Posts tonen met het label kaarsje. Alle posts tonen
Posts tonen met het label kaarsje. Alle posts tonen

zaterdag 30 mei 2015

Dichter bij de hemel

Hij zet een kaarsje neer voor haar
Zij die altijd in zijn gedachte zal zijn
Die hij los heeft moeten laten
Ondanks al het verdriet en alle pijn

Hij zet een kaarsje neer voor haar
Voor haar die hij nu nooit meer ziet
En dan fiets hij naar boven
Want dichter bij de hemel kan hij niet


dinsdag 11 juni 2013

Missie geslaagd

Hij is even stil. Zijn laatste zin hangt nog in de lucht. Dan pakt hij een kaarsje van de tafel naast hem en steekt het aan. Langzaam loopt hij naar het hart in het midden en zet zijn kaarsje neer. Hardop zegt hij de naam van de vrouw voor wie hij zijn kaarsje neerzet. Achter hem staat een jongen die hetzelfde doet, ook hij noemt degene voor wie hij hier is. Traag komt er beweging in de kring om hen heen. Eén voor één volgen ze zijn voorbeeld. Ieder met hun eigen verhaal, hun eigen kaarsje, eigen verdriet en gemis.

Terug in de kring slaat zij een arm om haar vriendin. Ze huilen geluidloos in elkaars armen. Naast hen staat een man, zijn ogen worden vochtig. Hij slikt, maar zijn tranen winnen terrein. Dat is niet erg, dat mag. Iedereen berijpt hem, iedereen voelt met hem mee. Dat is waarom ze hier zijn. Morgen is het dan eindelijk zover. Dan fietsen zij de Alp op. Dan kunnen ze eindelijk iets doen in plaats van machteloos toekijken. Want iets doen, daar draait het hier om.
Meer dan 100 pubers van vier verschillende scholen in Flevoland fietsen samen tegen kanker. Weken, maanden hebben ze sponsors gezocht en geld opgehaald. Ze hebben getraind en afgezien. Maar dat was niks met wat ze morgen gaan doen. Vier verschillende scholen, verschillende klassen, verschillende leeftijden. De meeste van de groep kennen ze niet eens. Vijftien uur zaten ze in de bus. Weken trainden ze, vele uren zaten ze op de fiets, de een nog meer dan de ander. Nu staat er op de camping onder aan de Alp D’Huez een veld vol tenten en mobiele keukens, een trailer vol met fietsen. Een vrachtwagen vol met eten. Alles gesponsord. Elke keer weer moest ik een brok in mijn keel wegslikken als een bedrijf ‘gewoon’ zei: ‘Dat sponsoren wij wel’. Chauffeurs die een weekend of een week blijven en een familiefeest voorbij laten gaan. Gewoon om deze leerlingen te helpen. Iets voor elkaar doen bestaat gelukkig nog steeds en dat is mooi.

Dan is het zondagochtend 9 uur, het ontbijt staat klaar. Er wordt nerveus gelachen. Een meisje loopt in trance een uur voor vertrek nog steeds in pyjama over het veld. Ze zijn verschillend en doen dit allemaal op hun eigen manier met hun eigen emotie maar tegelijk zijn ze er allemaal voor elkaar. Ouders kijken toe of geven nog tips. Sommige ouders zijn hier om te kijken en ze te onthalen straks boven op de Alp. Maar dat is helaas niet voor elke leerling weggelegd. Terwijl we een uur later wachten op het busje dat ons naar ‘onze bocht’ brengt denkt het meisje naast mij aan haar moeder. Ze verteld dat ze zo graag zelf had willen fietsen, maar dat haar knie dat niet toe laat. Ze heeft al verloren en het onvermijdelijke hangt in de lucht. Heel stilletjes draagt ze haar verdriet en steunt haar vriendinnen die vandaag fietsen. ‘Wij fietsen ook voor jou hoor’ zeggen ze tegen haar voor ze de berg op gaan. Ze knikt stilletjes en er verschijnt een glimlach op haar gezicht. Wat zou ik graag iets voor haar doen.
De één ploetert nog harder dan de ander en waar de een na iets meer dan een uur boven is, vecht de ander zijn strijd in 3,5 uur. Maar allemaal halen ze het. ‘Ik kon echt niet meer maar toen dacht ik, zij vecht ook door, dus vecht ik ook gewoon door. Opgeven is geen optie’ zegt hij tegen het meisje naast hem. Ze knikt, ze weet wat hij bedoelt. Een aantal begeleiders fietsen heen en weer. Er wordt meegelopen, toegesproken en een ‘Hermannetje’ gegeven. We helpen met drinken, eten, woorden en morele steun. ‘Kom op  topper, je kunt het, je bent er bijna kanjer.‘ Er worden fietsen gerepareerd en tranen gehuild. Tranen van pijn, van opluchting, van vreugde en verdriet. Alle emoties lopen door elkaar. Alles is één vandaag. De groep en de emotie.

Nu schijnt de zon en in groepjes zijn ze naar het dorp of liggen bij het zwembad. Maar we zijn nog niet klaar. We komen niet alleen voor ons zelf. Morgen gaan er 3.000 mensen de alp op, de dag erna nog eens 5.000. En wij, wij helpen ze mee naar boven. We vlaggen in bochten zodat ze veilig kunnen fietsen. We roepen en duwen, we delen water en bouillon uit en geven natte sponsen aan. Voor het vlaggen krijgen we strakjes nog een instructie. En vlak daarvoor vraagt een van de docenten aan zijn groep wie er morgen wil helpen bij de start. Klein detail; je moet er om 2 uur in de nacht al staan. De groep knikt en zij luistert heel aandachtig. Dan deelt de docent een papier uit en vraagt of ze zelf groepjes willen maken. ‘En ga nou niet standaard bij iemand van je eigen groep maar kies eens iemand anders’ zegt hij. Haar wenkbrauwen gaan omhoog. ‘Maar meester’, zegt ze, ‘We zijn toch één groep!’

Ik glimlach met tranen in mijn ogen en denk MISSIE GESLAAGD.


maandag 20 mei 2013

Twee kaarjes

Vandaag branden er twee kaarsjes. Als ik de glazen potjes pak en de kaarsjes er in zet, zie ik dat het ene potje net iets groter is dan het andere. Ik pakte ze niet bewust maar realiseer me hoe symbolisch ze daar staan. Even moet ik slikken en ben ik dankbaar dat mijn kids in huis zijn. Ik zeur niet over dat mijn dochter nog in pyjama op de bank hangt en ook mijn zoon die te lang in bad blijft liggen, laat ik met rust.

Als ik naar boven loop om achter mijn bureau te kruipen, steek ik nog een kaarsje aan. Voor haar. Ze zal het nodig hebben. Alle steun die ze nu krijgt, alle gedachten die naar haar uit gaan. Ze zal het zo hard nodig hebben. Ze zullen haar steunen en helpen. Maar in de kern is en blijft ze alleen. Niemand kan echt haar verdriet voelen, ook al hebben we zelf verloren. Ieder verlies is anders, niet te vergelijken, niet te bevatten.
Wijzende vingers gaan al weer rond. Het enige dat we doen kunnen, en dus doen we het massaal. Niets is zo erg dan machteloos toekijken. Niets kunnen doen. En nog erger is te bedenken of wij iets hadden kunnen doen om dit of elk ander drama te voorkomen. En dat is lastig. Daarmee kunnen we niet uit de voeten en dus kiezen we voor een andere weg; wijzen naar anderen. We wijzen naar daar waar fouten gemaakt zijn. En even vergeten we dat er daar waar die fouten gemaakt zijn, mensen werken. Mensen zoals jij en ik. Mensen die fouten maken. Want niemand van ons is perfect.
Ook zij zal zich afvragen; ‘wat had ik kunnen doen’. En ik hoop zo voor haar dat zij haar eigen handelen kan accepteren, een plekje kan geven. Zij is een moeder en moeders maken fouten. Dat weet ik als geen ander. Zo graag zou ook ik het perfect doen, maar helaas lukt het me niet. Mijn uiterste best is het beste dat ik naar boven halen kan. Maar als het om je kinderen gaat, weet je dat het eigenlijk nooit goed genoeg is. Van ze houden kunnen we. ‘Misschien ben ik te klein om jou groot te kunnen brengen’ hameren de woorden in mijn hoofd. En net als in het liedje van Guus heb ik twijfels over of ik het goed doe. ‘Alles wat ik zeker weet, is dat ik van je hou, en dat ik door het vuur zal gaan voor jou. En ik hoop dat dat genoeg is, want veel meer kan ik niet geven. Dan hele diepe liefde, alles voor jou.’
Duizenden mensen denken vandaag aan haar. Net zoals we de afgelopen twee weken dagelijks gedaan hebben. ‘Zekerheid is beter dan de angst’ maar hoe graag had zij niet vast gehouden aan dat kleine sprankje hoop. Want de hoop dat er misschien een wonder is, is beter te verdragen dan dat je kinderen er niet meer zijn. ‘Had ik maar… had ik toch maar niet…’Het is zinloos, maar zo menselijk. Zinloze gedachtes om zinloos geweld. Aangedaan aan twee kleine kinderen die nog een leven voor zich hadden. Die onbezorgd hadden moeten genieten van de zon en de regen. Die kattenkwaad hadden moeten uithalen en misschien nu ergens per ongeluk een voetbal over een hek of door een ruit hadden moeten trappen.
Die vanavond hongerig met vieze handen en een broek vol drek en groene strepen van het gras aan tafel hadden moetens schuiven, waar hun moeder gemopperd had waarom ze niet eerst even hun voetbalkleren aangedaan hadden in plaats van hun zondagse broek. Die na het eten in bad hadden moeten gaan zodat hun moeder ze vanavond schoon in bed een nachtzoen had moeten geven met een glimlach om haar mond. Gewoon omdat ze van hen houdt.
Ik kijk naar het kaarsje en in gedachten geef ik haar een knuffel. Wat je ook wel of niet gedaan hebt, meer kon je niet geven. Dan je hele diepe liefde. Ik wens je sterkte. Sterkte voor jou.

woensdag 13 februari 2013

Vierentwintig rode rozen en één witte

Langzaam schuifelt ze bij het horen van de bel naar dedeur toe. Als ze open doet ziet ze alleen maar rode rozen. Grote mooie roderozen die in een prachtig groot boeket gebonden zijn. Dan komt er eenbloemenmevrouw achter de bos uit. “Mooi he” zegt de bloemenmevrouw “En allemaalvoor u. Voor Valentijn. U heeft wel een heel romantische aanbidder”.

Dan kijkt ze bezorgt naar de oudere vrouw voor haar. “Gaathet wel?” vraagt ze. “U schrikt er volgens mij van he”. De vrouw knikt,sprakeloos staart ze naar de bloemen. “Er zit een kaartje bij” zegt de bloemenmevrouwmaar de vrouw kan nog steeds geen woord uitbrengen. Ze schuift opzij bij dedeur vandaan houvast zoekend aan de kast die in de hal staat. “Zal ik debloemen even voor u binnen zetten?” vraagt de bloemenmevrouw. De oude vrouwknikt haar dankbaar toe. “Sorry hoor” brengt ze dan eindelijk uit “ik ben er inderdaadgewoon echt sprakeloos van. Wie geeft er nou toch zo’n mooie bos rozen aan mij?”
“Al 24 jaar bewonder en aanbidt ik jou….” Staat er op hetkaartje. Op de voorkant staat een rood hart van rozen. Ze staart van het kaartjenaar de bloemen en weer terug. Ze zijn prachtig en ook nog eens haarlievelingsbloemen. Maar zo’n prachtig boeket heeft ze nog nooit gekregen. Zestaan zo mooi in de mooie kristallen vaas die er volgens de bloemenmevrouw ookbij hoort. Langzaam heeft ze ze geteld, hopend dat het iets van het mysteriezou oplossen. 24 prachtig lange rode rozen, net in bloei en heerlijk geurend. Zeheeft ooit gelezen dat rode rozen in bloei staan voor volwassen liefde, voor “ikverlang naar je” en naar “een huwelijksaanzoek”.

Ze denkt na over wie haar deze rozen zou kunnen sturenmaar ze heeft geen idee. De enige van wie ze wel bloemen zou willen krijgen isvan de vijf jaar oudere vriend, haar steun en toeverlaat. Met wie ze op maandageen kopje thee drinkt en een blokje gaat wandelen. Met wie ze op dinsdag overde markt schuifelt waarbij hij altijd als een keurige heer haar tas draagt. Degenemet wie ze op donderdag dan een bezoekje brengt. Soms aan haar kinderen somsaan de zijne. Degene die op vrijdag altijd bij haar komt eten en met wie ze opzaterdag avond een wijntje drinkt en tv kijkt. De man met wie ze op zondag inde kerk zit waarna ze samen in de kapel een kaarsje aan steken. Een kaarsjevoor degene die hun lief waren maar die hen ontnomen zijn.
Hij is de enige man in haar leven voor wie ze zo’n diepevriendschap voelt die deze rozen uitstralen. Nou eigenlijk een diepe liefde.Maar meer dan een zoen op haar wang bij haar verjaardag is er nooit geweest.Heel soms raakt hij even haar hand aan als ze in de kerk zitten of legt hijzijn hand op haar schouder als er een traan over haar wangen rolt na hetaansteken van haar kaarsje. Hij is haar beste vriend, haar steun en toeverlaat.Ze zou geen dag meer zonder hem willen zijn. Maar zou hij haar rozen sturen?
Dan klinkt opnieuw de bel en schuifelt ze naar de deur.Als ze de deur open doet staat hij daar. Hij heeft zijn mooiste pak aan gedaanen zijn grijze golvende haar zitten zo keurig als het maar zijn kan. Zijn ogenlachen en stralen maar kijken enigszins bezorgd tegelijkertijd. In zijn handheeft hij een enkele roos. Een prachtige bloeiende roos, net zo lang als derode rozen binnen in de vaas. Maar deze roos is wit. Wit staat voor vertrouwenweet ze. Dan denkt ze aan de rode rozen binnen. Witte en rode rozen samen; dewens om altijd samen te zijn, voor eenheid en verbondenheid. Ze voelt haarwangen kleuren en haar ogen krijgen die prachtige zachte glans waar hij zo vanhoudt.
Dan kijkt hij haar aan en zegt met diepe emotie in zijn donkerkrakende stem:  “Lieve schat, 24 rode rozen, want al 24 jaar bewonder en aanbidt ik jou….. Met deze 25e witteroos vraag ik je, wordt alsjeblieft mijn vrouw….”

 

 

 

 

woensdag 12 december 2012

't Huis

Het huis is nog leeg
Niet met spullen, nee dat niet
Maar wel qua “ons verhaal”
Want dat is er nog niet

Het huis is ook zo vol
Vol met spullen en met dozen
En met een ander verleden
Dat ik zo graag wil lozen
 
Er hangt hier nog van alles
Maar met elke doos die ik leeg
Is het alsof ik iets van dat verleden
de kamer uitveeg

Het huis moet nog wennen
Past nog niet helemaal
Maar met elke dag
Komt er een zin bij in “ons verhaal”

Het huis is nog maar een huis
Ik mis in het woord nog de “t”
Dus steek ik de haard, wierook en een kaarsje aan
En misschien valt het dan wel mee
 

 

dinsdag 20 november 2012

De dood

Dood gaan we allemaal. Er zijn weinig dingen zeker in het leven behalve dan dat we dood gaan. Wat er daarna komt, kun je over discussiëren. Over wanneer je gaat en hoe ook. En hoe je het ook wend of keert, hoe tegenstrijdig het ook voelt, ook de dood hoort bij het leven.

Op 28 november is de uitzending “Sta op tegen kanker” en als vanzelf denk ik aan alle mensen die deze ziekte niet overleefd hebben. Mensen die me dierbaar waren. Van dichtbij moest ik toezien hoe oudere maar ook jonge mensen vochten zonder kans. Die hun gezin moesten achter laten omdat ze de strijd tegen kanker niet konden winnen. Een nare ziekte waar nog elke dag zoveel mensen tegen vechten. Maar helaas niet alleen tegen kanker. Ook zoveel andere ziektes rukken ook zonder pardon geliefde mensen uit ons midden.
Ineens stond heel Nederland weer extra stil bij de dood door Tim, een van de mensen die zelf hun lot in handen nemen. Ook die mensen heb ik gekend. Ik was nog erg jong toen ik hoorde dat de achterbuurman zich opgehangen had in de schuur. Weken durfde ik niet alleen de schuur in. Onze schuur zat vast aan die van de achterburen en het leek alsof ik hem kon zien als ik binnen stapte. Een paar jaar later hoorde ik dat de man van mijn nichtje zelfmoord gepleegd had. Die gezellige, maar wel een beetje blabla man. Vader van een zoon en dochter getrouwd met een lieve vrouw. Woonde in een prachtig huis met bijbehorende auto. Als iemand zijn leven goed voor elkaar had…. Maar dat bleek uiterlijke schijn. Hij wist het niet meer, zag geen andere uitweg. Zijn vrouw bleef achter met schulden en een hoop vragen. We zien altijd alleen de buitenkant. De ware binnenkant houden de mensen liever geheim.
Degene die hard roepen doen het toch niet, hoor je dan. Wat een onzin. Zij riep vaak. En zij riep hard. Of was ze alleen de uitzondering die de regel bevestigde? Op een dag deed ze het. Ik had medelijden met de familie die voor een deel ook mijn familie is. En met de conducteur en de mensen in de trein. De trein waar zij zich voor gegooid had. Wanneer houdt het op voor de mensen in een zwart gat. Wanneer houdt het op voor de mensen die ziek zijn zonder enkel uitzicht. En wie mag beslissen over degene die dood willen. Of degene die in coma liggen of te ziek zijn om beslissingen te kunnen nemen. Het zijn onmenselijke beslissingen. Wie heeft bedacht dat sommige van ons zulke beslissingen moeten nemen? Er is geen regel die je toe kunt passen. De regel is er wel maar voor de dood bestaat geen standaard verhaal. Elk leven is anders, elk verhaal kent zijn eigen kanttekeningen en dus is ieders dood ook niet met die van een ander te vergelijken. Wie heeft dit bedacht. Wat een waardeloos script.
“Neem mijn angst, mijn wanhoop en verdriet” zingt Youp in “Meneer Alzheimer”. Met de jaren die erbij komen word ook ik banger om te gaan. Waarom weet ik niet eens. Is het bang voor het achterlaten, bang voor het gemis? Ik had ooit een diep geloof over wat er hier na zou komen, maar nu weet ik het even niet meer. Angst is het ergste wat je kan overkomen, hoorde ik laatst tijdens een presentatie. Angst maakt je klein, angst maakt je kwetsbaar. En toch ontkom je er bijna niet aan. Wie lief heeft, heeft soms angst. Angst om degene die je liefhebt, angst wat andere of jezelf kan overkomen, angst vooral dus voor het onbekende, het niet weten. Af en toe vertel ik mijn kinderen wat ik wel of niet wil als ik dood ben. Het voelt tegenstrijdig maar ook mijn doodgaan hoort erbij. Ik vertel ze dat ik hoop dat er met mijn organen andere levens verlengd kunnen worden. Dat ze mij, wat mij betreft dan, totaal leeg mogen plunderen. En dat ik gewoon in de grond gestopt wil worden. Wel graag met veel bloemen. Hoewel als ik zie hoe mensen dat schenken aan een goed doel vind ik dat nog veel mooier. En soms vraag i, liefst ook met een traan. Zodat ik het gevoel kan hebben dat er mensen zijn die me zullen missen. Ik vraag me dan af hoe het zal zijn. Hoe ik me zal voelen.
Want wat zou ik doen als ik niet degene was die probeert iets te doen voor een zieke maar zelf getroffen wordt door zo'n nare, acherlijke ziekte. Stiekem hoop ik dat ik het nooit zal weten. Dat ik zoveel op mijn oma lijk dat ook ik, later als ik oud en echt helemaal versleten ben, simpel weg naar bed ga om voor altijd te blijven slapen. 

Elke dag steek ik een kaarsje aan en dan praat ik met haar, tegen haar. Ik vertel haar over mijn gevoel, mijn angst. Soms vraag ik haar de dingen die ik niemand anders durf te vragen. Soms vertel ik alleen over de dagelijkse dingen, en soms zijn we samen stil. Ik denk dat ze er is. Waar weet ik niet maar wel dicht bij. Dat geeft troost. Waarschijnlijk vooral voor mij. Dan steken we “Samen” nog een kaarsje aan, met het vlammetje van haar kaarsje. Stiekem hoop ik dan dat mijn oma bij haar is, want dan komt het wel goed. Bij mijn oma komt het altijd goed.
En als we nou vandaag alle lichten zouden doven en iedereen kaarsjes liet branden voor alle mensen die ons lief zijn maar niet meer bij ons zijn, hoe zou de wereld er dan van bovenaf uit zien? Zouden we ruimte genoeg hebben om alle kaarsjes neer te zetten? Want zoveel zijn er al van ons weggegaan. Het kan ook niet anders, want dood gaan we allemaal. Op woensdag 28 november sta ik op tegen kanker. Want ik weet dat we allemaal ooit dood gaan. Maar laat het dan in vredesnaam gebeuren als we oud en gewoon echt versleten zijn.

maandag 17 september 2012

Het kaarsje dat niet uit mag gaan

“Ik werd bijna boos op hem,” zegt ze verdrietig “maar hij weet natuurlijk helemaal niet waarom die niet uit mocht. En hoe leg je het uit he?” ze kijkt me aan en even is ze stil en staart voor zich uit. “Hoe leg je uit dat je liefde voelt voor een meisje dat je niet kent en nooit zult leren kennen?”
Ik zit naast haar in het parkje buiten en denk na over wat ze zegt. Ik heb er wel eens over gehoord en gelezen, over meisjes of vrouwen die verliefd werden op mannen met wie ze correspondeerden. Meestal gevangenen. Maar dan kun je zeggen dat je verliefd word op de aandacht, op de brieven en meestal op de kans dat jij degene wel kunt helpen, op het rechte pad kunt krijgen. Maar bij haar is het zo anders. Niet te vergelijken met deze verhalen. Haar liefde voelt zo puur.  Ik ken haar niet zo goed. Vandaag raakte we zomaar aan de praat. Over het weer en over de kinderen. Op een of andere manier gaan gesprekken altijd weer over de kinderen.
Dan verteld ze me ineens zomaar uit het niets over haar vriend. “Heeft hij ook kinderen? “ vraag ik. Ze lijkt te aarzelen. “Uh nee, nou ja eigenlijk wel” stamelt ze. “Hij heeft een dochter maar die leeft niet meer, ze is dood geboren”. Ik ben stil. Dan vertelt ze mijn zijn verhaal en hoe dubbel het voelt. “Hij kent haar niet” zegt ze “en toch ook weer wel. Daar worstelt hij erg mee. De hoop en dat hij haar nooit zal leren kennen, nooit zal zien opgroeien. Ik ken haar helemaal niet, zal ook nooit de kans krijgen. Maar zij is wel een deel van hem en ik hou van hem. Dus ook van haar. Ze is altijd onzichtbaar maar wel heel dichtbij. Zo voelt dat”.
“Soms voel ik me zo schuldig” zegt ze dan. Verbaasd kijk ik haar aan. “Als zij er nog was geweest had ik hem misschien nooit leren kennen” legt ze uit. “Dan waren zij nog bij elkaar geweest.” Ik pak haar hand. “Niet doen” zeg ik zacht “het leven gaat zoals het gaat.” “Soms vraag ik in gedachte haar toestemming” zegt ze “dan vraag ik of ze het wel goed vind dat ik nu bij haar papa ben. En dan zoek ik naar een teken”. Er loopt een traan over haar wang. Ik knik en slik “Dat herken ik”, zeg ik dan.
Ze vertelde over hun kennismaking en hoe ze al voor ze zijn verhaal wist een kaarsje liet branden in een hartje en hoe geraakt hij daardoor was. Nu steken ze elke avond een kaarsje voor haar op. Samen of ieder apart, net zoals het uitkomt maar altijd brandt er een kaarsje voor haar. Thuis heeft hij een eigen plekje voor haar waar hij de kaarsjes brand. En ook zij heeft nu een vaste plaats, door hem uitgezocht. Daar brandt ze een kaarsje in een mooi glazen potje met een hartje erop. Van haar mag het lichtje nooit uitgeblazen worden. Dat voelt niet goed. Het liefst houdt ze het dag en nacht brandend.
“Ach, hij wilde helpen” komt ze terug op het voorval. “Hij kon het niet weten want dat het kaarsje voor haar brandt heb ik nooit verteld”. Ze kijkt me aan. Ik ken haar amper maar voel de warmte en liefde die ze uitstraalt. “Het is mooi” zeg ik dan. “Hij weet best dat je niet echt boos bent en hij weet en voelt ook dat je genoeg liefde hebt voor hen allemaal.

dinsdag 28 augustus 2012

De handkus

Hij huilt. Ze kan veel hebben maar niet dat hij huilt. Hij mag niet huilen. Niet huilen bij het afscheid. In een opwelling draait ze zich om en steekt haar hoofd om de deurpost. Dan geeft ze hem een handkus. Een lach verschijnt door zijn tranen heen. Ze lacht naar hem en dan gaat ze weg.

Hij is haar vader en zit sinds kort in een tehuis. De handkus wordt hun ritueel. Haar manier om afscheid te nemen zonder dat hij huilt. Hij was 49 toen zij geboren werd. Zijn 3e kind, zijn eerste dochter, een nakomertje, zijn oogappel. Nu is hij 72 en zij 23 jaar oud. Sinds een tijdje is hij aan het dementeren. Niet heel erg maar toch. Hij weet dat hij de dingen vergeet. En dat doet haar verdriet. Soms hoopt ze dat hij het helemaal niet meer weet, zoals de vrouw die daar net naast hem zat. Dat is voor de familie en iedereen die van haar houdt misschien erg maar niet voor haar zelf. Zij is gelukkig in haar kleine wereld. Helemaal dement, dat zou ze wel kunnen handelen. Haar eigen verdriet kan ze wel aan, maar het zijne niet.  “Wat heb je vanavond gegeten?” vroeg ze hem in het begin als ze op bezoek kwam. Maar hij kan het niet vertellen. Met vragende ogen keek hij haar dan aan. Hij weet het wel maar tussen weten en zeggen zit een gat. Soms vraagt ze het nog wel eens. “Boontjes” zegt hij dan standaard terwijl hij lacht. “Lekker” antwoord ze hem dan met een grijns.  

Die dag kwam ze binnen en zag hem vanuit de verte met drie vrouwen in gesprek. Dichterbij gekomen hoorde ze dat ze alle vier over iets anders spraken. Ze moest moeite doen om haar lach in te houden. Van de meeste dingen kan ze de humor wel inzien. De mevrouw wiens tas elke avond gecontroleerd moet worden omdat ze elke dag al het bestek verzameld met een voorliefde voor de theelepeltjes. Die andere mevrouw die haar steevast “zuster” noemt en bij wie ze regelmatig aan de deur van het toilet staat te wachten omdat de deur van haar niet op slot mag maar ze bang is dat er iemand binnen komt.  Of de dame van 91 jaar die ze met de hand op het hart heeft beloofd dat ze haar vader wel even zal bellen om te vertellen dat mevrouw later thuis komt omdat het bandje zulke leuke liedjes speelde. De verpleging is blij met haar want ongemerkt neemt ze werk uit handen. En zij doet het met een gemak alsof ze nooit anders gedaan heeft. Behendig manoeuvreert ze avond aan avond tussen haar rollen die variëren van zuster tot toiletdame, met als hoogtepunt haar dochterrol. Alles kan ze aan, behalve het verdriet van haar vader als ze weer naar huis toe moet.

Zo ook op die dinsdag in april. Sterk is ze, want hij is dicht bij haar. Ze kan zijn hand op haar schouder voelen, het is goed zo.  Ze leest een gedicht aan hem voor. “Er was eens een boom, een grote boom, die met zijn takken langs de waterkant stond”, leest ze. Het is stil, iedereen luistert aandachtig. “Op een zekere dag kwam er een man, gewapend met een mes. De boom hield van schrik het ruisen in, maar er was geen ontkomen meer aan. De man sneed de mooiste tak van de boom en nam hem mee naar huis. Drie dagen later kwam de man opnieuw en de boom werd weer angstig en bezorgd. De boom dacht: welke tak zou er nu aan de beurt zijn? Maar de man ging onder aan de voet van de boom zitten en blies op een fluit, die hij van de tak had gemaakt. De boom luisterde en verstond het lied.
Hoor je mij? Ken je me nog?” leest ze. “Ik ben van jou, uit jouw hout gesneden. Ik zing voortaan mijn eigen lied, maar jou vergeten doe ik niet. Ik leef, ik zing. Ik dank het aan jou”
Dan komt het onvermijdelijke, het laatste moment, het moment van afscheid nemen. En dat doet ze op hun manier. Ze loopt naar hem toe. Naar de kist, zijn kist. Ze leest nog een paar regels van het kleine gedicht dat op zijn bidprentje staat. Het laatste beetje is nu op, vaarwel en wees tevreden. Zij ziet niet de kist, zij ziet hem zoals hij er altijd voor haar was.  Ze kijkt hem aan en zegt hem voorgoed vaarwel ……… met een handkus.