zondag 22 december 2013

Ideale man in de morgen

Mijn bed is warm en mijn kussen voelt heerlijk aan onder mijn hoofd. Half slapend merk ik dat mijn matras beweegt terwijl ik stil lig. Ik hoor een zachte tikkend geluid naast mijn hoofd. Dan voel ik een hand door mijn haar. Een zoen op mijn wang en een ‘goeiemorgen schatje’. Langzaam open ik mijn ogen.
Het is zes uur in de ochtend en nog donker buiten. Op de dijk verlichten de koplampen van de auto de weg . Het water rechts van mij, de nieuwe wildernis links. Ik weet hoe het uit ziet maar nu zie ik niets. Alleen het donker en in de verte de oranje gloed van de kassen die de lucht kleuren. Een prachtig bijna magisch uitzicht.
De stem van Sander de Heer vult de kleine ruimte van de auto. De heer ontwaakt en met hem de rest van Nederland. Sander, de ideale man in de morgen. Een auto voor mij houdt zich keurig aan de snelheid. Iets te keurig naar mijn mening en dus vind mijn hand als vanzelf de hendel van het linker knipperlicht. De tegenovergestelde rijbaan is heerlijk leeg. Met gepaste snelheid haal ik de man voor mij in.  Een oog op de kilometer teller want er staat hier iets te vaak controle. Mijn rechterhand vind automatisch de knop van de radio om die net wat harder te zetten en ik luister naar man die tegen Sander vertelt waar hij heen gaat vandaag en dat hij toe is aan een bakje koffie.
Nog 20 minuten ben ik verwijderd van mijn koffie. Op weg naar mijn wekelijkse bijeenkomst snak ik naar koffie. Nog meer nu Sander hoor bellen naar het tankstation waar ‘de naar koffie snakkende man’ zo direct naar binnen zal lopen. En zoals elke week bedenk ik dat ik niet kan bellen. Simpel omdat ik geen tankstation tegen kom onderweg. Ik kijk op de klok en op mijn vergeetachtige Tom Tom die 06.55 uur aankomsttijd meldt. Ik weet dat ik dus rond 06.40 uur arriveer, want Tom weet niet dat er inmiddels snellere wegen zijn die naar de koffie leiden.
 
De bellende koffiesnakkende man is ondertussen voorzien van zwart met één klontje suiker. Carmen, die een nieuw kapsel heeft en dus vandaag stoeit met de koptelefoon, vertelt het laatste nieuws en ik tel hoeveel minuten het nog is tot 06.45 uur, het tijdstip dat mijn ‘charmante assistente’ mij zal vragen: ‘Koffie?’ en ik iets te enthousiast zal knikken.
Terwijl Sander mij even later bij praat over wat ik gisteren ‘gemist’ heb op tv, denk ik aan de andere ideale man in de morgen. De man die mij altijd wekt met koffie.  Soms hoor ik half slapend ik het tikkende geluid van het kopje op het nachtkastje en vult de heerlijke koffiegeur langzaam mijn neus. Maar soms word ik pas wakker na een tweede zoen en het ‘goedemorgen schatje’. Mijn lieve ideale man, in de ochtend, middag, avond en in de nacht. Op maandag, dinsdag, donderdag, vrijdag, zaterdag en zondag. Maar niet op de woensdagochtend. Dan slaapt hij nog als ik het bed uit sluip. Op woensdag word ik pas echt wakker gemaakt als de Heer ontwaakt, mijn ideale man op de woensdagmorgen.
 

donderdag 5 december 2013

Warme handen

Vanaf een afstandje kijkt ze toe. Ze houdt de man nauwlettend in de gaten. Niets ontgaat haar. De man staat voor haar vader en zijn handen liggen op haar vaders borst. Stil staat ze daar te kijken tot hij zijn handen terugtrekt, schud alsof er iets vanaf moet vallen en dan glimlachend zegt dat hij klaar is.

Als de man weg is, zegt ze ‘dat kan ik ook’. Haar vader lacht.  Haar grote ogen kijken hem aan, gelooft hij haar niet? Maar ze weet het zeker, zij kan het ook. Net als de man die er net was. Waarom lacht haar vader nu? Dan loopt ze naar hem toe en legt haar handen op zijn borst. ‘Niet doen’ roept haar vader verschrikt terwijl hij haar handen wegduwt’ het wordt net zo warm als bij hem.
Hij had al heel lang pijn, haar vader. Soms zo erg dat hij helemaal wit in elkaar gedoken zat. Het was iets met zijn maag, helemaal begreep ze het niet. In het ziekenhuis konden ze er niets aan doen. En toen hoorde ze via iemand van de man met de genezende handen. Hij zou pijn weg kunnen halen. Haar vader vond het maar onzin maar haar moeder bleef aandringen. Ze konden het toch proberen. ‘Baat het niet dan schaadt het niet’ was de insteek.
En het werkte. Al vanaf de eerste keer had haar vader veel minder pijn. De man kwam terug en elke keer werd de pijn minder. Zij stond elke keer te kijken. Ze wist heel zeker dat ze het ook kon. Pijn weghalen met je handen. Maar van haar vader mocht ze het niet proberen. ‘Zo meteen krijg jij het nog’ was zijn commentaar. Ze had er zich maar bij neergelegd. Tegen de grote mensen kon ze toch niet op.
Vandaag zit ze bij wat ze thuis gekscherend ‘de heksenkring’ noemen. Ondertussen weet ze dat zij het ook kan. Net als de man van toen. Ook haar handen kunnen pijn weghalen. En voorzichtig probeert ze te kijken wat ze nog meer kan. Haar handen glijden over de envelop met de foto. Beelden en gedachten komen binnen. Ze schrijft alles op wat ze ‘doorkrijgt’. Even later verteld de vrouw tegenover haar over de foto van haar dochter die zij had meegenomen. ‘Lief met een scherp randje.' Ze lacht en herkent haar dochter. De vrouw verteld meer en alles klopt. Dan zegt ze half vragend: 'Genezende handen?’
De andere dag zegt haar dochter: ‘dat wat jij kunt, wil ik ook kunnen’. Ze lacht haar dochter liefdevol toe en denkt terug aan de tijd dat zij zo jong was en niemand haar geloofde.  ‘Geduld schat’ zegt ze dan, ‘ooit kan jij dit ook’. 


Dag lieve Noddy

Ik zit naast haar op de grond en streel zachtjes haar kop. Eigenlijk wil ik het niet maar ik weet dat het beter is. Beter voor haar, hoe gek dat ook mag klinken.
Het is nog maar twee maanden geleden dat ik een bult in haar bek ontdekte. Een ontsteking dacht ik nog even. Maar bij de dierenarts was die hoop al snel vervlogen. Toch startte we met een antibioticakuur en hoopte het beste. De zwelling werd amper minder en een week later werd dan ook vastgesteld dat het een tumor was. Een erg snel groeiende ook nog. Heel even nog bespraken we de opties van onderzoek, bestraling etc. Wilde ik dat? De vraag was maar: ‘Wilde zij dat?’ Maar ja, ik kon het wel vragen maar de kans dat ik een antwoord zou krijgen was nihil. Grote ogen keken mij alleen maar aan en terwijl mijn hoofd vol vragen zat, kwispelde ze vrolijk achter mij aan naar de auto.
Een paar maanden hooguit. Meer zouden we er niet mee winnen. Maar eerst onderzoek, de vraag of het überhaupt wel zou kunnen. Meerder keren vroeg ik me af wat ik zou willen als ik het zou zijn. Ik zou rust willen. Geen polonaise aan mijn lijf voor een paar weken misschien maanden meer. En dus besloten we om niets te doen. Nou ja, niets behalve dan extra extra lief voor haar zijn. Een extra koekje, extra boterham. Een klein rondje meer. Vlees in plaats van brokken en een extra aai.
De weken gingen voorbij. Mondspoeling kochten we en een spray omdat de lucht af en toe niet te harden was en we haar toch graag bij ons in de buurt wilden hebben. Nauwlettend hield ik haar in het oog. Kwispelde ze wel? Had ze pijn? De rondjes werden korter. Het spontaan naar je toe komen, werd minder.
Tot de dag kwam dat ze niet meer wilde eten en nog amper op wilde staan. Het gerammel van brokken maakte niets uit. Droevige ogen keken mij aan. Wilde ik nog langer wachten? De laatste dagen leek ze steeds moeilijker adem te kunnen halen. En dus belde ik de dierenarts. Die middag namen we afscheid en liepen samen een laatste rondje buiten. Toen we terug liepen, wilde ze niet naar binnen en dus liepen we nog een stukje verder. Zachtjes begon het te regenen en ze besloot dat het goed was zo en liep terug naar huis.
Ik zat naast haar op de grond en streelde zachtjes haar kop. Eigenlijk wilde ik het niet maar ik wist dat het beter was. Beter voor haar, hoe gek dat ook mag klinken. In haar ene poot zit de drain waarin de dierenarts de vloeistof spuit waardoor ze gaat slapen, de andere poot hou ik vast. Dan valt ze in slaap en zachtjes hoor ik haar snurken. Tot de volgende spuit. Ik hoor dat ze dood is maar zien en weten wil nog niet samen. Het lijkt alsof langzaam mijn hond van vroeger weer terugkomt. In snel tempo schieten alle beelden hoor mijn hoofd. De verkleedpartijen met de kinderen en zij met een hoedje op haar hoofd mij aankijkend van ‘ach laat ze maar’. Rennend in het bos. Lopend door de drek, een van haar lievelingsactiviteiten. En de wachtende blik als ik pannenkoeken bakte want de eerste was altijd voor haar. De momenten dat ze vergat hoe groot ze was en als schoothondje op de bank klom.
Als ik vandaag de post open, zit er een kaartje bij.
‘Woorden van troost zijn snel gegeven,
over de tijd die alle wonden heelt.
Maar weten zij wat wij hebben gedeeld?
Echte vriendschap, zo zeldzaam in het leven.
‘De crematie van Noddy heeft plaatsgevonden op 3 december 2013 om 15.00 uur’ lees ik. Langzaam voel ik mijn keel dichtknijpen en tranen opwellen. Dag lieve Noddy. Ik zal je nooit vergeten.
 


donderdag 10 oktober 2013

Haast

Terwijl ik nog aan de telefoon ben en keurig antwoord op de vragen die mij gesteld worden, pak ik mijn laptop in en gris ik nog snel mijn agenda van mijn bureau en werp een laatste blik in de spiegel waarbij ik een lok keurig achter mijn oor stop. Met mijn laptop tas over mijn schouder en mijn ‘werktas’ in mijn rechter hand, loop ik al bellend de kamer en het huis uit op weg naar mijn afspraak waar ik als haast moet zijn en waar ik als alles mee zit nog net op tijd binnen kan rollen.

De dag leek zonder te veel haast te beginnen. Maar terwijl ik mij nog half slapend omdraaide en tegen mijn lief aan kroop, kwam de plannen van de dag al gauw bovendrijven. Nadat kind 1 zich gemeld had voor een kus en een ‘dag ik ben na school direct naar mijn werk’ begon de molen met wie wat waar en hoe laat al weer te draaien. Bij kind 2 kon ik, nog steeds met mijn hoofd op het kussen erbij mompelen dat ik hem niet kon ophalen vanavond en bij kind 3 kwam het besef dat ik om 17.00 uur nog een bespreking had en om 19.30 uur al weer bij een cursus moet zijn, hard binnen denderen.

Eenmaal beneden (gedoucht, aangekleed, de ingekomen e-mails al bekeken  en de was al weer draaiend) waste ik af en haalde vlees uit de vriezer voor vanavond. Iets met kip gestoofd met ui en paprika zou het worden. Maar voor we vijf minuten verder waren, waren de plannen al gewijzigd in een snelle makkelijke variant waarbij ieder apart zou kunnen eten. Na de afwas en nog snel met de stofzuiger door de kamer te zijn geracet, haast ik me weer naar mijn werkkamer om een aantal klusjes af te ronden voor ik naar mijn eerste afspraak zou vertrekken.
Onderweg van de ene naar de andere afspraak geniet ik van de radio en een soort van stiltemoment. Even niets dan autorijden en mijn gedachten laten gaan. Ik hoor over een schrijfster en haar boek en besluit dat ik toch echt vanavond eens door mijn verhalen moet lopen die ik nog steeds moet opsturen voor de correcties. Vanavond? Uh maar dan moet ik naar cursus. Morgen dan? Misschien voor of na het wegbrengen van zoonlief. Of zaterdag, oh nee die zit ook al vol.
Hoe ik het doe, weet ik niet maar op de een of andere manier is er altijd haast. Altijd tijd te kort of plannen te veel. Er is altijd zoveel dat mijn interesse wekt. Mijn werk, nieuwe initiatieven maar ook het vrijwilligerswerk en alles wat daar bij komt. Dan is er nog het vriendennetwerk die ik zo graag vaker zou willen zien, de familie en mijn gezin waar ik zo graag meer tijd voor zou hebben. En alle bijna vergeten hobby’s. Hoe lang is het geleden dat ik geschilderd of getekend heb. Armbanden maken, de laatste is half klaar en ligt op tafel te wachten op een ‘vrije’ avond. Foto’s van jaren die nog ingeplakt moeten worden. Boeken die gelezen willen worden en letters die op papier willen komen. Films die nog niet uit de folie zijn, onkruid dat tussen tegels en planten gehaald moet worden en een huis dat sneller vies dan schoon lijkt te worden. Was die zich vermenigvuldigd waar je bij staat.
Ik geloof in een volgend leven. Ik moet wel want ik heb te veel idealen voor in één leven, zelfs als ik 100 zou worden. Want naast dat alles wil ik ook nog graag af en toe op de bank zitten en niks doen. Gewoon even niks terwijl er ook niks op wacht. Gewoon even gewoon zonder haast.  

zondag 6 oktober 2013

En dat geldt ook voor jongetjes

Zijn ogen kijken verbaasd en zijn wenkbrauwen onderstrepen dat nog eens. Zij lacht haar gulle lach en haar ogen doen vrolijk mee. ‘Tja,’ zegt ze, ‘je kunt het meisje wel uit Brabant halen, maar Brabant niet uit het meisje!’

De aanleiding is een opmerking die in onvervalst dialect uit mijn mond rolt. Zij is mijn vriendin. En niet zomaar een vriendin. Nee een vriendin door dik en dun, al 25 jaar lang. Zij verhuisde, niet een paar straten verder, niet naar de andere kant van het land maar naar de andere kant van de wereld. Ik verhuisde een aantal jaren later, maar ik bleef in ons kikkerland. Wij hielden contact. Soms intensief en dagelijks, soms maanden niet. Maar dat maakt niet uit. Onze basis is er, die zakt niet zomaar weg. Een Brabantse basis met twee benen op de grond. Echte grond onder je voeten die niet zomaar wegdrijft.
En toen was ze ‘zomaar’ weer even in Nederland. In Zeeland nota bene waar ik ‘toevallig’ op vakantie was. Dus staat ze daar aan het einde van het grasveldje met de fiets aan de hand en haar zoontje naast haar. Binnen een paar minuten is het als vanouds, alsof we elkaar gisteren spraken in plaats van meer dan een half jaar geleden. Alles om ons heen vergeten. De campingburen, de kinderen en ook de man die ons gesprek lachend aanhoort en niet wist dat er nog zoveel Brabantse termen in mij huizen.  We praten, lachen, wandelen en even is het 25 jaar geleden.
Een paar dagen geleden zat ik in de prachtige schouwburg van onze stad met als doel een mooi project in de strijd tegen kanker uit te dragen. Stil luister ik naar de presentaties. Straks gaat mijn collega een presentatie geven en ik weet nu al dat ik het niet droog ga houden. Maar nu is eerst onze wethouder aan het woord. Trots op onze stad vertelt hij stralend over de nieuwe initiatieven. Over de film de nieuwe wildernis en hoe deze in meer bioscopen in première ging dan de laatste James Bond film. Dan hoor ik hem tussendoor zeggen ‘da ken nie’. Mijn buurman geeft me een por en schud meewarig zijn hoofd. Ik glimlach. Die drie kleine woordjes geven me een heerlijk ‘thuis gevoel’. Hier in ‘mijn’ stad staat een man vol enthousiasme te vertellen met ‘mijn’ accent.

Dan leun ik naar mijn buurman en zeg: ‘mijn vriendin zegt altijd; je kunt het meisje uit Brabant halen, maar Brabant niet uit het meisje’. Hij lacht. Ik hoor nog een paar woorden van de wethouden en vervolg dan: ‘en dat geldt ook voor jongetjes’.


 

woensdag 7 augustus 2013

Vakantieplaatje

‘Volgend jaar blijven we thuis’ zegt ze. Ze zeult op haar rechter arm een kind mee en twee andere iets oudere koters lopen voor haar. Ze lopen richting strand en zee en zijn ongeveer halverwege.  Ze kijkt niet echt blij en de man naast haar al net zo min. 

Ik glimlach terwijl ik de andere kant oploop, vanaf zee terug naar de camping. Ineens denk ik aan alle tijdschriften waarin mooie plaatjes je doen geloven dat dit DE tijd van het jaar is. Knappe slanke moeders gekleed in een zwierig zomers jurkje, met aan de hand lief kijkende kinderen, lachen je vanaf de foto toe. Vader tilt de goed gevulde picknickmand met uiteraard allemaal zelfgemaakte sandwiches en salades. De fles met bubbels die ondanks de brandende zon altijd koel lijkt te zijn, steekt net boven de mand uit. Net zoals de plastic, maar niet van glas te onderscheiden, champagne glazen.
Straks aan zee gaat vader met zijn zoon vliegeren terwijl dochterlief in haar snoezig roze stippeltjes bikini zandkoekjes bakt en moeder in de schaduw van een bijpassende parasol een verantwoord boek leest. Als de kids uitgehongerd van de zeelucht weer richting moeder lopen, heeft ze precies op tijd de picknick op het geruite kleed met bijpassend servies klaar staan.
Al snel schrik ik op uit mijn gedachte. Een stukje verder op probeert een moeder namelijk met het dreigement dat de ‘zandpolitie’ eraan komt, haar zoon te bewegen om terug te komen. Zoonlief echter is Oost-Indisch doof door zon, zee en het vakantiegevoel en loopt compleet met emmertje stug door. Vader snelt er al roepend achteraan en zegt, als hij binnen gehoorafstand is, luid en duidelijk dat de krabt echt beslist terug in het water moet. Het jochie van amper twee turven hoog denkt daar echt heel anders over en probeert de brute kracht van vaders armen die hem inmiddels te pakken hebben te weerstaan. Als dat niet lukt, zet hij het effectief op een brullen.
Het doet me denken aan Brigitte Kaandorp die de kerstdagen beschrijft zoals die er in het echte leven ook net anders uitzien dan de Libelle en Margriet doen vermoeden. Met moeders die door zieke kinderen nachten lang niet geslapen hebben. Hun kleding vooral makkelijk en  met chocolademelk vlekken in plaats van de stralende vrouw met opgestoken haar in een glimmende jurk die de prachtig gevulde kalkoen opdient en haar man stralend toe lacht.
Ik ben de kleutertijd met de kinderen al weer lang voorbij en zo ook de illusie dat het leven er uit moet zien zoals de glamour tijdschriften je voorschrijven. Ik geniet van het dagelijkse leven en als het tafelkleedje dan ietwat lijkt op snoezige de plaatjes die ik ooit voorbij zag komen, dan is dat mooi meegenomen.
De volgende ochtend ben ik redelijk vroeg wakker. Ik pak mijn praktische roze toilettas en ‘design’ zwarte handdoek die door de kleur extra geschikt is voor het campingleven. Na een verfrissende douche trek ik een van mijn gezelligste zomerjurkjes aan. Mijn nog natte krullen hou ik in bedwang met een clip en ik smeer zelfs wat mascara op mijn wimpers. Mijn voeten vinden blindelings de goudkleurige slippers die zowel praktisch als van het juiste merk zijn. Als ik bij de retro Eriba caravan kom, zie ik manlief net de zilverkleurige bodum koffiekan op de tafel met het rood met wit genopte kleedje zetten. De kids steken net hun hoofd buiten het tentje en kijken mij lief maar nog slaperig aan.. Laat de fotograaf maar komen, denk ik tevreden, met een beetje geluk doen we het zo slecht nog niet in de Libelle. Het leven is zo gek nog niet en het campingleven al helemaal niet.


dinsdag 6 augustus 2013

Topfunctie

Net als veel van mijn vriendinnen heb ik een top baan. Een leuke en verantwoordelijke baan die helaas wel veel vrije tijd opslokt. Daarnaast heb ik nog wat parttime nevenfuncties, maar die mogen geen naam hebben. Zwaar, ja dat wel. Maar ja, als vrouw moet je tegenwoordig er wat voor over hebben om de top te bereiken.

Ik weet niet eens meer precies hoe ik er ingerold ben. Gesolliciteerd heb ik, zover ik mij kan herinneren, eigenlijk niet. In eerste instantie had ik een leuke duobaan met gedeelde verantwoordelijkheid die eigenlijk nog niet zo heel veel voorstelde. Na een fusie en een verhuizing naar een nieuwe locatie kreeg ik de portefeuillehuisvesting erbij. In de loop van de jaren daarna groeide onze afdeling en met 3 ‘man’.
Ik bleek nogal goed in taken als planning en organisatie en was meer dan eens bereid om overuren te maken en extra taken op te pakken. Lange dagen volgden en meer dan eens rolde ik ’s avonds moe mijn bed in om midden in de nacht weer op te staan om toch nog iets ‘even’ af te handelen.
Na de eerste reorganisatie kreeg ik de volledige verantwoordelijkheid voor ‘mijn team’. Dat was vooral in het begin zwaar maar wende al snel. Binnen een paar jaar werden ik en mijn team overgeplaatst naar het noorden en werden twee afdelingen samengevoegd tot één waardoor ik ineens de dagelijkse leiding over zes personen had. De afdeling was wederom een soort van duobaan maar de samenwerking met het andere MT-lid verliep niet geheel vlekkeloos en bij de volgende reorganisatie viel het team uiteen en volgde al snel weer een overplaatsing.

Weer terug met mijn oorspronkelijke team, bleken wij bestand tegen de stress en de reorganisaties en werd de samenwerking er alleen maar hechter door. Mijn takenpakket is breed en in de loop van de jaren vaak veranderd en/of uitgebreid. Daarentegen kan ik wel redelijk mijn eigen tijd indelen. Sinds kort hebben we er op mijn verzoek weer een MT-lid bijgekregen en kan ik langzaam weer wat taken verdelen. Het is soms nog wennen na zoveel tijd alleen de afdeling gedraaid te hebben maar het is wel erg prettig. Voor hem is juist de verantwoordelijkheid voor een team weer helemaal nieuw. Toch werkt het wonderwel erg goed.
Hoor ik mensen in deze tijd klagen over het vinden van een baan, besef ik des te meer dat ik het goed getroffen heb. Oké in deze tijd van crisis is de druk van zowel financiën, huisvesting, ontwikkeling, scholing en inkoop soms erg zwaar. Als algemeen directeur van ons bedrijf zijn de dagen lang, overschrijden de weken meer dan eens de 40 uur en haal ik de 23 vakantiedagen eigenlijk nooit. Maar toch … ik zou deze top baan voor geen goud willen ruilen.
Oh ja … mocht je inmiddels nieuwsgierig zijn naar mijn functie … ik ben moeder.

zaterdag 20 juli 2013

Beelddenker

‘Toch mis ik het wel’ zegt hij, ‘mijn Bob de Bouwer dekbed.’ Ik doe echt mijn best om mijn lach in te houden maar het lukt niet. ‘Vooral mijn kussensloop met de Bob de Bouwer helm,’ vervolgt hij. ‘En dan zo gaan liggen dat de helm om je hoofd zit. En dan het dekbed met de overal tot net onder je kin.’ Ik proest het uit. Ik ben een beelddenker. Enne als ik zeg dat de man in kwestie de 40 gepasseerd is, hoef ik denk ik niets meer uit te leggen.

We zitten op een terrasje loom te genieten van de zon. Maar blijkbaar verveelt hij zich. Aan zijn ogen zie ik dat er nog meer gaat komen en stiekem verheug ik me er al op. ‘Oh ja en dan mijn Baantjer dekbed,’ vervolgt hij. Ik trek mijn wenkbrauwen op. Baantjer dekbed? Bestaan die dan, denk ik nog even heel naïef. Hij knikt vol overtuiging. ‘Dan lig je zo op je rug en dan het dekbed zo tot hier’ zegt hij en wijst net onder  zijn hals. ‘En dan hier’ hij wijst van zijn buik richting zijn hoofd, ‘ligt het lijk. Uiteraard met heel veel bloed en zo.’ Ik gniffel ‘Oh dat slaapt zo lekker he.’ Stiekem denk ik dat het nog zou verkopen ook.
Uh ik dacht even wat anders’ beken ik voorzichtig en voel mijn wangen licht rood worden.
Voor mij zit het verschil in dekbedden vooral in de stof. Katoen of zijde bijvoorbeeld. En in het design natuurlijk. Alleen dan design in bloemetjes, streepjes of varianten daarop. Ik ben niet van de stripfiguren. Ook niet toen de kinderen nog maar vier of vijf waren. De slaapkamer voor de kinderen moet een slaapkamer zijn en geen speelparadijs zodat ze helemaal niet meer kunnen slapen. Rust en reinheid staan ouderwets in het vaandel. Helaas is het door ruimtegebrek soms wel eens wat veranderd, maar stripfiguren op de dekbedden heb ik altijd kunnen weren. Subtiel meld ik dus dat Bob er bij mij niet in zou komen. Tenminste niet als hij bouwer is met een gele helm en op een dekbed prijkt.
 

Playboy dekbed

Na nog twee slokken bier gaat hij echt los en komt de variant ‘het playboy dekbed’ aan bod. Ik zeg even niks en vraag me af hoe lang ik zo wijselijk mijn mond kan houden. Maar mijn vragende ogen dagen hem blijkbaar genoeg uit om verder te gaan. ‘Kijk’ zegt hij, ‘dan lig ik zo’ en hij demonstreert theatraal hoe het dekbed over hem heen zou moeten liggen.  Ik denk dat ik weet wat er gaat komen maar dan legt hij keurig uit hoe zijn hoofd dan precies op het gebruinde en gespierde lichaam past dat uiteraard aan alle zowel mannelijke als vrouwelijke verwachtingen voldoet. De verbazing is blijkbaar van mijn gezicht af te lezen en zijn ogen lachen. ‘Uh ik dacht even wat anders’ beken ik voorzichtig en voel mijn wangen licht rood worden. ‘Ik dacht even dat je je voorstelde hoe je onder perfecte dames zou liggen,’ stamel ik. Dan lacht hij voluit. ‘Ik was ook nog niet klaar met vertellen wat of wie er allemaal nog meer bij ligt’ zegt hij ‘Zo hier ergens ...’ en hij wijst naar een plek zodat het schaamrood nu echt mijn kaken kleurt. Want tja, ik ben een beelddenker. Daarna vraag ik me af of hij ook weet hoe je een vrouw blij maakt in bed ...

  

woensdag 17 juli 2013

Op de vlucht het weiland in of …

‘Die is al ervaren’ zegt hij en wijst naar een voorbij lopende vrouw in een witte badjas met oranje ceintuur. Ik trek mijn wenkbrauwen omhoog en kijk hem vragend aan. ‘Oranje band!’ verduidelijkt hij. ‘Duidelijk een beginner’ volgt er dan en hij knikt met zijn hoofd naar een rondkijkend en duidelijk zoekend meisje in een blauwe badjas met ‘witte band’. ‘Ach daar is de sensei al’ grapt hij verder als er een man richting het meisje loopt. Ik gniffel. Mijn zoon heeft hem vast en zeker de beginselen van de judotermen bijgebracht en even weet ik niet of ik daar nu wel of niet blij mee ben.

We zitten aan een tafel en wachten geduldig op ons gerecht terwijl om ons heen aan elke tafel van alles fout lijkt te gaan. De stevige serveerster met luide stem, die voor minimaal 20 personen bestek met servet aan haar riem heeft hangen, heeft duidelijk haar dag niet. Wij weren haar vooral en dat schijnt wonderwel te helpen. Ondertussen doen we dat 90% van de bevolking op een terrasje doet; mensen kijken! Want ook in een sauna ontkom je daar dus niet aan. Het gaat als vanzelf en dus zie ik heel wat verschillende maten en vormen borsten, billen, buiken en piemels voorbij komen. Het enige verschil is dat het er hier niet toe doet.

Maar niet alleen de ceinturen ook de badjassen zelf, verrijken mijn fantasie. Zie ik het ene moment een dame op leeftijd voorbij scharrelen in een te korte witte badjas met rode hartjes, valt mijn oog even later op de zwarte ‘Batman’ badjas van een ongeveer 30-jarige jongeman. Dan zijn er natuurlijk ook nog de huurbadjassen van een vage kleur beige met daarin mannen met donkere zonnebrillen en steeds heen en weer lopen. En de mannen en vrouwen met onder de badjas een handdoek tot bijna op hun enkels. Een breedgeschouderde, erg gebruinde man in zijn duidelijk te kleine handdoek die zijn billen net niet haalt, komt naast ons zitten. Maar het absolute toppunt van de dag is de man op leeftijd met badjas en handdoek. De handdoek heeft hij alleen zo omgewikkeld dat die precies waarvan je denkt dat de handdoek het zou moeten bedekken, niet bedekt. En waardoor het een toch wel heel ‘lullig’ gezicht wordt.
De sauna zelf is duidelijk een stuk minder in kwaliteit dan een jaar of vijf geleden toen ik er voor ’t eerst heen ging met een vriendin. Het kruiden bad dat toen nog naar kruiden rook, ruikt vandaag meer naar chloor. De groene lamp in de hoek kan zelfs niet eens de indruk wekken dat er echt iets van kruiden in het water zit. Nee dat doet ons plaatselijke zwembad dan toch echt een stuk beter. Daar ruikt het naar lavendel terwijl je juist daar er niet aan denkt. De tuin echter maakt het goed en vooral het vooruitzicht dat we vanavond loom van het niets doen niet zo ver hoeven rijden, was doorslaggevend in de keuze.

Na nog een ontspannen rondje zoutsteensauna en ijs grot, belanden we in het achterste deel van de tuin. Uit de wind, lui in een ligstoel en met uitzicht op weilanden, geniet ik van de ondergaande zon en van de stilte afgewisseld met vogelgeluiden. Heel af en toe hoor ik in de verte nog een koe loeien. Het is alsof we hier helemaal alleen zijn. Niets te merken van de mensen massa die hier toch ronddoolt. Mijn ogen staren in de verte en vallen af en toe dicht. Was ik nog niet ontspannen van de heerlijke massage, dan vloeit nu toch wel het laatste restje stress zo uit mij het weiland in.
Dan valt mijn oog ineens op een man die aan de rand van het weiland staat. Hij staat in zijn blootje met zijn rug naar mij toe. Het is een maf gezicht en ik heb er geen idee van hoe lang hij er al staat. De dieren zijn in elk geval gevlucht. Zouden ze geschrokken zijn van een geluid of van het vooraanzicht van de man? Beelden komen als vanzelf in mij op. Ik probeer ze te negeren maar dan besluit ik. Ik wacht niet af tot hij zich mogelijk omdraait. Ik volg de paarden en de koeien die ik daar straks nog zag staan en sla ook op de vlucht. Of dat slim is weet ik niet want ik vlucht niet het weiland in linea recta de sauna in waar ik in plaats van één blote man er wel een stuk of twintig zie.  

vrijdag 12 juli 2013

Grote tanden en een dikke kont


‘Tjonge, het blijft mij verbazen hoe sommige mensen bijna een karikatuur op zichzelf zijn’ zegt ze voor de tweede keer nog eens op fluistertoon tegen mij. We zitten in de trein en mijn vriendin staart vol verbazing naar een persoon met een donkere zonnebril in een gezicht waarvan ik niet kan zien of het om een man of een vrouw gaat. De mond is tot een streep vertrokken en ook de haardracht kan een link naar beide sekse zijn. Zelfs de kleding, een zwarte broek en witte overhemdachtige bloes, kan niet het verlossende antwoord geven.
Het begon al in de bus, nou eigenlijk al bij de bushalte. Daar stond een jongeman met zijn halflange broek afgezakt tot halverwege zijn kont. Een lichtblauwe boxer stak er zo’n 20 centimeter bovenuit. Daarboven een ontblote lange rug met in de nek een tatoeage met een nummer. Zijn haar was kort met als uitzondering een smalle vlecht van een 30 centimeter die over zijn rug hing. Toen hij een voorbijfietsende man herkende, ging alles bij hem ineens als in een SLO motion. Zijn woorden, zijn gebaren … alsof je vertraagd de film afspeelde. In mijn fantasie zag ik hem getekend in een stripverhaal met allemaal jongens zoals hij.
Eenmaal in de bus, stapte wat haltes verder een man in met een grote bos wit grijzig haar en een ongeveer dito kleur gezicht eronder. In gedachte tekende ik de man al uit. De bos haar werd een immense  haardos en de kleine ogen nog kleiner. De karikatuur stond binnen een seconde op mijn netvlies. Dat gaat vanzelf, ik kan er niets aan doen. Het is een eigenschap die af en toe de kop op steekt en die ik duidelijk deel met mijn vriendin. Jaren geleden toen ik veel vergaderingen moest notuleren, deed ik dat ook al. Soms met als gevolg dat ik echt op moest passen om het niet uit te proesten van het lachen wat uiteraard not done was bij de serieuze onderwerpen. Niet altijd even handig, maar het maakte de soms urenlange saaie vergaderingen wel draaglijk en soms zelfs bijna tot een feest.
Mijn vriendin haalt me bruut uit mijn overpeinzingen door mij hard te porren met haar ellenboog en met haar hoofd een bijna onzichtbaar knikje richting het gangpad te geven. Als ik haar blik volg, zie ik een jongen instappen van een jaar of 18. Het kan ook een jaar meer of minder zijn, dat is moeilijk te schatten. Met zijn grote zwart omrande bril kijkt hij serieus maar tegelijk ook erg onzeker. Het is het type dat makkelijk gepest wordt. Het bange konijntje uit de kanjertrainingen. Hij vraagt er zogezegd bijna zelf om. En ik mag dat zeggen, ik werd ooit zelf gepest en weet hoe het voelt. Ben ik nu nog steeds niet al te slank, was ik dat vroeger zeker niet. Patat aten we niet vaak en snoepen deed ik ook niet en dus begreep ik er niets van. Tja wist ik veel dat mijn moeder erg vet kookte. Nog steeds heb ik medelijden met te dikke kinderen en leg ik bijna standaard de schuld bij de ouders.
‘Ik vraag mij af hoe zijn ons zien’ vertrouw ik mijn vriendin toe. En tegelijk zie ik de tekening voor me die ooit van mij gemaakt is waarop een vrouw met lange lokken mij aanstaarde met een grijns van oor tot oor waardoor haar veel te grote tanden ontbloot werden. Dat laatste vond ik een pijnlijk iets. Nog steeds probeer ik altijd mijn mond stijf dicht te houden als ik op de foto moet. En misschien is dat wel waarom ik de karikaturen in mijn hoofd gewoon in mijn hoofd laat in plaats van te proberen ze te tekenen. Ik zou denk ik geen nacht meer slapen als ik wist wat voor trauma’s ik zou veroorzaken.
De trein dendert verder en ik bedenk me dat het ook niet zo netjes is om zo naar de mensen te kijken. Maar dan naderen we een station en zie ik zoveel verschillende mensen over het perron lopen dat mijn brein binnen een minuut overuren maakt. Snel besluit ik: deze treinreis mag het. Van dit uur maak ik één grote tekenfilm in mijn gedachten waar dikke konten nog dikker zijn, lange mensen extreem lang en grote oren veranderen in zeilen waarmee je met gemak de wereld om zou kunnen zeilen. Grote borsten puilen de shirtjes uit en wratten een factor tig groter zijn.
Mijn fantasie slaat op hol. En ik? Mijn karikatuur zit ontspannen op haar te dikke kont en zet haar te grote tanden gretig in het verhaal.


zaterdag 6 juli 2013

Zon, zee, strand en muziek

Hij draait zijn oor naar haar toe maar zij doet niets en wacht. Dan als hij terugdraait zoent ze hem. Zijn ogen beginnen te stralen. Dan kijkt ze naar hem op en zegt: ‘ik heb je nog nooit in de regen gezoend’. ‘Alles moet een eerste keer zijn’ is zijn commentaar en spontaan zoent ze hem nog eens.

Door en door nat staan ze daar in de menigte. Ze staan iets voor mij. Het regent niet hard maar wel lang. Zo’n iets meer dan miezerige regen die er voor zorgt dat je langzaamaan door en door nat wordt. Ze dacht goed warm aangekleed te zijn, veel laagjes en een winddicht jack. Daaroverheen nog een hel blauw regenjasje. Smurfin had hij haar genoemd waardoor zij vond dat hij dan grote smurf moest zijn met zijn rode regencape. Zijn jack onder de cape blijkt nu niet zo waterdicht, net zo als haar blauwe regenjasje. Daar komt nog bij dat het water precies van het jack op haar broek loopt die nu helemaal door een door nat is. Ook de capuchon laat meer water door dan er vanaf loopt en dat wat er vanaf loopt, sijpelt weer precies het jasje in, in plaats van er af. De druppels vinden hun weg over haar rug naar beneden. Maar ach zelfs dat alles mag de pret niet drukken. Verliefd kijkt ze hem aan en hij voelt de zon vanavond schijnen.
De volgende middag is het druk. Nog drukker dan de avond ervoor. Maar nu schijnt dan ook de zon. Ineens is het zomer daar in Zeeland. De muziek, de zon, het strand, de zee; iedereen is vrolijk. Witte tenten, zand en palmbomen en zo’n 40 .000 blije vrolijke mensen die rondlopen, zingen, dansen, zitten, eten en drinken maar vooral intens genieten. Ineens zie ik ze weer, nu zonder regencape of jas. Haar armen zijn om zijn nek geslagen en ze dansen op de klanken van een lied van Guus. De wereld lijkt op te houden en tegelijk te beginnen, alleen zij tweeën. Links naast haar dansen drie mannen uitbundig en aan de andere kant kijkt een serieuze man half jaloers naar het tafereel. Zijn vrouw is niet in beweging te krijgen en kijkt zuur voor zich uit. Hij neemt nog maar een slok van zijn bier en laat zijn fantasie over aan de zon en de muziek.
Een uur of twee later zit ik op een gekleurd kleed tegen de dijk en kijk uit over het terrein. Duizenden mensen bewegen voor mijn ogen. Ik laat de woorden van alle gespreken om mij heen binnen komen en weer gaan. De muziek dreunt een heerlijk ritme en de woorden vervagen. Gefluit, gelach. Meeuwen vliegen boven mijn hoofd. De wind verkoelt mijn armen en de zon verwarmt mijn hoofd dat in een prettige roes van een groot verkoelend glas bier verkeerd. Verderop ziet een man een vrouw, herkent haar en omhelst haar uitbundig en stevig. Dan houdt hij haar op armlengte afstand. Kijkt nog eens goed naar haar en knuffelt haar dan nog een keer. Voor mij zitten vier vrouwen die duidelijk bij elkaar horen. Ze dragen een roze shirtje met ‘subgroep rocks’ en daaronder vier namen. Twee van hen staan op en kondigen aan dat ze wat te drinken gaan halen. Een ervan is Emmie en ik gok naar de naam van de ander maar of het klopt zal ik nooit weten. Over een paar uur komt Racoon en daarna Blof. Ik kom voor Blof en voor Guus natuurlijk. Mijn Brabantse bloed kruipt waar het niet gaan kan en dus ben ik levenslange fan van Guus. Maar nu zijn we in Zeeland en dus verlang ik de woorden van Blof die me altijd aan het denken zetten.
Zon, zee, strand en muziek. Naast mij ligt mijn lief met zijn ogen dicht. De zon kleurt zijn voorhoofd dat waarschijnlijk straks een kleur bruin zal vertonen die mij licht jaloers maakt en trots tegelijk. Om mij heen dansen menen. Grote, kleine, dikke, dunne mensen met blonde, bruine of zwarte haren. De een met laarzen aan en de ander op slippers. Ik hoor allerlei accenten door elkaar uit alle windstreken met een boventoon van Zeeuws.
Dan trekt een man in pantalon en overhemd mijn aandacht. Rustig loopt hij verder. Het lijkt bijna misplaatst en toch gewoon tegelijk. Zoveel mensen, zoveel geluid en toch…. Ik kom hier tot rust. Ik geniet van de zon en de omgeving. Life is good. Ik tel de uren tot Blof als sluitstuk de mensenmassa tot gekte zal krijgen en tegelijk stel ik het uit. Ik zuig elke minuut op. Dan ga ik liggen en staar naar de lucht. Wat een sfeer hier. Dank je wel schat dat je mij hier mee naar toe nam. Want eindelijk na zoveel jaar ben ik dan eindelijk hier. Ik ben hier en geniet. En plan alvast in mijn hoofd voor volgend jaar.  

dinsdag 2 juli 2013

Zeemeeuw


Pootjes naar achteren

Vleugels wijd

Blik op oneindig

Zwevend in de lucht

 *

Kraalogen ontgaan niets

Kriskras maar zweven

Zon, zee, wind

Verliefd op het leven.

maandag 17 juni 2013

dinsdag 11 juni 2013

Missie geslaagd

Hij is even stil. Zijn laatste zin hangt nog in de lucht. Dan pakt hij een kaarsje van de tafel naast hem en steekt het aan. Langzaam loopt hij naar het hart in het midden en zet zijn kaarsje neer. Hardop zegt hij de naam van de vrouw voor wie hij zijn kaarsje neerzet. Achter hem staat een jongen die hetzelfde doet, ook hij noemt degene voor wie hij hier is. Traag komt er beweging in de kring om hen heen. Eén voor één volgen ze zijn voorbeeld. Ieder met hun eigen verhaal, hun eigen kaarsje, eigen verdriet en gemis.

Terug in de kring slaat zij een arm om haar vriendin. Ze huilen geluidloos in elkaars armen. Naast hen staat een man, zijn ogen worden vochtig. Hij slikt, maar zijn tranen winnen terrein. Dat is niet erg, dat mag. Iedereen berijpt hem, iedereen voelt met hem mee. Dat is waarom ze hier zijn. Morgen is het dan eindelijk zover. Dan fietsen zij de Alp op. Dan kunnen ze eindelijk iets doen in plaats van machteloos toekijken. Want iets doen, daar draait het hier om.
Meer dan 100 pubers van vier verschillende scholen in Flevoland fietsen samen tegen kanker. Weken, maanden hebben ze sponsors gezocht en geld opgehaald. Ze hebben getraind en afgezien. Maar dat was niks met wat ze morgen gaan doen. Vier verschillende scholen, verschillende klassen, verschillende leeftijden. De meeste van de groep kennen ze niet eens. Vijftien uur zaten ze in de bus. Weken trainden ze, vele uren zaten ze op de fiets, de een nog meer dan de ander. Nu staat er op de camping onder aan de Alp D’Huez een veld vol tenten en mobiele keukens, een trailer vol met fietsen. Een vrachtwagen vol met eten. Alles gesponsord. Elke keer weer moest ik een brok in mijn keel wegslikken als een bedrijf ‘gewoon’ zei: ‘Dat sponsoren wij wel’. Chauffeurs die een weekend of een week blijven en een familiefeest voorbij laten gaan. Gewoon om deze leerlingen te helpen. Iets voor elkaar doen bestaat gelukkig nog steeds en dat is mooi.

Dan is het zondagochtend 9 uur, het ontbijt staat klaar. Er wordt nerveus gelachen. Een meisje loopt in trance een uur voor vertrek nog steeds in pyjama over het veld. Ze zijn verschillend en doen dit allemaal op hun eigen manier met hun eigen emotie maar tegelijk zijn ze er allemaal voor elkaar. Ouders kijken toe of geven nog tips. Sommige ouders zijn hier om te kijken en ze te onthalen straks boven op de Alp. Maar dat is helaas niet voor elke leerling weggelegd. Terwijl we een uur later wachten op het busje dat ons naar ‘onze bocht’ brengt denkt het meisje naast mij aan haar moeder. Ze verteld dat ze zo graag zelf had willen fietsen, maar dat haar knie dat niet toe laat. Ze heeft al verloren en het onvermijdelijke hangt in de lucht. Heel stilletjes draagt ze haar verdriet en steunt haar vriendinnen die vandaag fietsen. ‘Wij fietsen ook voor jou hoor’ zeggen ze tegen haar voor ze de berg op gaan. Ze knikt stilletjes en er verschijnt een glimlach op haar gezicht. Wat zou ik graag iets voor haar doen.
De één ploetert nog harder dan de ander en waar de een na iets meer dan een uur boven is, vecht de ander zijn strijd in 3,5 uur. Maar allemaal halen ze het. ‘Ik kon echt niet meer maar toen dacht ik, zij vecht ook door, dus vecht ik ook gewoon door. Opgeven is geen optie’ zegt hij tegen het meisje naast hem. Ze knikt, ze weet wat hij bedoelt. Een aantal begeleiders fietsen heen en weer. Er wordt meegelopen, toegesproken en een ‘Hermannetje’ gegeven. We helpen met drinken, eten, woorden en morele steun. ‘Kom op  topper, je kunt het, je bent er bijna kanjer.‘ Er worden fietsen gerepareerd en tranen gehuild. Tranen van pijn, van opluchting, van vreugde en verdriet. Alle emoties lopen door elkaar. Alles is één vandaag. De groep en de emotie.

Nu schijnt de zon en in groepjes zijn ze naar het dorp of liggen bij het zwembad. Maar we zijn nog niet klaar. We komen niet alleen voor ons zelf. Morgen gaan er 3.000 mensen de alp op, de dag erna nog eens 5.000. En wij, wij helpen ze mee naar boven. We vlaggen in bochten zodat ze veilig kunnen fietsen. We roepen en duwen, we delen water en bouillon uit en geven natte sponsen aan. Voor het vlaggen krijgen we strakjes nog een instructie. En vlak daarvoor vraagt een van de docenten aan zijn groep wie er morgen wil helpen bij de start. Klein detail; je moet er om 2 uur in de nacht al staan. De groep knikt en zij luistert heel aandachtig. Dan deelt de docent een papier uit en vraagt of ze zelf groepjes willen maken. ‘En ga nou niet standaard bij iemand van je eigen groep maar kies eens iemand anders’ zegt hij. Haar wenkbrauwen gaan omhoog. ‘Maar meester’, zegt ze, ‘We zijn toch één groep!’

Ik glimlach met tranen in mijn ogen en denk MISSIE GESLAAGD.


maandag 20 mei 2013

Twee kaarjes

Vandaag branden er twee kaarsjes. Als ik de glazen potjes pak en de kaarsjes er in zet, zie ik dat het ene potje net iets groter is dan het andere. Ik pakte ze niet bewust maar realiseer me hoe symbolisch ze daar staan. Even moet ik slikken en ben ik dankbaar dat mijn kids in huis zijn. Ik zeur niet over dat mijn dochter nog in pyjama op de bank hangt en ook mijn zoon die te lang in bad blijft liggen, laat ik met rust.

Als ik naar boven loop om achter mijn bureau te kruipen, steek ik nog een kaarsje aan. Voor haar. Ze zal het nodig hebben. Alle steun die ze nu krijgt, alle gedachten die naar haar uit gaan. Ze zal het zo hard nodig hebben. Ze zullen haar steunen en helpen. Maar in de kern is en blijft ze alleen. Niemand kan echt haar verdriet voelen, ook al hebben we zelf verloren. Ieder verlies is anders, niet te vergelijken, niet te bevatten.
Wijzende vingers gaan al weer rond. Het enige dat we doen kunnen, en dus doen we het massaal. Niets is zo erg dan machteloos toekijken. Niets kunnen doen. En nog erger is te bedenken of wij iets hadden kunnen doen om dit of elk ander drama te voorkomen. En dat is lastig. Daarmee kunnen we niet uit de voeten en dus kiezen we voor een andere weg; wijzen naar anderen. We wijzen naar daar waar fouten gemaakt zijn. En even vergeten we dat er daar waar die fouten gemaakt zijn, mensen werken. Mensen zoals jij en ik. Mensen die fouten maken. Want niemand van ons is perfect.
Ook zij zal zich afvragen; ‘wat had ik kunnen doen’. En ik hoop zo voor haar dat zij haar eigen handelen kan accepteren, een plekje kan geven. Zij is een moeder en moeders maken fouten. Dat weet ik als geen ander. Zo graag zou ook ik het perfect doen, maar helaas lukt het me niet. Mijn uiterste best is het beste dat ik naar boven halen kan. Maar als het om je kinderen gaat, weet je dat het eigenlijk nooit goed genoeg is. Van ze houden kunnen we. ‘Misschien ben ik te klein om jou groot te kunnen brengen’ hameren de woorden in mijn hoofd. En net als in het liedje van Guus heb ik twijfels over of ik het goed doe. ‘Alles wat ik zeker weet, is dat ik van je hou, en dat ik door het vuur zal gaan voor jou. En ik hoop dat dat genoeg is, want veel meer kan ik niet geven. Dan hele diepe liefde, alles voor jou.’
Duizenden mensen denken vandaag aan haar. Net zoals we de afgelopen twee weken dagelijks gedaan hebben. ‘Zekerheid is beter dan de angst’ maar hoe graag had zij niet vast gehouden aan dat kleine sprankje hoop. Want de hoop dat er misschien een wonder is, is beter te verdragen dan dat je kinderen er niet meer zijn. ‘Had ik maar… had ik toch maar niet…’Het is zinloos, maar zo menselijk. Zinloze gedachtes om zinloos geweld. Aangedaan aan twee kleine kinderen die nog een leven voor zich hadden. Die onbezorgd hadden moeten genieten van de zon en de regen. Die kattenkwaad hadden moeten uithalen en misschien nu ergens per ongeluk een voetbal over een hek of door een ruit hadden moeten trappen.
Die vanavond hongerig met vieze handen en een broek vol drek en groene strepen van het gras aan tafel hadden moetens schuiven, waar hun moeder gemopperd had waarom ze niet eerst even hun voetbalkleren aangedaan hadden in plaats van hun zondagse broek. Die na het eten in bad hadden moeten gaan zodat hun moeder ze vanavond schoon in bed een nachtzoen had moeten geven met een glimlach om haar mond. Gewoon omdat ze van hen houdt.
Ik kijk naar het kaarsje en in gedachten geef ik haar een knuffel. Wat je ook wel of niet gedaan hebt, meer kon je niet geven. Dan je hele diepe liefde. Ik wens je sterkte. Sterkte voor jou.

Tulpen en Rozen

Hij haalde ze altijd door elkaar, tulpen en rozen. Tegen tulpen zei hij rozen en andersom. Nog altijd als ik tulpen zie, moet ik daaraan denken. Denken aan hem, mijn vader. Misschien ben ik daarom gaandeweg wel zoveel van tulpen gaan houden. Of is het omdat ze de lente aankondigen. Dat er vrolijkheid in huis komt met tulpen.
Ik was gek op rozen. Echt mijn lievelingsbloemen. Ooit kreeg ik een prachtige bos met rode rozen, het was een huwelijksaanzoek. Een vriendje van vroeger probeerde nog even door te vragen ‘en als ik nou een grotere bos rozen koop?" Het leek me geen goed plan. Maar de rozen verwelkten. Ze schoten geen wortel en de liefde ging voorbij. En zoals dat gaat, kwam er een nieuw vriendje en de dag kwam dat ik jarig was. Het vriendje van vroeger was er ook. De mannen gaven elkaar een hand en mijn nieuwe vriendje zei simpel maar duidelijk ‘Weet dat mijn bos rozen altijd groter zal zijn’. Het was zeker 15 jaar later dat ik het vriendje van vroeger pas weer zag.
Rozen zijn heel anders dan tulpen. Ik heb ook nooit begrepen dat mijn vader het verschil niet kon zien. Ze hebben beide een speciale uitstraling, dat wel. Rozen worden al sinds duizenden jaren geteeld om hun schoonheid. In de oudheid gebeurde dat in China en Afrika, door de Grieken, Romeinen en Egyptenaren. Voor de vroege Christenen symboliseerde de roos de vijf wonden van Christus. Later werd de roos het symbool van de martelaren en werd zij een attribuut van Maria, de moeder van Christus. De kleur is bij rozen belangrijk. De rode roos staat voor ‘Ik hou van je’, voor liefde en respect. De witte roos symboliseert vertrouwen. De combinatie van wit en rood staat voor de wens om altijd samen te zijn. Roze staat voor heimelijke liefde en geel voor intieme vriendschap en verbondenheid.
Maar pas op. Als je het goed wil doen is het net zo van belang of de roos in knop staat of in volle bloei. Want staat de net geopende gele roos voor de vraag of de ontvanger nog van je houdt, in volle bloei staat het voor jaloezie of verlangen iemand terug te krijgen. Al denk ik niet dat als je morgen een boeketje met rozen krijgt van de buurvrouw je daar zoveel achter moet zoeken. En toch is de roos een teer symbool. Kwam een lieve vriend die wist dat ik van rozen hield en naast een kwekerij woonde, lief met een prachtige bos met lange rode rozen aan, keek mijn man toch ietwat ongelukkig en jaloers. De vriend bedoelde er niets anders mee dan dat hij mij graag een plezier wilde doen.
Tulpen zijn een ander verhaal. De tulp komt eigenlijk uit Turkije en werd naar het westen gehaald door een Weense ambassadeur. In 1562 deed een vracht tulpenbollen zijn intrede in Antwerpen. Later werden de bollen door Carolus Clusius geplant in het door hem geleide Hortus botanicus Leiden. De naam tulp komt van het Perzische woord Tulipan wat tulband betekent. De tulp heeft een koude nacht en een koude winter nodig om te kunnen groeien waardoor het Nederlandse klimaat perfect is.
Voor mij symboliseren tulpen de lente, nieuw leven, een nieuw begin. Bij tulpen denk ik aan Nederland, aan nieuw leven, aan het waterige zonnetje dat doorbreekt, de aankondiging naar de zomer en aan ‘dank für Blumen’ met pasen. Aan de prachtige bollenvelden die je zomaar vanaf de weg kunt bewonderen. De prachtige eindeloze strepen met verschillende kleuren. En bij de tulp denk ik voor altijd aan mijn vader.


zaterdag 18 mei 2013

Souvenir

Ik blaas een kaars uit en dan nog één. Het is 5 over half 1 in de nacht. Mijn vriendin is thuis sms’te ze mij en alles is oké. Gerustgesteld klik ik het berichtje weg en drink de laatste slok van mijn witte wijn. Gedachteloos of juist vol gedachten blaas ik dan één voor één de kaarsen uit totdat ik ‘het’ ineens zie liggen. Mijn kaarsendover.

Voorzichtig pak ik het ding op en doof de volgende kaars. Een hekel had ik aan zo’n ding vroeger. Wij hadden er een thuis. Een heel lelijke goudkleurig ding. Maar ik blies de kaarsen liever uit. De rook, die lucht, ik snoof het op om de geur in mijn geheugen te bewaren. Hij niet, hij vindt het stinken. Maar hij mag niets zeggen, want hij rookt. Meestal doet hij de kaarsen in de kamer uit voor we gaan slapen. Maar nu is hij er niet. Van hem kreeg ik de kaarsendover en even, heel even is hij nu heel dicht bij mij.
Liefdevol pak ik de zilverensteel vast en even lijkt het alsof hij hier in de kamer naast mij staat en mij vast houdt. De eerste kaars wil niet uit, pas bij de derde keer proberen lukt het. Bij de tweede kaars duw ik iets te ver en zie ik het kaarsvet aan het zilveren randje kleven. Maar dat maakt niet uit. Trots ben ik dat ik de kaars gedoofd heb zonder rook te veroorzaken. Trots kan hij op mij zijn. I did it. Zomaar, om hem een plezier te doen terwijl hij er niet eens is. ‘Dus wie doet wie een plezier?’ denk ik.
Nog even sta ik met de kaarsendover in mijn handen. Deze is mooi. Echt mooi. Maar mooi zou ik hem ook vinden als het een net zo lelijk exemplaar zou zijn als die uit mijn jeugd. Dit is een souvenir. Mijn souvenir. De zilveren kaarsendover is een souvenir, een aandenken aan onze eerste vakantie samen. Op Koninginnedag struinde hij elke tafel en elk kleedje af op zoek. Ik wist toen nog niet waarnaar, maar zijn enthousiasme was aanstekelijk. Nieuwsgierig was ik, dat zeker. Toen de markt voorbij was, in de avond, vertelde hij me wat hij gezocht had. En toen was er een dag later dat winkeltje waar ik naar binnen wilde. Zomaar om er rond te neuzen. Just for fun. Maar hij bonjourde me zonder pardon de winkel uit naar buiten en ik deed nog het gedwee ook.
In de avond kreeg ik mijn cadeau. En ook al wist ik toen inmiddels wat er in zou zitten, voelde ik de spanning en kinderlijk verlangen bij het uitpakken. En nu ligt het op mijn kast. Meestal doet hij de kaarsen uit in de avond. De kaarsen, de verwarming en de lampen uit en de deuren op slot. Maar vanavond niet. Nu is hij niet hier en probeer ik om niet per ongeluk iets over te slaan. De deuren dicht, de verwarming laag, de lampen zijn uit en de kaarsen nu ook. Hij is niet hier, niet echt. Maar in kleine dingen is hij hier, in mijn hoofd en in mijn hart. Gewoon door een simpel iets als een kaarsendover.

vrijdag 17 mei 2013

1001 gedachten


Duizend en één gedachten
Waaien door mijn hoofd
Met de wind door mijn haren

Voel ik me aangenaam verdoofd
 

Staren in de verte
Over land en over zee
Laat ik mijn gedachte waaien
Toe maar wind, pak maar
Neem mijn gedachtes maar mee

zaterdag 11 mei 2013

WC-bril onder je oksels

‘Er was niks daar hoor’ zegt ze. Ze is een jaar of zes, misschien al zeven en zit relaxed achter op de fiets van haar moeder. Haar stemmetje babbelt vrolijk verder terwijl ik gestaag richting het toiletgebouw loop. ‘Er was geen wc-papier, geen wc-bril. Je moest alles meenemen’ gaat ze serieus verder. Mijn beeldende fantasie doet zijn werk al weer en ik zie de mensen voorbijkomen; linkerhand rolletje wc-papier en onder de rechter oksel het eigen wc-brilletje geklemd.  

Ik adem diep in en geniet van het heerlijke weer terwijl ik de hoek om ga en het toiletgebouw al in het zicht heb. Hier lopen we inderdaad met wc-papier. Op de vorige camping hoefde dat niet. Maar hier is een timer zodat je weet hoelang je nog warm water hebt. Dan bedenk ik me dat als ik deze week thuis was geweest in plaats van hier op de camping, ik waarschijnlijk amper buiten was geweest. Wat een geluk dat ik mee gegaan ben. Grappig genoeg schijnt niet iedereen dat te hebben. De mensheid is in twee soorten verdeeld bedenk ik mij; zij die kamperen leuk vinden en zei die zich er groen en geel aan ergeren.
Zij die zich groen en geel ergeren kunnen zich eenvoudigweg niet voorstellen dat je naar een toiletgebouw wil lopen met het bekende rolletje wc-papier onder de arm geklemd terwijl je thuis een toilet gewoon in huis hebt, misschien wel 2 of 3 toiletten zelfs en misschien nog wel met vloerverwarming zodat je helemaal niet afkoelt in de avond of nacht. Zij kunnen zich niet voorstellen dat je op een matrasje of luchtbed gaat slapen terwijl je thuis een slaapkamer hebt net zo groot of groter dan je hele tent of caravan met voortent erbij. En compleet met box spring of waterbed natuurlijk. Zij die niet in de kampeerwieg gelegd zijn net na de geboorte haken al spontaan af bij het idee van koken op butagas in een klein pannetje met los handvat wat je meestal de hele dag kwijt bent. Om over waterhalen en douchen met muntjes nog maar niet te spreken.
Gelukkig hebben mijn ouders direct na mijn geboorte iets van een tentje over mijn wieg heen gezet waardoor ik wel in de bekende kampeerwieg gelegen heb. En we gingen toen ik nog heel klein was al met de tent op pad. Heerlijk vond ik dat. Drie weken lang buiten leven, kamperen. Hoewel dat dat dan weer niet echt kamperen mocht heten. Want het liefst namen mijn ouders alles mee. Hoge stoelen, want anders zat je maag dubbel als je moest eten. Stretchers met een dik matras, anders sliep het niet lekker. En een koelkastje, wel zo praktisch vond mijn vader die niks had met de bekende koelboxen die hun naam meestal geen eer aan doen. En mijn moeder had te tent van binnen voorzien van gordijnen, want stel dat iemand je zou kunnen zien als je je aan het omkleden was. Als de zon zou schijnen zou je wel eens een silhouet kunnen ontdekken en dat moesten we niet hebben natuurlijk. Een caravan wilde mijn vader dan weer gek genoeg niet. Want dat vond hij geen echt kamperen.

Als we in de avond de campertjes die ook bij onze groep horen een soort van windscherm gespannen hebben, en we met dikke truien en fleecedekens en glas wijn om de barbecue zitten, terwijl de zon de hemel oranje kleurt en de grappen en verhalen heen en weer gaan, voel ik me gelukkig dat ik hier met deze groep zit. En vanavond… nou dan loop ik gewoon met wc-rol in mijn ene hand, mijn toilettas onder de arm geklemd, genietend hand in hand met mijn schatje naar het toiletgebouw om mijn tanden te poetsen. Lach ik van binnen om de wc-bril van het meisje en geniet ik onderweg van een prachtige sterrenhemel.



woensdag 8 mei 2013

Mijnheer de fietsert, ben ik al bruin?

‘Je wordt al bruin’ roept hij, terwijl hij voorbij fietst in zijn fel rode windjack. ‘Ja he’ roep ik vrolijk terug terwijl ik mijn benen nog eens extra in de zon leg. Hij zwaait en lacht terug.  Ik zit languit op een tuinstoel met voetenbankje lui voor de caravan in de zon. Mijn warme trui van vanochtend heb ik verruild voor een topje en mijn spijkerbroek heeft plaats gemaakt voor een rokje waardoor mijn nog witte benen voorzichtig de eerste zonnestralen op kunnen vangen.

Het is heerlijk weer. Fietsweer vooral, want er komen heel wat fietsers voorbij over de stadswal aan het einde van het grasveld wat ik voor deze dagen bestempeld heb als ‘onze voortuin’. En allemaal hebben ze een mening over de camping. Niet een fietst er voorbij zonder een opmerking te plaatsen.
‘Is dat een camping?’ vraagt een vrouw aan haar man terwijl ze naar het veld kijkt waar zo’n twintig caravans en campers staan. Ze is niet eens blond. ‘Nee joh’ denk ik en kan het nog net bij denken houden. ‘Een camping? Hoe kom je er bij? Toevallig besloten we hier allemaal om op dit veld te gaan staan met de campers en caravans omdat er namelijk heel heel echt heel toevallig van die handige stroompaaltjes stonden en ook nog eens een toiletgebouw’. Na een opmerking of tien begint het echt komisch te worden. Je zou bijna denken dat de camping een dag daarvoor pas aangelegd is. En de fietsende menigte lijkt te denken dat ze of zacht praten of dat wij niet alleen raar op een veld staan maar ook nog eens doof zijn. En dat terwijl we niet eens in een rolstoel zitten. Want dan praten de mensen namelijk ook over je alsof je doofstom bent. Niet kunnen lopen is voor de gemiddelde mens een reden om over je heen tegen de degene achter de rolstoel te praten. En liefst wel over jou. Gewoon alsof je er niet bij zit. Hier op mijn stoel voelt het ongeveer net zo. Na een minuut of twintig bereiken de opmerkingen zonder enige toegevoegde waarden als vanzelf niet eens meer mijn oren.
Als de boom in de ‘voortuin’ er voor zorgt dat mijn benen in de schaduw komen, pak ik onhandig mijn stoel op en verhuis een paar meter naar links. Dat je ook dat niet ongemerkt kunt doen, merk ik als ik half over mijn stoel struikel en een mevrouw op de stadswal een kreet slaakt omdat ik bijna val. Het doet me in elk geval goed dat ze meeleeft en tegelijk bedenk ik dat ik dus op moet letten hoe ik zit. Niks lekker benen omhoog met dit rokje tenzij ik nog meer opmerkingen wil aanhoren.
Dan valt er een schaduw over me heen maar vanaf de geheel andere kant. Als ik naar boven kijk zie ik twee lachende ogen en een mond die een kust komt brengen of halen, dat is me niet helemaal duidelijk maar doet duidelijk ook niet ter zake. Ik word verwend met een heerlijk kopje koffie met een stroopwafel en geniet van de rust die de omgeving, zelfs met de bemoeierige spraakgrage fietsers, uitstraalt. ‘Tjonge is de deur van het plaatselijke bejaardenhuis open blijven staan’ zegt de mond die mij zojuist nog zoende. ‘En weet je dat het gemiddelde groepje fietsers uit 4 tot 6 personen bestaat?’ Ik kijk naar de fietsers die duidelijk genieten van eindelijk zon op hun snoet en die daardoor allemaal vriendelijk kijken. Mij maakt het niet uit. Laat ze maar genieten, dat doe ik duidelijk ook.

Dan leun ik achterover en doe mijn ogen dicht. Zou de man in het rode windjack al verschil zien. Ik besluit dat als ik hem per ongeluk terug zie fietsen, ik het hem zal vragen of nu ook mijn benen al wat bruin zijn. Pas een paar uur later zie ik op een aanplakbiljet dat het geen toeval is dat iedereen hier zo gezellig fietst en allemaal dezelfde kant op. Nee we zitten gewoon aan de route van de fietsvierdaagse. En of mijnheer de fietsert in het rode jack het verschil in kleur op mijn benen ziet, zal ik dus nooit weten.

 

dinsdag 7 mei 2013

Tweebaansweg

Ineens besef ik het. Zomaar ineens als ik haar een kus geef terwijl ze al in bed ligt. Haar hele gezichtje straalt terwijl ze naar mij kijkt. Mijn haar is nog nat en zit raar plat naar achteren waar een speld het geheel nog een beetje op hun plaats houdt. Mijn bril is wat afgezakt en hangt op mijn neus en mijn grandioze outfit bestaat uit een joggingbroek, oud t-shirt en lang vest dat slordig om mij heen hangt. Maar dat maakt haar allemaal niet uit. Ze lacht haar lach omdat ik bij haar op bed zit om haar een ‘welterusten kus’ te geven. Zij houdt onvoorwaardelijk van mij, net als ik van haar.

Ik hou van hem. Heel veel en nog veel meer. Maar zelden in mijn leven heb ik me zo fijn en vertrouwd gevoeld als bij hem. En toch besef ik ineens hoe anders dat dat is. Altijd ben ik bang om te verliezen. Ook al voelt het nog zo goed, misschien is dat morgen wel anders.  Teveel heb ik al verloren. Niet alleen in relaties maar ook in familie en vrienden. Dood, ziekte, pijn, afscheid, hoop, verlangen en verdriet. Het drijft mensen soms naar elkaar maar te vaak ook uit elkaar. Het maakt me soms zo klein en bang. Bang om weer te houden van, bang om het weer te verliezen. Maar bij hen ben ik nooit bang. Onvoorwaardelijk hou ik van ze, en zij van mij.
Wat ik ook zeg, hoe ik ook doe. Het is als een dikke kabel die niet stuk kan. Er zit staalkabel in verwerkt met een teer zacht laagje er omheen. Dus ben ik wel voorzichtig want ik wil ze niet kwetsen, niet beschadigen, geen pijn doen. Het tere laagje wil ik zoveel mogelijk heel houden. Blauwe plekken, figuurlijk dan, mogen en spierpijn ook. Want daar moet je doorheen. Lopen leer je met vallen en opstaan, met blauwe plekken op je knieën of blauwe plekken van de handen die je vast hielden zodat je niet te hard zou vallen. En spierpijn van het opzoeken van je grenzen en van het soms te enthousiast doorgaan.

En na die spierpijn kom ik dan. Met olie om te masseren. Met calendulazalf om de beurse plakken weg te verzachten en kusjes om de wonden te helen. En bij alles wat ik voor hen doe, maken zij mij sterker. Sterker en sterker want in hun ogen kan ik alles aan. De sterkste man ter wereld zou ik aan kunnen als het om mijn kinderen gaat. Niet qua kracht maar mijn moederinstinct zal mij leiden. Ik zou hem misleiden, want wie niet sterk is moet slim zijn.

Ooit stootte ik degene naast mij in bed aan als ik beneden een geluid hoorde en durfde ik mijn bed niet uit. Tot de dag dat ik alleen was met mijn kinderen. Bij het minste geluid stond ik al beneden. Kom maar op als je durft, maar blijf uit de buurt van mijn kinderen want je bent je leven echt niet zeker als je hen een haar zou krenken. ‘Je bent net een eend, een moederkloek’ zei mijn schoonvader toen de oudste nog maar net geboren was, en oh wat had hij gelijk.
Maar nu ineens besef ik dat de weg twee richtingen heeft, een tweebaansweg. Mijn onvoorwaardelijke liefde voor hen is zo wederzijds. ‘Kom niet aan mijn moeder’ stralen de jongens uit en oh wat staan ze snel naast me als ze denken dat het nodig is. En nu hier op de rand van haar bed kijk ik in de stralende ogen van mijn dochter. Voor hen hoef ik niet te lijnen, geen make-up op te doen of geweldig te zijn. Zolang ik maar hun moeder ben, is alles oké.

woensdag 1 mei 2013

Ga toch fietsen

Vandaag koop ik zijn boek en dan neem ik het mee naar de Alp. Want waar kan ik zijn boek nu beter lezen dan daar.

Ik wist het meteen, niet waarom maar wel dat het moest. En dus maakten we een afspraak, gewoon omdat het vanzelfsprekend was. Een paar dagen na die afspraak lees ik zijn blog met een hele brede glimlach op mijn gezicht. Ik zie Thomas voor me zoals hij vol overgave over het blog vertelde aan mijn keukentafel. Ik zie zijn zoon daar rennen over het voetbalveld. Ik voel de spanning en hoor het juichen. Een half uurtje later lees ik het gewoon nog een keer. Daarna scrol ik door op de pagina, ik lees wat en scrol verder tot mijn oog valt op een naam; ‘Edwin van der Aa’. Ik hap naar adem en krijg het kippenvel op mijn hele lijf. Ik ken Edwin, nou ja… kende. Oppervlakkig dat wel. De wereld is klein, dat merk ik elke dag weer. Hij is de vader van een vriendinnetje van mijn dochter toen ze nog op de vorige school zat. En dus wist ik dat hij ziek was. Erg ziek. Maar toen ging zij naar een andere school, en zoals dat gaat met meiden op die leeftijd, verwaterde hun contact en kreeg ook ik niet zoveel meer mee en zag ik hem en zijn vrouw niet meer op het schoolplein.

Tot mijn dochter op een dag vertelde dat hij er voor gekozen had om te stoppen. Zijn leven was geen leven meer, het was klaar. Zomaar even vertelde ze het, terwijl ik brood stond te smeren voor de broodtrommels die dag. De tijd stond stil, ik hapte naar adem terwijl het mes in mijn handen halverwege in de lucht bleef hangen. Langzaam draaide ik me om en vroeg, waarschijnlijk alleen maar om het echt door te laten dringen, wat ze zo juist vertelde. Ze vertelde het zomaar, in één zin zoals alleen kinderen dat kunnen doen. Niet omdat het ze niet interesseert. Waarschijnlijk was ze er al dagen mee bezig, misschien ook niet. Ik weet het niet en het doet er niet toe. Wat ze zei deed er toe, wat er gebeurde deed er toe. Dat hij  had moeten opgeven, dat deed er toe. En niet zo’n beetje ook.
Nu zit ik op de bank en lees tussen de blogs van Thomas de brief van Edwin aan Thomas. Even staat de tijd stil en sta ik op het schoolplein naast Edwin te praten over koetjes en kalfjes, de gewone dingen van het leven. Al jaren weet ik dat het leven oneerlijk is. Teveel mooie mensen worden ons ontnomen en wij staan machteloos aan de kant. Genoeg heb ik er van, machteloos moeten toekijken. Te vaak heb ik van een afstand toegekeken. Nooit was het heel dicht bij, maar veel te vaak was het niet ver genoeg weg.

Inmiddels probeer ik mijn steentje bij te dragen door me in te zetten voor KWF. Kinderen te motiveren om ook hun steentje bij te dragen en in juni ga ik naar de Alp D’HuZes. Ik ga niet fietsen maar 150 kinderen ondersteunen die dat wel gaan doen. Ze motiveren en helpen. Ze laten zien dat er nog genoeg mooie mensen zijn die met hun bijdrage willen leveren. Die een mobiele keuken ter beschikking stellen, die een vrachtauto regelen om de fietsen te brengen of die hun laatste beetje wat ze hebben, liever geven aan een goed doel. Die meevechten met iedereen die ziek is. Die niet zomaar opgeven. Want opgeven is geen optie.

Vandaag koop ik zijn boek en dan neem ik het mee naar de Alp. Want waar kan ik zijn boek nu beter lezen dan daar. Ik wist het meteen, niet waarom maar wel dat het moest. Nu weet ik waarom en waarom het zo vanzelfsprekend was.

Dank je wel Thomas, voor het schrijven van je boek en zo het bij elkaar brengen van mensen.