaartje. Net zoals toen ik 18 was. 

 

Snurkende zweetvoeten

“Het huis van je dromen kun je niet betalen. Daarom is het ook het huis van je dromen” lees ik om mijn flowkalender op het toilet. “Daar zit wat in” denk ik en kijk naar het huis van mijn dromen in het witte fotolijstje dat hangt aan de muur van dat zelfde toilet. Het is niet eens een foto maar een geprint stukje papier. Gezocht op internet, het huis uit de film. Het oud houten strandhuis van mijn dromen.

“Zou het ook zo zijn met mannen? schiet het door mijn hoofd. En dan niet dat ik de man van mijn dromen niet zou kunnen betalen”, want daar mag hij natuurlijk gewoon lekker zelf voor zorgen. Zo geëmancipeerd ben ik namelijk ook weer niet. Ik ben eigenlijk weinig geëmancipeerd. Ik hou van mannen die de deur open houden, mijn stoel aanschuiven in een restaurant en gewoon de vuilnisbak buiten zet op vrijdag, of welke andere dag de moderne gemeente dan ook bedacht heeft. Dan strijk ik met liefde zijn overhemden en haal ik de stofdoek over de kasten en dweil ik de vloer.
Nee ik bedoel meer dat het huis van mijn dromen zo hoog gegrepen is dat het wel altijd het huis van mijn dromen zal blijven. Het is niet realistisch. Alleen al gezien dat het huis in mijn dromen aan zee staat, niet achter de duinen maar echt aan Zee. Mijn droom is een groot houten familiehuis met een strand als voortuin waar het in de zomer net zo rustig is als in de winter. Want het is tenslotte mijn voortuin. En in iemands voortuin ga je niet met je gezin gezellig liggen zonnen compleet met strandlakens, gevulde koelbox en windscherm. Om nog maar niet te praten over de luidruchtig schreeuwende kinderen waarvan vader probeert leuke foto’s te maken terwijl moeder verwoede pogingen doet eindelijk haar boek eens uit te lezen. Zelfs ik kan beseffen dat zo’n huis niet realistisch is.

En daar zit nu dus mijn verwarring. Is het met mannen dan net zo. Is mijn droom man zo onrealistisch. Zijn mijn wensen zo hoog gegrepen dat geen man hier enigszins aan zal kunnen voldoen. “Wat wil ik dan eigenlijk” vraag ik me af. Ik denk aan hem die een naar beeld had door vrouwen op datingsite. Hij vertelde dat hij alleen vrouwen tegen kwam met zulke lange lijsten met eisen , dat het niet gek is dat ze geen relatie hebben. Lang, slank, goede baan (lees vooral een goed salaris aan het einde van de maand), voldoende hobby’s maar niet te veel natuurlijk, leuke vrienden die dan weer niet zijn tijd opslokken, gemanierd, zorgzaam en lief voor de kinderen. Goed gekleed, haren in een soepel warrig kapsel waarbij het lijkt alsof hij net zijn bed uitkomt maar waar hij in werkelijkheid een half uur en een derde pot gel aan besteedt heeft. Altijd vrolijk, oog voor detail, die uit zichzelf mee helpt in het huishouden, haar gevoel begrijpt en een luisterend oor biedt. Die de volgende dag nog steeds weet wat ze gezegd heeft. En dat alles dan in combinatie met een stoere mannelijkheid.  Het grote houten huis aan zee zeg maar en dan ook nog in Nederland.  
“Heb ik dat ook?” vraag ik me af. “Heb ik ook van die achterlijke wensen.” Ik ben geneigd om nee te zeggen. Maar wat wil ik dan, wat moet een man hebben wil ik hem opmerken? Wat moet er zijn wil ik kriebels en vlinders in mijn buik voelen. “Een klik” denk ik. Maar wat is dat dan die klik. Ogen, ik val op ogen. Niet op de kleur, die weet ik vaak later niet eens. Op een twinkeling die ik niet eens kan beschrijven maar het zit in de ogen.

Als ik de volgende dag vol passie mijn vriendin over hem vertel, weet ik dat of mijn wensenlijstje realistisch is of dat ik zo pas de mannenloterij gewonnen heb. Want hij is lief, attent, lang en slank met een mooie lach en twinkelende ogen. Hij kan heerlijk koken en is tegelijk praktisch ingesteld. Steekt kaarsjes en wierook aan en houdt van spelletjes zelf met mijn puberende kinderen. Dwingend verteld hij me de afwas te laten staan om van ons laatste kwartiertje samen te genieten. Als ik weer thuis kom, heeft hij de afwas gewoon even zelf gedaan. Het lijkt niet realistisch en hij lijkt verbazingwekkend veel op mijn droom man.
Mijn vriendin kijkt me even verbaasd en vooral vragend aan. Dan sms’t hij of ik haar wel wil vertellen dat hij zweetvoeten heeft. Als ik het haar vertel biecht ik haar ook meteen maar op dat hij snurkt. En dan weet ik het zeker. Ik heb een lot uit de loterij. De mannenloterij. Ik heb zo pas een aantrekkelijke prijs in de mannenloterij gewonnen. En gelukkig niet de onrealistische ”alleen in je dromen jackpot”.