dinsdag 25 december 2012

Jouw boek

Gisteren was ik er weer en het liefst was ik er weer heel lang gebleven. Rondsnuffelen in een boekwinkel, zomaar alleen rondsnuffelen. Ik had voor mezelf de smoes verzonnen dat ik nog een paar cadeautjes moest kopen want ik weet dat mijn kostbare tijd daar te snel voorbij vliegt. Daar tussen de boeken staat de tijd altijd even stil.

De ketens zijn leuk maar veel leuker zijn de echte boekwinkels. Daar sta ik dan, in zo’n boekwinkel waarvan er maar één is, die uniek is. Ik slenter langs de boeken en af en toe pak ik er een op om op de achterkant in een notendop de inhoud te lezen. Om zomaar met mijn hand over het boek te gaan, te voelen en te ruiken. Het ruikt heerlijk in boekwinkels. De geur van papier en van inkt. De verschillende kaften, de kleuren, de foto’s. Er heerst een soort van serene stilte in boekwinkels. Anders dan in bibliotheken waar het ook vol staat met boeken, maar waar het anders is. De sfeer is anders. Ik hou van boekwinkels.
Als ik naar al die boeken kijk merk ik ineens dat ik op zoek ben naar jouw boek. Ongemerkt zoeken mijn ogen naar de kaft en de titel. Maar het ligt er niet. Het zou er wel moeten liggen maar het ligt er niet. Dat kan ook niet want jouw boek is nog niet af. Het is nog niet echt een boek in de vorm van pagina’s met een dikke kaft. Je bent nog aan het schrijven maar ik weet nu al dat het er zou moeten liggen. En niet alleen het boek dat nog niet af is. Maar ook de bundel van korte verhalen. Daar heb je geen plannen voor maar het zou er moeten komen. Ik weet ook de titel al en hoe het boek er uit zou zien. Je zou het moeten bundelen en uitgeven. Het zou zoveel mensen kunnen helpen. Je verhalen zijn zo mooi, zo puur. Rauw, teder, gevoelig en gevoelloos. Alles bij elkaar. Het verdient het om daar te liggen. Als erkenning en eerbetoon aan jouw dochter.

Dan zie ik een boekje van Nico Dijkshoorn en weer denk ik aan jou. Als vanzelf pak ik het op en begin te lezen. “Dit wordt gen leuk brief. Ik ga je vriendschap opzeggen” lees ik de eerste zin. Dat slaat zeker niet op jouw. Jouw vriendschap wil ik niet kwijt. Die is nog maar net begonnen en duurt tegelijk al een nieuw leven lang. Ik blader verder door het boek en lees fragmenten. De manier van schrijven raakt me. Dan besluit ik het boek te kopen als kerstcadeautje voor jou. Niet dat ik je zie met kerst maar toch. Je had het laatst over een boek van Dijkshoorn. Niet dit boek maar ook dit boekje moet je lezen. Zo simpel is het. Jouw manier van schrijven lijkt wel op die van Dijkshoorn of die van Dijkshoorn die van jouw. Ik vermoed het eerste want Dijkshoorn was eerder. Zo simpel is het.  Al in de boekwinkel weet ik dat ik het ook wil lezen. De komende dagen zie ik je nog niet dus kan ik het best even doorlezen besluit ik. Dat vindt Nico vast niet erg. Die is niet zo moeilijk volgens mij. Behalve misschien voor zich zelf. Dat wel vermoed ik zo als ik hem zie en zijn verhalen lees. Misschien zit het wel in de naam.
Als ik de boekwinkel uit loop, kijk ik nog een keer achterom. Het moet er komen. Een van de dingen die moeten in het leven. In dit geval in jouw leven. Je moet verder schrijven. Het is jouw droom en het past bij je. Jij hoort te schrijven. Je bent een soort van Dijkshoorn. Lezend Nederland zit op jou te wachten dat weet ik zeker. Zo simpel is dat gewoon. Dat voel ik. En als je dan toch bezig bent. Bundel dan gelijk even je columns aan en over haar. Zoek de mooiste foto voor de omslag en laat de wereld zien wie je bent. Een schrijver, een papa en vooral een geweldig mooi mens.
Merry Christmas lieverd.


 

 

maandag 24 december 2012

Lieve Kerstman,


“Een rugzakje. Wat een onzin “ zegt ze. “Levenservaring, dat is gewoon levenservaring. En wat had je dan gedacht, dat ik 57 geworden ben zonder?” Ze schudt meewarig haar hoofd. “Wat denken ze wel niet”.
We staan in een winkeltje in de stad die ik het meest liefheb. Vaak heb ik er al gelopen, de pleintjes, de terrasjes, de sfeer. Ik kan er gewoon niets aan doen, in mijn hart blijf ik een Brabander en deze stad, ook al kom ik er niet vandaan en heb ik er nooit gewoond, heeft toch wel een speciaal plekje in mijn hart. De vrouw achter de toonbank zit vol energie en straalt het uit. Wat een geweldig mens. Al snel raken we in een gesprek dat veel verder gaat dan de spullen uit haar winkel. Ze is gescheiden en haar kinderen zijn al bijna het huis uit. Eigenlijk komt ze uit het Noorden en dat maakt ons verhaal wel bijzonder. “Ik zit toch niet te wachten op zo’n oude vent” zegt ze. “Ik wil lol hebben, achter de geraniums kan altijd nog”. Ze ziet er jaren jonger uit en ik kan me voorstellen dat de mannen die met haar daten zich het apezuur schrikken als ze horen hoe oud ze is. “En leeftijd maakt toch ook niet uit” zegt ze “wat is nou leeftijd, het gaat er om hoe ik me voel”. En gelijk heeft ze.
Als ik later samen met een vriendin over de markt slenter en bij een kraampje naar een dekbedovertrek staar, vraagt knappe en erg jonge man welke maat ik zoek. Ik stamel dat ik dat dus niet weet. Elke keer neem ik me voor om even te kijken welke ik nou precies hebben moet, maar dat ben ik dan al weer vergeten als ik thuis kom. Dan grijnst hij van oor tot oor en zegt: “dat is toch geen probleem, dan kom ik het wel even opmeten”. Even weet ik niet of ik het goed hoor en kijk hulp zoekend naar mijn vriendin. Ik voel het rood op mijn wangen komen maar zeg nog wel dapper dat dat een goed plan is. Jammer genoeg ben ik dan weer niet zo stoer om heel ad rem mijn telefoonnummer of adres achter te laten.

Ineens, ik weet niet eens waarom, denk ik weer aan haar woorden. “Wat rugzakje, levenservaring!” Maar ik weet niet meer of ik het nog wel aandurf. Mannen met levenservaring. En op mannen zonder zit ik al helemaal niet te wachten. “Ach het is dat ze zo gezellig staan op de bank” zei ik altijd stoer. Maar nu is de bank leeg. Dat is handig hoor en vaak genoeg is de bank gevuld met vrienden en kinderen, daar ligt het dus allemaal niet aan.
Maar dan kijk ik in de meest mooie ogen die ik ooit gezien heb. Mijn adem stokt in mijn keel. De ogen kijken me lachend maar ook een tikkeltje uitdagend aan. Daaronder een prachtig gevormde mond die in een stralende lach prachtige tanden laat zien. Ze kloppen bij elkaar, die mond en die ogen. Zijn hele gezicht lacht mee. De rimpeltjes laten zien dat hij geniet van het leven. Zijn haar is kort en grijzend aan de slapen. “Met jou zou ik wel een beschuitje willen eten” zegt iets in mij. “Of een wijntje willen drinken, langs het strand willen wandelen en je uren diep in je ogen willen kijken” Het stemmetje in mijn hoofd die opsomt wat ik nog wel allemaal meer zou willen, roep ik snel tot een halt. Hij ziet er uit als een filmster. Ik kan me bijna niet voorstellen dat deze man gewoon hier in Nederland rond loopt. Maar dan fluistert het duiveltje “dat weet je ook helemaal niet” en met een dreun kom ik weer met twee benen op de grond terecht. Nee, dat weet ik inderdaad niet. Want ik kijk in de ogen van een foto. En dat is maar goed ook. Want even ben ik al mijn tekst kwijt. Zou het dan toch kunnen…. “ Lieve Kerstman, mag ik deze man van u voor kerst?

 

zondag 23 december 2012

Kerstkaart in mei


De boom, de lichtjes
kaarsjes, de ster
en een kaartje voor kerst
van dichtbij of van ver

Maar waarom eigenlijk
alleen rond deze tijd
want lieve gelukwensen
wil je toch altijd wel kwijt

Waarom alleen met kerst
een kaartje voor een vriend
die het eigenlijk wel vaker
dan één keer per jaar verdient

Dus zullen we afspreken
dat 2013 twaalf maanden duurt
en dat jij niet alleen in december
je vrienden een kaartje stuurt

Dat jij je vrienden,
degene van wie je meer of minder houdt
ook in andere maanden
zomaar een kaartje toevertrouwd

Want dan pas laat je zien
dat niet gaat om de trend
maar dat je degene waardeert
omdat je hem echt kent

Een brievenbus vol

Verhuizen is ingrijpend. En schijnt voor stress te zorgen. Maar met een checklist kom je volgens de diverse sites een heel eind. Maar wat nou als je negen weken hebt om een huis te vinden en te verhuizen. Slik. Inderdaad…… dan loopt ineens alles niet meer volgens plan.

Ik open een site en lees “twee tot drie maanden voor de verhuizing”. Dat is 8 tot 12 weken en die heb ik niet. Ik lees verder naar “6 weken voor de verhuizing” en weer scrol ik maar verder. Eigenlijk kan ik de halve lijst al afhandelen maar ook weer niet. Want voor bijna alles is het nodig dat je weet waar je gaat wonen en dat weet ik nou precies dus nog niet.
Ik besluit alle lijsten voorlopig maar los te laten en stort me op het zoeken naar een huis. Ik google en schrijf me overal op in. Ondertussen probeer ik mijn hoofd omhoog te houden en zeg stellig tegen de kinderen dat het allemaal best mee valt. “Maak je maar geen zorgen hoor, negen weken is hartstikke lang” komt er zelfs overtuigend uit mijn mond. En jee wat ben ik sterk ineens. Maar zoals zoveel, is ook dat uiterlijke schijn. Bij de woningbouwvereniging sta ik al lang op de lijst maar verder dan één beschikbaar huis dat misschien zou kunnen kom ik die week niet. Nu is één huis genoeg hoor, begrijp me goed, maar ik schijn niet de enige te zijn die op zoek is. En om daar nu met 217 gezinnen te gaan wonen is misschien een beetje veel. Ik struin verder op internet en besluit mijn netwerk in te schakelen. Want “hoe meer ziel hoe meer vreugd” en “je weet nooit hoe een koe een haas vangt”.

Mijn steun en toeverlaat als het om netwerken gaat, reageert direct en via hem heb ik acuut een telefoonnummer van een leuke makelaar te pakken. Deze lijkt niet eens verwonderd als ik bel en dus verdenk ik vriendlief er van dat er ingefluisterd is. Heerlijk mensen die meedenken met je. Nog enthousiaster wordt ik als de leuke makelaar binnen een half uur terugbelt en ik nota bene op mijn verjaardag een bezichtiging heb. “Een huis voor mijn verjaardag” wordt het niet. Ik heb volgens mij niet heel veel noten op mijn zang maar daar moet ik wel heel veel stapelbedden kwijt wil ik het hele spul onder brengen of ik moet de vlizotrap standaard naar beneden laten. Daarbij twijfel ik over een kantoor in de trapkast. Maar ja negen weken…. Bijna zeg ik ja. Uit nood. Dan blijkt dat ik er nog wel even over kan denken, de verkoper wil in principe liever niet verhuren. En ik zoek verder…
De koe en de haas komen ineens ook om de hoek kijken want wat schets mijn verbazing…. mijn trouwste lezers verwijzen me via via, en een week later heb ik een getekende huurovereenkomst. Een last valt van mij af. Maar dan krijg ik de sleutel en merk ik dat het er net even anders uitziet dan de aardige volgens mij uit Amsterdam afkomstige eigenaar schetste. Thuis komt alle stress eruit en ik jank mijn ogen bijna uit mijn hoofd. Ik zie het even niet meer. Hoe krijg ik dat ooit goed? Ik heb één week en het “nieuwe huis” (dat ouder is dan het oude huis maar dat terzijde) ziet er niet uit. De muren zijn nicotinebruin en alles is vet. De week die ik had om in te pakken en nog een wandje te behangen, wordt gevuld met schoonmaken, witten, schrobben, ontvetten, ontnicotine-en ontgelen en zo meer. Elke dag zijn er lieve vrienden in de weer en ik ben dankbaar en probeer vooral te overleven. Maar zo gauw iemand iets aardigs zegt, komen de tranen. 

Ondertussen zijn we al weer twee weken verder. Het begint langzaam te wennen, maar uiteraard voor mijn gevoel niet snel genoeg. Dan bedenk ik me vandaag dat ik de brievenbus in het oude huis nog even moet legen. Daar merk ik dat het huis leeg is, leeg niet alleen in de zin van meubels maar leeg omdat ik besef dat ik er niet meer woon. Het tegendeel is de brievenbus. Die is vol, overvol. Vooral met folders en nutteloze informatie want de lieve kerstkaarten en welkom in het huis kaarten liggen elke dag in de nieuwe brievenbus. Ik doe de deur op slot en draai het slot tegen mijn gewoonte in nog een keer rond. Dan stap ik in de auto en rij naar huis.

 

zaterdag 22 december 2012

Het heen en weer

Het is nog licht als ik vertrek maar dat is anders als ik weer thuis kom. De kilometerteller staat ineens veel hoger en de benzinemeter geeft duidelijk lager aan. Verder dan “ons dorp” ben ik niet gekomen. Niet eens even er uit, niet eens even over de grens.

“Ik wil zo’n bordje taxi” opper ik nog als ik voor de derde keer in stap en start. “Dat is een heel gedoe hoor mam” wordt me fijntjes verteld. “Dan moet je ook vergunningen en zo en een rittenteller.” Dat laatste lijkt me wel wat en dat deel ik ook mee. Hij kijkt me schuldig aan. “Sorry”  zegt hij. “Nee joh” zeg ik “jij kunt er niks aan doen” maar helemaal blij komt het er toch niet uit.
Het is zo’n dag dat ik het niet eens echt druk heb. Alleen even in avond de kinderen wegbrengen. Rond drie uur begin ik te vertellen dat ik echt om half vier vertrek. Dochterlief moet mee en voor die eens klaar is. Daarbij is het kerstviering op school dus moet er getut worden. Kersteten moet er meegenomen worden en ook een bord, bestek, beker en een kerstservet. Behendig prop ik alles in een tas en check of ik zelf alle papieren heb voor de afspraak die eerst even moet. Dan rijden we naar het centrum. Mijn afspraak is zo geregeld en we lopen nog even de boekwinkel binnen. Ik ben verslaafd aan boekwinkels. Uren kan ik daar blijven. Het liefst een dag en dan nog liever in zo’n oud boekenwinkeltje ergens in een godverlaten dorp. Misschien moet ik eens een boekenreis maken. Van boekwinkel naar boekwinkel reizen en me helemaal te barsten lezen. Vandaag kan dat niet. Vandaag stopt het boekengevoel bij een te dik uitgevallen tijdschrift met een dikke kaft. Bijna een boek zeg maar. Het verschil is tegenwoordig maar klein. Want een bundel korte verhalen heet tegenwoordig ook een boek. Dat is mooi voor mij want de kans dat ik een boek ga uitbrengen is hiermee vergroot.

Eenmaal terug in de auto besluiten we rechtstreeks door te gaan naar school. Terug naar huis heeft geen enkele zin. Ik verheug me al op samen het blad doorkijken in de auto om de tijd te doden maar zover zal het niet komen. Als we amper de parkeerplaats opgedraaid zijn, zie ik dat zoonlief me maar liefst zeven keer gebeld heeft. Opnemen als ik terugbel doet hij uiteraard niet. Dat is niet cool, dat hoort niet. Toch is de nood hoog want even later belt hij nog een keer. Of zijn zus misschien zijn fietssleutel nog heeft. Nou ja niet zijn fietssleutel maar de mijne. Zijn fiets is namelijk gesneuveld en als moeder lever je dan braaf je fiets in. Ik geloof niet dat ik die nog ooit terug ga zien en dan in elk geval niet heel. De dame naast mij in de auto kijkt ineens heel schuldig en dus weet ik gelijk dat de sleutel nog in haar zakken zit. “En nu?” vraag ik nog naïef. Hij legt me uit dat hij de fiets van zijn broer mee heeft maar die is stuk en dus komt hij niet echt vooruit en om vijf uur moet hij werken. Snel besluit ik dochterlief bij haar meester neer te zetten en binnen een paar minuten rij ik al weer huiswaarts zoonlief op te halen en te brengen. Onderweg vraag ik me af wanneer ik moet koken en eten. Gezien de nog in huis verkerende zoon zijn telefoon niet opneemt, besluit ik het maar te nemen zoals het gaat. Ik zet de oudste af en draai weer om.
Zo’n vijfendertig minuten later zit ik alweer in de auto en haal hem van zijn werk, drop de andere bij sport en haal dochterlief weer op. Er is gekookt en gegeten. Thuis warm ik nog wat op voor de harde werker en was de rest van de vaat af. Koffie hoef ik niet te zetten want aan opdrinken kom ik toch niet toe.
Dan stap ik maar weer in en haal het laatste kind op bij sport om hem weer veilig naar huis te brengen. Inmiddels ben ik vijf uur verder. Verder dan “ons dorp” ben ik niet gekomen. Niet eens heel even over de grens.

vrijdag 21 december 2012

Donkere dagen voor kerst

Ze zit aan tafel met een breiwerkje. Alleen aan tafel. Vorig jaar zat hij nog tegenover haar. Maar hij is een paar maanden geleden overleden. Ze mist hem. Elke dag. Maar deze dagen nog maar dan anders.

De kerstboom heeft ze wel opgezet. Maar lol had ze er niet in. Ze miste het gemopper van hem over de lichtjes. Nu deed ze de lichtjes zelf in de boom en ook de ballen, de pegels en de engeltjes. Bij elk engeltje moest ze aan hem denken. Elk jaar kocht hij een nieuw engeltje voor haar. Hoe dat ooit begonnen was wist ze niet meer. Als vanzelf was het een traditie geworden. De avond voor kerst als ze terugkwamen van de nachtmis gaf hij haar een zoen en een klein pakketje met daarin een engeltje. Omdat je mijn engeltje bent zei hij dan. Nu pinkt ze haar tranen weg. Het is bijna kerstavond.
Zo’n honderd kilometer verderop zit een man. Hij houdt niet van kerst. Al jaren niet meer. Vorig jaar was kerst verschrikkelijk maar toen was hij nog niet alleen. Tenminste niet echt. Diep in zijn hart misschien wel. Hij had iets gedaan wat niet kon. Wat men afkeurt. Maar dingen doe je niet zomaar. Hij was niet gelukkig, het leven bracht niet wat hij zo vurig wenste en eigenlijk moest er iets gebeuren. Maar hij worstelde met zijn geweten, zijn verlangen, zijn eigen ik. De wens bleef.  En even leek het nieuwe jaar het hem te brengen. Maar nu is het weer bijna kerst. Er lijkt een leven voorbij te zijn gegaan in dat jaar. Opnieuw is hij alleen. Nu echt alleen, hij heeft veel verloren. Maar misschien wel niet zo alleen als een jaar geleden.
Heel veel kilometers verder loopt een meisje met een baby in haar armen. Aan haar hand loopt een klein jongetje. Er is geen kerst. Geen kerstgevoel. Er is oorlog en de vader van haar kinderen is weg. Ze weet niet eens of hij nog leeft. Eten heeft ze nauwelijks. Het jongetje knijpt zijn kleine handje nog vaster in die van haar. Hij is haar houvast. Zijn grote ogen kijken bang de wereld in maar als hij haar aankijkt lacht hij vol vertrouwen. Uit haar zakken pakt ze een soort van koek en geeft het hem. Ze weet niet wanneer ze weer eten zal hebben maar ze houdt van hem. Hij en de baby zijn alles wat ze nog heeft.
Oorlog stopt niet met kerst. Honger, pijn en verdriet ook niet. Ze zijn hooguit nog schrijnender rond deze dagen. De winkels glitteren en glimmen van geluk. Zoveel geluk dat je er bang voor wordt. De posters in bushokjes stralen ook al zo net als de reclames op tv. Ze laten je bijna geloven dat je geluk kunt kopen. Dat alles goed en fijn is in december. Maar het aantal vermissingen en zelfmoord is het hoogst in december. De donkere dagen laten ze de mensen die verloren hebben, hun verlies nog harder voelen. Velen zitten alleen. De december maand is de maand van familiegeluk maar wat als je dat niet hebt?

De vrouw gaat naar haar zoon de eerste kerstdag en de tweede dag naar haar dochter. Maar het gemis blijft en niemand weet hoe ze op ziet tegen kerstavond. De eerste avond zonder een nieuw engeltje. De man gaat naar zijn familie maar kijkt waarschijnlijk vaak op zijn telefoon naar de foto naar zijn engeltje dat altijd bij hem is. En het meisje…. Het meisje weet niet van kerst maar drukt haar engeltjes dicht tegen zich aan en slaat haar ogen naar de hemel en bid dat er morgen weer eten is.

donderdag 20 december 2012

Trouwen

“Als we in 2020 nog alleen zijn, wil je dan met me trouwen?” vraagt hij ineens. Tweeduizendtwintig, dat is nog 7 jaar. Ik reken uit hoe oud ik dan ben en zeg het hardop. Hij telt er nog eens een paar jaar bij op en kijkt me breed glimlachend aan. “Dus……  wil je dan met me trouwen?” herhaalt hij nog een keer. “Ja” zeg ik plechtig. “Mooi dat is dan afgesproken” antwoord hij.

We zitten op de bank met een glas rode wijn. Nou ja, we liggen meer. Onze schoenen zijn uitgegooid en er prijken grote zachte kussens in mijn rug. Heerlijk onderuit. Ik op de ene bank, hij op de andere. Eigenlijk was ik moe maar op de terugweg ben ik toch maar bij hem gestopt. Even niks, geen gezeur maar ook niet alleen zijn. Even gewoon gezellig kletsen en alle stress van me afzetten. We luisteren muziek en bespreken ons dagelijkse leven met elkaar. We praten over de kinderen, muziek, recepten, sport, werk. Maar ook over onze relaties. Hij is in korte tijd een van mijn beste vrienden geworden. De klik was er meteen. Vorige week stuurde hij een app “we hebben geen verkering, maar ik hou wel van je”. En zo is het precies.
Trouwen zullen we nooit. Dat weten we allebei. “Stofzuig je dan voor mij?” vraagt hij. Ik knik. “En dan moet je ook dweilen….. “ Ik lach en zeg “als jij dan de vuilnisbakken buiten zet”.
De volgende dag lig ik nog in bed en als ik me afvraag hoe ik de nieuwe gordijnen op ga hangen. Ik app hem en vraag: “Wil jij mijn gordijnen ophangen? Dan repareer ik jouw truien”. We hebben een deal. Een paar uur later staat hij behendig in mijn plafond te boren. Samenwerken kunnen we wel. Dat wil zeggen, ik geef braaf aan wat hij me vraagt en loop vooral niet in de weg. Het gaat zo vlekkeloos dat hij opmerkt dat het lijkt alsof we al getrouwd zijn. “Mooi niet” zeg ik “eerst nog verkering. Enne het is nog lang geen 2020.
Dan denk ik aan mijn vriendin. “Even he, heeeel even was ik gelukkig” zei ze toen ze binnen kwam “heel even was ik echt gelukkig”. Ik concludeer dat haar relatie over is en zit gelijk midden in de roos. “Waarom is het toch zo verrekte moeilijk?” vraagt ze me. Ik haal mijn schouders op. “Geen idee” antwoord ik en ik weet het ook werkelijk niet. Het schijnt bij steeds minder mensen vlekkeloos te lopen, zo’n 2e of 3e relatie. “Ik dacht echt dat dit een kans zou hebben” ze kijkt voor zich uit. Ik denk aan vorige week toen ik een andere vriendin ging ophalen. “Sorry hoor” zei die terwijl ze naar haar telefoon greep. “Ik doe vandaag aan relatietherapie” lachte ze terwijl ze een bericht intypte. Aan het einde van de middag melde ze dat ze weer bij elkaar waren maar haar gezicht sprak boekdelen. “Voor hoelang…. ?”  was de vraag. Een zakenrelatie van me deed een week daarvoor precies hetzelfde. Een vriend van haar zat midden in een scheiding. Maar dat kwam niet meer goed. “Liefde is als dominostenen” zette mijn zoon op twitter. Je valt op iemand en die valt dan weer op een ander. Ik moest er wel om lachen maar er zeker een kern van waarheid in.  
Gisteren las ik ergens op een dag van mijn 365 dagen flow kalender “Op een dag loopt er iemand je leven in en dan realiseer je je waarom het met iemand anders nooit gewerkt heeft”. Ik vertel de stelling aan mijn vriendin.  Ze lacht. “Zou het?  Zegt ze en kijkt nadenkend. Ik haal mijn schouders op. Dan begint ze te giechelen.  “Ik zie het al helemaal voor me” zegt ze. Op een dag komt de ware mijn leven binnenlopen en zegt: “Zat je al lang te wachten”. “Nee hoor, pas een jaar of 10!”.

 

woensdag 19 december 2012

Slow writing

“Je hebt niets laten horen” zegt ze tegen hem. Ik zie hem kijken. Zijn ogen lijken “hoezo, moet dat dan?” te zeggen. “Maar je was wel online” zegt ze nog. Ze zitten in de trein. Geërgerd draait hij zich van haar af en pakt zijn telefoon. Haar stemming wordt er niet beter op en de zijne ook niet.

Ooit zat ik in de trein met een nichtje. Ik was een jaar of 15 misschien 16. Schuin tegenover me zat een lange slanke knappe jongen met donker haar. Hij lachte naar mij. Verlegen lachte ik terug. Hij vroeg waar we heen gingen. Onze reis ging naar Middelburg. Een station voor ons stapte hij uit maar wel met mijn adres op zak. Een week later kreeg ik de meest fantastische brief van hem. Prachtig was dat. Een week lang dacht ik aan hem en voelde me vereerd. Nu worden er in de trein 06 nummers uitgewisseld en gaan we per sms door het leven. En als je een berichtje stuurt wil je er graag direct een terug. Met What’s app is het nog een stapje erger. Dan zie je zelfs of de ander ondertussen al online is geweest en jouw bericht gelezen heeft. De twijfel slaat toe als er dan geen bericht terug komt. Want waarom niet?
De druk is groot. En elke dag wordt de druk groter. Nog meer manieren om elkaar te volgen. Nog meer manieren om te zien wat een ander doet en hoe een ander het heeft en met wie hij contact heeft. Afspreken hoeft niet meer. Foto’s zetten we online. We houden een schijnwereld hoog. Gesprekken, echte gesprekken voeren we niet meer. En we zijn vooral met de schone schijn bezig. We moeten voldoen aan de standaard. Ook in het zakenleven is de druk hoog. Vroeg je lang geleden een offerte op, dan duurde het even voor je die ook daadwerkelijk in huis had. Ook de verkoper had na het verzenden nog even de tijd en kon door met andere werkzaamheden. Nu verwacht je na je telefoontje binnen een half uur de offerte in je e-mailbox en weet de verkoper dat de deal verloren is als de getekende opdracht niet linearecta retour komt. De wereld is snel, zoveel sneller dan een paar jaar geleden. Alles moet snel, sneller. De druk wordt opgevoerd. Presteren moet je, en snel een beetje.
Als ik thuis kom ligt er een kaartje in de bus. Een kaartje met een hartje er op. Ze weet dat ik gek ben op hartjes en heeft deze kaart zorgvuldig voor mij uitgezocht. Zo ook met mijn verjaardag en een paar dagen nadat ik de sleutel kreeg. Ik ben gek op kaartjes. En haar kaartje tovert een lach op mijn gezicht. “Wat lief” denk ik. En even voel ik me heel speciaal. Niet voor niets melde ik mij aan bij Postcrossing en nu ontvang ik kaartjes van allerhande plaatsen op de wereld. Kleine cadeautjes  zijn dat. Zo ook dit kaartje van haar.
Romantisch verlang ik terug naar de brieven. Met de hand geschreven brieven met echt gevoel. Ik neem me voor een paar mensen te selecteren en in de kerstvakantie een handgeschreven brief te schrijven. Gewoon om het gevoel van het schrijven en het gevoel van het krijgen. De ander laten weten dat ze speciaal zijn voor je. Dan kijk ik naar de kerstkaart met het hartje. Ik moet ook nog kerstkaarten schrijven. Vroeger schreef ik veel kaarten maar met de jaren is het kaarten schrijven verloren geraakt. Ik pak de doos met kerstkaarten en selecteer alvast de mooiste en leg ze op een stapel op de hoek van de tafel. Morgen ga ik ze schrijven. Niet omdat het moet maar omdat ik een handje vol mensen wil laten weten dat ik om ze geef. Echt om ze geef.
En dan neem ik een besluit. Vandaag voer ik een nieuwe trend in. Niet het “slow cooking” maar “slow writing”. Niet een snelle e-mail maar echte brieven. Morgen koop ik met zorg mooie postzegels en voor kerst geef ik mezelf mooi briefpapier cadeau. En stiekem hoop ik dat ik ook een brief terug krijg. Nog mooier zou zijn als ik een trend kan zetten. Dat we naast de e-mails, smsjes, appjes en andere snelle communicatie weer de tijd nemen om af en toe eens te gaan zitten en elkaar een brief of kaart te schrijven. Dat de jeugd over een paar jaar weer liefdesbrieven schrijft. En dat ouderen die niet bij elkaar om de hoek wonen elkaar op de hoogte houden van het dagelijkse leven per brief. Niet omdat het moet maar gewoon omdat het zo leuk is.  

 

 

dinsdag 18 december 2012

De psycholoog

Als ik door het raam kijk, zie ik haar met een wit papieren zakdoekje haar tranen wegvegen. Ze kijkt wazig voor zich uit. Niet eens naar de man tegenover haar maar starend, dromerig naar de muur erachter. Je ziet de gedachten door haar hoofd gaan. Niet gestructureerd maar alles door elkaar. Eén grote brei is het en ze kan het niet meer ordenen. Het is op. Ze is moe gestreden. Er zijn enkel nog haar tranen. Het is maar een enkele blik die ik per ongeluk mee krijg tussen de opengevallen lamellen. Maar die ene blik is genoeg.

Eens zat ik ook tegenover een psycholoog. Geen man maar een vrouw. Ze vroeg me waarvoor ik kwam en zo goed als het kon vertelde ik mijn verhaal. Af en toe vroeg ze wat of zei wat. Maar het voegde weinig toe. Dat wat ze zei wist ik al lang. Maar toch moest ik het van haar horen. Dat zij me vertelde dat ik het goed deed. Gewoon even horen dat het goed is wat ik doe. En niet dat niemand me dat verteld maar ik moest het van haar horen. Ik snakte er naar het te horen. “Je trekt het aan he” zei ze. Ik keek haar vragend aan. Even wilde ik het weerleggen. Hem verdedigen. Ze zei nog net niet “je valt op de verkeerde mannen”, maar ze bedoelde het wel. Zo’n ontzettend verkeerde uitspraak. “Foute mannen”. Wat nou foutverkeerd. Misschien de combinatie niet of misschien wel de “verkeerde of foute vrouw”. Maar gelukkig zei ze het niet. Daardoor bleef het hangen. Het hing stil in de lucht.  En ik? Ik was stil. Ik wist het even niet.
Nog veel langer geleden, ooit in een ander leven zo lijkt het, zat ik tegen over iemand die me vertelde dat ik niet aan de eisen hoefde te voldoen. Dat leek onmogelijk. Al mijn hele leven voldeed ik aan de eisen. Ik was zelfs een rustige puber. Ik kon me altijd inleven in de ander en ik wilde vooral tegemoet komen. Voldoen aan de eisen die ze aan mij stelden. Toen ik de deur uitliep kreeg ik een opdracht. Te laat komen. Ik heb er een week over gedaan. En heel wat getwijfeld maar op de dag suprême kwam ik keurig te laat. Niet heel erg veel maar wel te laat. Maar de opdracht kon ik niet volbrengen. Want als me gezegd zou worden dat ik te laat was moest ik antwoorden: “Ik ben er toch”. Maar niemand vroeg me wat. Het maakte niet eens uit. Zoveel twijfel, zoveel moeite en niemand had het door.
Eerlijk gezegd heb ik liever andere “eerstelijns hulp gesprekken” zoals de gesprekken met mijn vriendin. Lekker ongezouten haar mening horen. De vragen waardoor ik nadenk. En iemand die me kent. Die me snapt. Die ook midden in het leven staat. Die weet wat het is. Die na een “sessie” bedankt zegt. Omdat haar vragen aan mij haar zelf aan het nadenken zetten. Of de gesprekken met een vriend die hard kan zeggen wat hij denkt. Hij mag dat. Van een ander pik ik dat niet maar van hem wel. Hij is geen haar beter dan ik. Misschien nog wel wat erger. Of een avond doorzakken en de volgende dag de consequenties dan maar nemen.
Dan denk ik aan de vrouw daar in die kamer. Zou het beter met haar gaan na het gesprek. Kan hij haar helpen? Is het haar jeugd, haar verleden? Wat maakt haar zo verdrietig. Maakt ze zich zorgen en zijn die zorgen om zich zelf of om geliefden? Heeft ze een moeilijke relatie, is haar man gestorven of is haar kind ongelukkig. Ondanks haar verdriet is ze mooi. Ze ziet er breekbaar en toch sterk uit. Zou ze terug gaan? Of zou ze haar rug weer rechten en zoals altijd weer de sterke vrouw zijn. Dat doen wat iedereen verwacht. Zou ze haar verdriet nu echt verwerken of weer gaan wegstoppen. Haar tranen laten opdrogen en het verdriet proberen weg te vegen. Wegvegen, droogdeppen met het witte papieren zakdoekje.

iPhone5

Met een ruk draait hij zich om. “Is dat echt? Heb jij een iPhone5?” vraagt hij. Ik knik. Even kijkt hij mijn zoon aan en dan zegt hij: “En ligt die gewoon in de vensterbank?” Ik lach en zeg ja. Zijn ogen rollen bijna uit zijn hoofd.

Zonder telefoon besta je niet. Je hoort een telefoon te hebben en eigenlijk hoor je een iPhone te hebben. Dan hoor je erbij. Zit je in een café dan zie je iedereen met de telefoon in de hand. Praten doe je niet, je kunt sms’en of appen. Loop je in de supermarkt dan is het vrij bijzonder als je mensen kunt aanspreken. Geluid is er genoeg zo om je heen, iedereen is in gesprek. Met een hand duw je het karretje en met de andere druk je de telefoon tegen je oor. Of je loopt standaard met oortjes in. En de jeugd is zo mogelijk nog erger. Op school zie je kinderen van amper 6 of 7 jaar al met een telefoon. Op de middelbare hoor je er niet bij als je als geen Blackberry, iPhone of andere coole smartphone hebt.  
Zonder telefoon ben je een nerd.  Zo erg ben ik niet. Ik heb niet eens een oude Nokia. Nee ik heb een Windows Phone. Dat leek toen een goede keuze maar ik liep ineens zo vooruit dat ik overal buiten viel. Leuke apps waren er genoeg maar niet voor de Windows Phone. Gebruikte iedereen al What’s App, moest ik daar nog driekwart jaar op wachten. En niemand kon me helpen als ik iets niet snapte. De wereld had iPhone of Android. En ik liep niet in de pas. Ik hoorde er niet bij. Nu vind ik dat niet zo erg maar dat gedoe met mijn telefoon kwam me af en toe mijn oren uit. Ondertussen ben ik gewend. En dat is het precies. Eindelijk ben ik gewend en nu krijg ik een iPhone. En nu ben ik te druk. Ik  moet van alles, mijn weken en mijn hoofd zijn te vol en ik wil niet nadenken over gewoon “even bellen”. Ik wil gewoon de telefoon kunnen pakken en kunnen bellen. Ik wil mijn e-mail gewoon binnen krijgen. En ik wil er vooral niet over na hoeven denken. Niet in deze weken. Niet nu. En dus ligt mijn nieuwe iPhone geduldig te wachten in de vensterbank.
Vanaf dat moment beland ik in een wereld vol onbegrip. Het schijnt niet toegestaan te zijn dat je een iPhone hebt en die niet gebruikt. Het schijnt zelfs raar te zijn dat je niet helemaal gek wordt omdat je dan eindelijk die iPhone hebt. Eens dacht ik nog dat ik er niet aan mee zou gaan doen. Maar ja toen belde de provider en ben ik gezwicht. Niet om de iPhone maar wel om de aanbieding. Negen maanden lang onbeperkt bellen en sms’en voor 25 euro per maand. En omdat ik voor mijn werk nogal wat moet bellen, is dat dus een mooie kostenbesparing. En bij die kostenbesparing kreeg ik dus die iPhone5 gratis. Dus voor het geval dat, doe mij die telefoon er maar gewoon bij. Helemaal weggelegd voor mij was het niet. Had ik de iPhone binnen, bleek de simmkaart niet te passen. En toen ik die eenmaal binnen had zat ik zo in de hectiek dat mijn enthousiasme al weer gezakt was. Dus lag de voor velen felbegeerde iPhone5 bij mij gewoon in de vensterbank.
Een paar dagen geleden was dan eindelijk de dag. Waarom? Nou eerlijk gezegd omdat er op de iPhone een grappig spelletje zat. En omdat mijn zoon zo graag mijn telefoon wil hebben. En omdat een vriend van me de druk maar opvoerde dat ik dan de iPhone beter aan de kinderen kon geven. En omdat ik niet zeker wist of ik daar dan weer spijt van zou krijgen. En vooral omdat ik mezelf een muts vind dat ik het niet gewoon uitprobeer. Dus trok ik de stoute schoenen aan en ging aan de slag. En ja hoor, het werkte. De e-mail deed het. Zelfs overzichtelijk alle e-mailadressen bij elkaar. Wat een luxe. What’s app werkt nog mooier dan op mijn oude telefoon. En de prachtigste apps heb ik inmiddels. Zo kan ik zien waar welke sterren er aan de hemel staan. Als ik muziek hoor kan ik kijken welk nummer het is. Zelfs 50 tinten grijs heb ik gewoon op mijn telefoon staan. Alleen bellen…… nee dat niet. Bellen kan ik niet met de iPhone. Dacht ik toch even dat ze daarvoor dat ding uitgevonden hadden.
“Binnen 2 uur zal de code geactiveerd zijn” zegt de mevrouw van KPN. Voor niets zocht ik alle dozen af naar de activeringscode die er volgens anderen echt bijgezeten moest hebben. “Nee hoor, je moet gewoon even bellen of via internet activeren” zegt de KPN mevrouw. Vanavond is het dus zover… en werkt mijn iPhone. Inmiddels ben ik al een beetje gewend maar mis ik ook de leuke foto’s op de voorgrond van mijn WindowsPhone. Vanavond is het  zover en hoor ik officieel bij de eenheidsworst; de grijze komozakken; de gemiddelde Nederlander; de volgers; de mensen zonder identiteit. Vanavond ben ik een iPhone-gebruiker.

 

zondag 16 december 2012

Ziek of ziek?


Mijn hoofd bonkt en mijn lijf doet zeer. En ik ben moe. Man wat ben ik moe. “Iedereen is ziek”, zei gisteren iemand tegen me. Ziek? Ach wat is ziek? Als ik het berichtje lees over de school in Newtown denk ik “dat is pas ziek”.
Eergisteren hield ik het nog op een avond te lang doorzakken na een geweldig concert. Zo’n avond die je eigenlijk niet wil laten eindigen en dus nog maar een glas besteld. Zo’n avond die je in een klein doosje wil doen en voor altijd bewaren. Maar toen kwam de ochtend. De ochtend na een geweldige avond is altijd minder. Minder omdat je moe bent, minder omdat je hoofdpijn hebt, minder omdat je weer afscheid moet nemen, maar vooral minder omdat je weet dat het voorbij is. Die avond is nu een herinnering.
Ik duik mijn bed in en besluit er vooral voorlopig niet uit te komen. Vandaag mag het. Vandaag kan ik wel een dagje ziek zijn. Ik ben alleen thuis en dus mag ik wel ziek zijn. Geen verantwoordelijkheid, niemand waarvoor ik moet zorgen. Dus mag ik vandaag wel een dagje ziek zijn. Niet als ik er lang over nadenk want er is nog altijd het lijstje met dingen die nog gedaan moeten. Voor heel even schuif ik het lijstje opzij en kruip ik diep onder de wol en slaap. Maar al gauw draai ik alleen maar en gaan mijn gedachten weer alle kanten op…. Charmant snuit ik mijn neus in een stuk papier van de enorme rol op mijn nachtkastje en voel me ellendig. De warme douche brengt wat verlichting in mijn hoofd net als de paracetamol.
Dan lees ik de nieuwsberichten en stuit weer op de berichtjes over de schutter. “Wat bezielt mensen om zoiets te doen” denk ik. En met mij, zo te lezen, de rest van de wereld. Iedereen heeft er een mening over. Horen we het nu alleen meer of was het er altijd al? Vergroten we nu alles nog eens extra uit? Of was het vroeger echt beter? We willen zo graag met zijn allen de wereld verbeteren maar ondertussen doen we elkaar allemaal pijn. We verwachten achterlijk veel van ons zelf en van anderen. Alles moet perfect. Je moet en moet en moet. Iedereen is moe. Steeds meer mensen lijken niet gelukkig. En het wordt alsmaar sneller en sneller. Had de schutter daar ook last van? Kon hij het niet meer aan? Was hij boos? Boos op zijn vader en moeder? Of boos op zich zelf? Was hij jaloers? Jaloers op al die kinderen die nog zoveel toekomst hadden. Of wist hij het gewoon niet meer? Was het een schreeuw om aandacht. In elk geval was hij ziek. Ziek in zijn hoofd, maar waardoor?
Kunnen we het nog wel? Gewoon van elkaar houden? Elkaar wat gunnen? Blij zijn voor een ander? Vorig jaar hoorde ik over een prachtig initiatief. Gewoon om eens belangeloos iets voor een ander te doen. Dit jaar hoorde ik hoe de een de ander het licht niet in de ogen gunde en het prachtige initiatief een strijd van mensen onderling geworden was. Ineens ging het niet meer over het initiatief zelf en het zo maar simpel even een ander gelukkig maken, maar over wie de credits zou ontvangen. Boze berichten gingen over internet. Is dat dan waar het om gaat? Moeten mensen elkaar zoveel pijn doen. Oordelen op één dag of één daad? Kunnen we het nog wel, elkaar vergeven. En vooral onszelf vergeven. Hebben we er enig idee van als we de ander zoveel pijn doen? En kunnen we het dan nog echt goed maken en hoe?
Ooit was de schutter in Newton een baby in een wieg. Nog vol van liefde voor zijn vader en zijn moeder. Waar ging het fout? Wat is er in die jaren gebeurd. Wie heeft hem zoveel pijn gedaan dat hij zo kon eindigen? Was het in zijn babytijd? De klap van de scheiding van zijn ouders? Verkeerde vrienden? Werd hij gepest of was het genetisch bepaald? Maar vooral de vraag heeft niemand het zien aankomen. Zag niemand dan zijn verdriet? Of raasden we allemaal voorbij. Op zoek naar ons zelf. Rennend om maar aan alle verplichtingen te voldoen. Kunnen we het nog wel zien? Willen we het wel zien?
Mijn hoofd bonkt en mijn lijf doet zeer. Ik snotter rustig door. Het heerst. Ik hoop dat het snel over gaat. Maar nog meer hoop ik dat de puinhoop die we elkaar aandoen over gaat. Dat dat niet blijft heersen. Dat de wereld tot rust kan komen. Dat we weer oog hebben voor elkaar en dat we met een kopje soep en een dag goed slapen wat meer wonderen kunnen doen.

zaterdag 15 december 2012

Vlucht

Weg van ’t verleden
Ging je op de vlucht
Dook je in mijn armen
Leek je zo opgelucht

Weg van ’t verleden
Kwam ’t verleden toch terug
Keek je in de spiegel
Wist je ’t ging te vlug

Terug in ’t heden
Zie je de toekomst nog niet
Verwerk je stap voor stap
De pijn en het verdriet

Maar op een mooie ochtend
Zal de toekomst voor je staan
En kun je weer
Met je leven verder gaan

donderdag 13 december 2012

De droom


“Wat is jouw droom? “ vraagt de stem van de radio. We zitten in de auto en de jongens hebben direct de wildste dromen. De dromen kun je insturen en een aantal zullen in vervulling gaan. De één wil wel de helft van de aandelen van Apple, de ander vertelt hem fijntjes dat dat misschien iets te hoog gegrepen is en dat één procent ook leuk is. Diverse dromen passeren de revue. En ik?  Ik droom weg. Droom weg in mijn droom.
Als we thuis zijn verdwijnt het even uit mijn hoofd. Er moet van alles. Eten gekookt, zoonlief weg gebracht naar sport en ook het huis is nog elke dag wel een uitdaging. Maar als ik in de avond op de bank zit, komt de actie weer terug in mijn hoofd. Zoals elk mens heb ik genoeg wensen. Grote en kleine wensen. Wensen die ooit nog eens vervuld kunnen worden en wensen om voor altijd van te dromen. Wensen die ik zelf kan vervullen en wensen waar ik eigenlijk de moed niet voor heb. Primair is mijn wens natuurlijk dat mijn kinderen gelukkig en gezond zijn. Maar dat is een wens die niemand mij kan garanderen. Waar ik als moeder mijn best voor kan doen en een aandeel in heb. Maar waarvan de rest toch het lot is en later zal blijken of het ons gegeven is. Dan heb ik nog een wens om ooit parachute te springen. Waarom? Omdat ik vreselijke hoogtevrees heb en daardoor altijd overal vanaf zou willen springen. Niet van ellende omdat ik het niet meer zie zitten maar om te weten of dat kan. Vroeger wilde ik al vanaf mijn balkon dat aan mijn kamer grensde op de coniferenhaag in de tuin springen. En ook als ik bij de zwemlessen van de kinderen op de tribune boven zat, vroeg ik me af of je van daar in het water zou kunnen springen.

Dan heb ik een droom om aan zee te willen wonen. En dat kan natuurlijk gewoon als je de moed maar hebt. Ooit, ooit ga ik dat nog doen. Tenminste dat hou ik mezelf voor. Want wensen en dromen moet je hebben. Zonder dromen kun je niet leven. Dat is alsof alles klaar is en er niets meer te leven is. Dat kan niet, dan leef je niet meer. Tenminste niet echt. Dus heb ik dromen. Net als de droom dat ik later gelukkig oud kan worden met een lieve man aan mijn zijde die zielsveel van mij houdt. Dat ik gezegend wordt met kleinkinderen (in een droom mag dat) die mij de liefste oma van de wereld vinden. En dat “opa” me dan nog steeds aantrekkelijk vindt. Dromen heb je nodig. Nodig om vooruit te kunnen blijven kijken, om door te gaan met je leven. Maar er zijn dromen en dromen.
Dan besluit ik het gewoon te doen. Ik doe het. Ik ga het gewoon doen. Ik zoek de site op en type mijn droom in. Even staat ik naar het scherm. Ja dat is het, dat is mijn droom. Eigenlijk al heel lang maar de laatste tijd wel heel  erg hevig. Daar verlang ik naar. Als dat toch eens waar zou kunnen zijn. De droom die ik voor een deel zelf waar kan maken maar waarvoor ik toch echt wel een lot in de loterij nodig heb. Of de mededeling dat ik ergens een hele rijke suikeroom had met mij in zijn testament. Dat laatste laat ik maar gelijk varen. Niks suikeroom, niet eens een oom meer. Mijn vader spaarde geen treintjes dus ook daarop hoef ik niet te hopen. Iemand in het hierboven heeft beslist dat ik het echt zelf moet doen. Van A tot Z. Ik lees mijn droom nog een keer door. Gek om het zomaar te zien staan. Daarna vul ik een klein lijstje in met namen waarvan ik later besef dat zij degene zijn die mede mijn lot in handen houden. Want als je droom uitgekozen wordt, wordt je naam genoemd op de radio en heb je een half uur om te bellen. Laat ik nou net een lijstje hebben die waarschijnlijk op de meeste tijdstippen niet eens de radio aan hebben staan.

“He mam, je hebt het gedaan he” roept de oudste als hij uit school komt. Ik kijk hem even vragend aan. “Je droom….” Ik knik. “Ja ik heb het gedaan” denk ik dan….. en ik ga geloof ik 24 uur per dag radio luisteren. Zou het mogen… Zou het kunnen ….. zou zou zou 2013 beginnen als een droom. Zou het waar kunnen worden, mijn droom. Een jaar lang schrijven. Gewoon hele dagen mogen schrijven zonder me zorgen te maken over inkomsten. Een jaar lang de kans om mijn hart te volgen te schrijven en het waar te maken………. Of blijft het voor altijd een droom?

woensdag 12 december 2012

't Huis

Het huis is nog leeg
Niet met spullen, nee dat niet
Maar wel qua “ons verhaal”
Want dat is er nog niet

Het huis is ook zo vol
Vol met spullen en met dozen
En met een ander verleden
Dat ik zo graag wil lozen
 
Er hangt hier nog van alles
Maar met elke doos die ik leeg
Is het alsof ik iets van dat verleden
de kamer uitveeg

Het huis moet nog wennen
Past nog niet helemaal
Maar met elke dag
Komt er een zin bij in “ons verhaal”

Het huis is nog maar een huis
Ik mis in het woord nog de “t”
Dus steek ik de haard, wierook en een kaarsje aan
En misschien valt het dan wel mee
 

 

woensdag 5 december 2012

"Zwarte?" Pieten

“Weet je mama,” zegt mijn dochter terwijl ze bij mij in bad zit, “zwarte pieten, die zijn eigenlijk helemaal niet zwart.” “Dat weet ik” antwoord ik. Ze kijkt me verbaasd aan.  “Weet je ook wie die Pieten zo zwart maakt?” vraag ik op mijn beurt. Ze schud haar hoofd en kijkt met grote vragende ogen naar mij. “Ik” zeg ik zonder blikken of blozen. Haar ogen worden nog groter. “Echt?” zegt ze. “Ja echt!” knik ik. “En weet Sinterklaas dat ook?” vraagt ze dan.

Heel even dacht ik dat ook mijn jongste nu het tijdperk van geloven voorbij was. Maar het simpele “en weet Sinterklaas dat ook?” weerhoud me ervan om verdere uitleg te geven. “Yes, nog één jaar” denk ik, “nog één jaar genieten van een gelovig kind in huis.“ Ik pak de shampoo en draai behendig het onderwerp op krullen, haren wassen en zeepbellen. Gretig pakt ze het op en we spetteren verder. “De komende weken,“ besluit ik, zuig ik alle momenten in mij op.”
Al sinds jaren ben ik volgens mijn kinderen erg goed bevriend met Sinterklaas. Als hij op school komt moet mama altijd erg vroeg weg om Sinterklaas te helpen aankleden. Ook belt hij regelmatig als de Pieten weer eens iets raars gedaan hebben. Zo staat het kantoortje vol met cadeautjes omdat de Pieten weer eens geen pakhuis geregeld hadden voor de cadeautjes van onze judovereniging. En als Sinterklaas het schoolplein op komt, loop ik altijd bij hem, help hem met zijn staf en mijter en vraagt hij bij alles raad aan mij. Mijn kinderen vinden het prachtig en glimmen van oor tot oor. Dat is dus mooi hun mama daar he, naast Sinterklaas. Mijn jongste dochter vraagt dan ook regelmatig of zij later als ze groot is dat ook mag, in de ochtend Sinterklaas gaan aankleden.
Jaren geleden kwam ik met mijn kinderen in een nieuwe situatie; een nieuw samengesteld gezin. De oudste twee "nieuwe" kinderen waren bijna 10 jaar en geloofden niet meer. Op school deden zij aan surprise. Enthousiast vertelde ze tussen de middag aan tafel over de lootjes en wie ze hadden. De andere kinderen keken mij vragend aan. Spontaan kwam de uitleg dat Sinterklaas het zo druk heeft dat hij meestal regelt dat oudere kinderen op school hem helpen door voor elkaar surprises te maken, over mijn lippen. “Wat een goed plan van Sinterklaas” vond mijn zoon van toen 7 jaar oud. “Kunnen we dat thuis ook doen mam?” En zo vierden we vanaf het eerste jaar Sinterklaas met surprises en een zak cadeautjes aan de voordeur. Dat eerste jaar kon de jongste van amper 2 nog geen surprise maken maar vanaf dat ze 3 was, deed ze op haar manier al mee. Elk jaar ging er een kind over van de groep “gelovige” naar de groep “wij spelen het spelletje wel mee”. Wekenlang was er geheimzinnigheid in huis, waren deuren van kamers gesloten en prijkte overal briefjes “eerst kloppen!” Op de avond zelf moeten ze standaard van ons met zijn allen de hond uitlaten zodat wij de cadeautjes klaar konden zetten.  MIsschien was dat nog wel het spannendste deel.
Zo ook op de avond na haar vraag in bad. Op het aanrecht staat allerlei lekkers klaar en de sinterklaas muziek galmt door de kamer. Er zijn weer geweldige surprise gemaakt. De zak met overige cadeautjes staat al klaar, alleen weten de kinderen nog niet waar. Het is het tweede jaar dat alleen de jongste nog gelooft. Maar dit jaar is ze extra alert. Ze onderzoekt grondig de blikken van de anderen bij elk geluid. Toch laat ze zo min mogelijk blijken. We genieten de hele avond en ze zijn allemaal razend enthousiast over hun cadeaus. Stiekem vraag ik mij af wanneer ik het haar ga vertellen en hoe.
De dag na Sinterklaas kijk ik naar mijn dochter. Dan zie ik het aan haar blik. Ik hoef niets meer te vertellen. Ze is er uit hoor. Jawel, ze heeft het door. De zwarte pieten zijn eigenlijk niet zwart en dat weet Sinterklaas ook!

 

 

 

zaterdag 1 december 2012

Fenomenaal

Ik zit op de bank en kijk naar de Voice of Holland al weet ik zelf niet waarom. Eigenlijk kijk ik niet eens, ik wil alleen gewoon geluid om me heen. Mijn hoofd is leeg en vol tegelijk. Eerder op de avond reed ik “even” zo’n  300 kilometer. Dat doe ik vaak maar vanavond was het zwaar. Heel zwaar. Extra zwaar.

“Nu terug naar huis, hou je me wakker” sms ik naar hem. Zo’n half uur later krijg ik de eerste “Wake Up”. Hij loodst me moeiteloos met leuke opmerkingen door het moeilijkste stuk heen. Zo is hij. Hij steunt me met minimale moeite in de moeilijkste fases van mijn leven. Bijzonder of raar. Synoniem van raar is eigenaardig, excentriek, gek, merkwaardig, ongewoon, typisch, vreemd, wonderlijk, zonderling of  fenomenaal. En zo kunnen we dan nog wel even door gaan. Een begin van een bijzondere band. Een bijzondere band met een bijzondere man. En nog elke dag ben ik dankbaar dat ik hem zomaar ontmoet heb. Dat iemand het gesprek onderbrak en wij in contact kwamen met elkaar.
Misschien zou ik beter mijn bed in kunnen gaan maar daar ben ik dus even niet aan toe. Te moe of niet moe genoeg? Eindelijk rust of te stil in huis? Ik weet het niet meer. Ik ben er gewoon even niet aan toe en dus beland ik op de bank. Als mijn eerste glas wijn leeg ik sla ik de warme plaid terug en loop naar de kast voor een nieuwe fles. Normaal heb ik een zwak voor flessen met een kurk. Gewoon omdat het zo hoort. Het heeft iets van romantiek. En is er een man in huis dan mag hij de fles ontkurken. Niet omdat ik het niet kan maar omdat het zo’n prettig authentiek gevoel geeft. Zo hoort het. Ik hou wel van het ouderwetse rollenpatroon. Hij die de vuilnisbak buitenzet en ik die zijn overhemden strijkt. Maar vanavond staat de kurk alleen maar voor “lastig”. “Lastig” omdat ik dan weer naar beneden naar de keuken moet voor de kurketrekker en het voegt toch niets toe. Niemand die het ziet. Geen man in huis om te ontkurken. Dus kom maar op met die achterlijke draaidop.
De voice gaat door alsof er levens van af hangen. Zonder het gekakel tussendoor is het voor mij als een cd die op staat of de radiozender waarbij je helaas niet zelf je liedjes kunt kiezen. Want als ik die keuze heb, kies ik altijd het zelfde. Het liefst op repeat tot ik als vanzelf het volgende liedjes begin te zingen als het vorige stopt. Dat is fijn, dat is vertrouwt. Een soort van teletubbies “en nog een keertje….”.
Ik heb een grote voorkeur voor Blof. En toen las ik dat iemand dat zomaar benoemde als pulp. Al zo’n tig keer had ik het nummer genoemd. We hadden het zelfs al tig keer gehoord. Maar soms horen de mensen de teksten niet of willen ze het niet horen. Niks makkelijk. Diep snijdend in je ziel. Als je luistert naar de tekst raakt het je. Tenminste mij. Laat ik het raken. Want het mag. Ik weet ook wel dat het merendeel niet eens echt luistert. Want we laten ons liever niet raken. De helft van Nederland zijn meelopers.  Dat woord doet me dan weer denken aan een vorige directeur van mij die vertelde hoe eens een hele groep met aardig geschoolde mensen tijdens een trip naar het buitenland zo achteloos achter hem aan liepen. En dus liep hij ergens een roltrap op om boven weer gewoon naar benden te gaan. De hele groep ging als makke schapen achter hem aan. En hij? Hij zwaaide naar de groep die nog omhoog gingen terwijl hij al weer op weg was naar beneden. Meelopers is dus niet voor de domme. Het is makkelijk en we zijn nu eenmaal een gemakzuchtig volkje.
De voice is inmiddels afgelopen. Vraag me niet wie gewonnen heeft of wie door is want ik heb werkelijk geen flauw benul. Ik weet niet eens in welk stadium het programma zich bevindt. Ik mis alleen ineens het geluid van muziek en dus schakel ik door van zender naar zender maar niets boeit me. Ergens blijf ik steken. Ik weet niet waar want ik schrijf alweer. Waarom? Alleen om morgen uit te stellen. Morgen sluit ik weer verder af en open ik weer een nieuw hoofdstuk waarvan ik weer niet weet hoe het gaat lopen. Waarvan ik niet eens weet of ik er al aan toe ben. En daar hou ik niet van. Ik wil graag zeker zijn van een goed einde. Ooit zei hij dat films geen goed einde horen te hebben. Daar moest ik toen over nadenken. Altijd fantaseerde ik alsnog een goed einde. Zo had ik het geleerd. Het komt altijd goed. Maar zo is het leven niet. Niet het echte leven. Maar wel het leven dat ik graag wil.
Ik snak naar een goed einde. Dus schrijf ik. Ik schrijf onder verschillende namen, verschillende verhalen. De een heeft een perfect leven en een geweldig einde dat eigenlijk niet stopt bij het einde. Te mooi om waar te zijn. En de ander leeft het leven. Je kunt er niks mee en dus herken je jezelf. Blijkbaar zitten de mensen daar op te wachten. En dus schrijf ik het gewone leven. Waarin morgen morgen is. En nu de bank is en het glas wijn. Waarin ik snak naar liefde, geborgenheid en het graag goed wil doen maar waarin het meeste natuurlijk niet lukt. Waarin de plaid de warmte geeft en mijn schrijfblok de intense leegte vult.

Nicotinebruin


“Ik kan alles” zegt hij,  “maar ik ben er niet goed in”. Zijn gezicht spreekt boekdelen. “Wil je dan de kamer witten?” vraag ik en hij knikt van ja. Gestructureerd gaat hij aan de slag. Ik grap af en toe naar mijn vriendin dat hij een probleem heeft omdat hij niet kan zien waar hij gebleven is. Hij beantwoord dat met te zeggen dat hij nicotinebruin toch echt mooier vond dan het wit wat nu tegen de muur aan gaat. Aan het einde van de middag moet ik bekennen dat hij erg goed is in witten. Waarschijnlijk heeft hij liever dat ik dat dan weer niet hard op doe.
In de ochtend Whats appt ze “goedemorgen”. Ik app terug dat ik nu onder de douche spring en zij antwoord met “tot zo”. Een tijdje later hoor ik de bel. Ik ben blij dat ze er is. Een last valt van me af. Pff gelukkig, niet alleen aan de slag dit vandaag. Ik maak me al de hele week druk. Zie het soms gewoon even niet meer. Gelukkig duurt dat meestal niet lang maar gisteren zat ik er toch wel even doorheen. Zoveel meer te doen in het huis dan gedacht. Muren geel van de nicotine en alles zo vreselijk vies. De moed zonk echt letterlijk in mijn schoenen. “Kom” zegt ze en we lopen de keuken in. Ik zet koffie en thee en vertel de dingen van de afgelopen dagen. Ze heeft kaascroissants meegebracht en dus ontbijt ik met een croissant en koffie. Het wordt weer een beetje helder in mijn hoofd. Zij laat de hond uit terwijl ik de laatste was ophang en mijn haren föhn. Want ook het gewone dagelijks “was-droog-en-strijk-gebeuren” moet gewoon door al zit je dan midden in verhuistoestanden.
In het huis besluiten we met de keuken te beginnen. En niet voor niets. Alles is vet en vies.  Al snel worden we verrast met bezoek. De eigenaar heeft hulptroepen opgetrommeld.  Nieuwe deuren worden naar boven gebracht en geplaatst. Stuk voor stuk worden de dingen afgehandeld. De man baalt ook van alles en doet vreselijk zijn best en tussendoor grappen we wat. Nummer twee van zijn hulptroep komt er aan en ook het keukenkastje wordt bekeken. Ik heb mijn gedachten ondertussen maar op nul gezet en werk gewoon kastje voor kastje verder. Ik spuit puur schoonmaakmiddel op de planken en zie het vet verdwijnen. Gelukkig hebben we op de weg naar het huis nog even een fles of wat van het meest agressieve spul gekocht. En zie het werkt.
Als ik rond een uur of één een trapje op ga halen, wordt ik verrast door de eerste sms of ik hulp gebruiken kan. Ik bel maar gelijk dat alle hulp erg welkom is. Ze meldt dat de hulptroepen onderweg zijn en of we nog spullen nodig hebben. Als de trap in de auto zit en ik bijna weer bij het huis ben, sms’t mijn vriendin “jij kan vast nog wel een handje gebruiken….” Het is geen vraag maar ik antwoord toch enthousiast met een “jaaaaaaaaa’. “Kom er zo aan” zegt het volgende berichtje. Ik voel me gelukkig met deze lieve mensen.
Het toilet wordt niet schoongemaakt, maar gedesinfecteerd. En hoe! Ze pakt het grondig aan. De stoomreiniger wordt gehaald en de geur van bleek komt je tegemoet. Als het klaar is  herken ik het bijna niet meer. Zelfs de toiletbril is al vervangen door een mooi zwart exemplaar. Als ik enthousiast aan de deuren begin, slaak ik een kreet van verbazing. De rest komt kijken en weten niet wat we zien. Druppels bruin lopen naar beneden en als ik de doek over de deur haal blijkt die gewoon wit te zijn! Later in de middag blijkt dat het toch echt crèmekleur is maar dat zagen we natuurlijk niet met die prachtige gele muren ernaast. Ik voel me een schoonmaakreclame van het ergste soort en besef tegelijk dat ik niet te veel van het spul moet inademen maar acht… werken doet het wel. Langzaam verandert de kamer van nicotinebruin in wit en crème.
Als ook de deuren in de hal gedaan zijn en de stofzuiger nog eens de hele woonkamer, keuken en hal door geweest is en de dweil en een emmer of drie schoon dweilwater er achter aan, besluiten we dat het genoeg is. Zien doen we te weinig nu en het is mooi voor vandaag. Dan denk ik nog even terug aan de opmerking van de vorige huurder die vanmiddag nog een kast op moest halen. “Zo je hebt genoeg hulp, hadden wij dat maar gehad”. “Inderdaad” denk ik en ik voel me rijk met de lieve vrienden die me zo goed helpen. Mooie cadeautjes zijn dat.
Thuis warmen we het Chinese eten op dat zij meegebracht heeft en zitten nog een tijd aan tafel te keuvelen over van alles en nog wat. Dan breng ik haar naar huis want inmiddels regent het en wil ik niet meer dat de op de fiets gaat. Ze verrast me door te zeggen dat ze morgen weer komt helpen. Als ik weer terug ben besluit ik dat ik het verdiend heb. Het schrijven van een blog en een glas wijn. En dan zo lekker slapen en op naar dag 2.

maandag 26 november 2012

De wind


De wind
waait 
alle
muizenissen
uit
mijn
hoofd
 
De storm
pakt het
nog
wat straffer
aan
en
zorgt
dat alleen
de
allerzoetste
herinneringen
blijven
bestaan

 

zondag 25 november 2012

De Storm

Het is half zes in de ochtend als ik wakker word. De wind giert om het huis. In een flits vraag ik me af of alle ramen dicht zijn. Dan trek ik het dekbed nog net iets hoger en draai me om. “Het slaapt lekker als het zo waait” zei mijn moeder vroeger altijd, en ik heb dat zelfde gevoel. Mijn vader dacht daar anders over. Die was bang van wind. Als kind moest ik daar om lachen. Zo’n grote man, bang van de wind.
 
Heerlijk is het om met wind over het strand te lopen. Alleen maar de wind langs je hoofd voelen en horen. Lopen tegen de wind in, je haren wapperend naar achteren. Je handen diep in je zakken en alles uit je hoofd laten waaien. Niets zeggen, alleen maar lopen. Je ene voet voor de andere, tegen de wind in lopen. Aan niets denken. Alleen de zee horen. Eigenlijk vooral alleen de wind horen. En dan later ergens warm naar binnen voor koffie met slagroom want van chocolademelk hou ik niet. Een goed glas wijn of een bijzonder glas bier mag natuurlijk ook. Vanochtend liep ik met de hond buiten. De wind maakte weer even mijn hoofd leeg. En dat is nodig. Het stormt in mijn hoofd. Er gebeurd zoveel in zo’n korte tijd. Elke dag maak ik lijstjes en zo hou ik de controle. Maar af en toe heb ik het nodig om buiten te lopen en alles weg te laten waaien. Mijn hoofd leeg te maken en alles wat onzin is vooral buiten te laten. Even lopen in de wind, nergens aan denken, daar krijg je nieuwe energie van.
Binnen zitten als het buiten zo waait. Binnen zitten en weten dat je veilig bent, dat is ook heerlijk. Het geluid van de wind om je huis heen horen. “Laat buiten de stormwind nu maar razen in het donker, want binnen is het warm en licht en goed”. Boudewijn de Groot. De avond. Prachtige tekst.  “Hand in hand naar buiten kijken waar de regen valt. Ik zie het vuur van hoop en twijfel in je ogen en ik ken je diepste angst. Want je kunt niets zeker weten en alles gaat voorbij. Maar ik geloof, ik geloof, ik geloof, ik geloof in jou en mij”. Is er iets mooier dan dat. De storm buiten is altijd mooier als je binnen met zijn tweeën bent. Als je de rust en het vertrouwen kunt hebben. De haard aan en dicht tegen elkaar kunnen kruipen. Want dan is er geen angst en kan zelfs de ergste storm je niet bang maken. Hoe anders is het met de stormen in jezelf.
Hoewel….. ooit waren we een weekend kamperen. Van vrijdag tot maandag was de bedoeling. Met een klein tentje trokken we naar Duitsland en streken neer op een camping aan de Moezel. We hadden nog geen kinderen maar wel een hond en die ging dus mee. De andere gasten op de camping vonden het een vermakelijk gezicht als we in de avond met zijn tweeën bij de barbecue zaten. De hond braaf tussen ons in, wachtend tot zijn stukje vlees klaar was want brokken hadden we niet meegenomen. In de avond dook de hond als eerste de tent in, in de ochtend was hij als eerste wakker. Op zondag tegen de avond was de vraag wat we zouden doen. Zoals altijd wilde ik het liefst langer blijven. Een goed gevoel wil ik graag vasthouden. Het liefst de tijd stilzetten. We dronken thee en luisterde naar de radio. Er zou regen komen. Met tegenzin gaf ik toe om dan toch maar in te gaan pakken. Een natte tent morgen was dat ene nachtje ook weer niet waard. Omdat mijn thee nog heet was, besloot ik alvast was kleding in de auto op te ruimen.
En toen ging alles ineens heel snel. Terwijl de achterklep van de auto nog openstond voelde ik een enorme windvlaag. Met moeite drukte ik de klep naar beneden en probeerde de was nog bij elkaar te rapen. Ik kon me amper rechtop houden zo sterk was de wind. Als in een waas greep ik de hond en drukte ons tegen de auto aan. Ik zag mijn vriend de tent in duiken en aan de stangen gaan hangen om de tent niet de lucht in te laten vliegen. Voorovergebogen over de hond leek het alsof secondes uren duurden. Ik voelde takken op mijn rug vallen en voelde water in mijn gezicht striemen. Ik kon niets anders dan me zo met hond tegen de auto drukken en wachten tot het voorbij zou gaan. En ineens was het over. Zo ineens als de wind gekomen was, was het ook weer voorbij. Sinds die dag begrijp ik de angst van mijn vader voor de wind.
Droog inpakken is niet meer gelukt. Kleddernat was alles. Niet van de regen maar van het opspattende water door de wind. Mijn vriend had geluk gehad, zagen we later. Een ijzeren dak van een boot een stukje verder op was door de wind opgepakt en net achter ons tentje terecht gekomen. Onderweg naar huis zagen we een lint van schade. Rechts zagen we rijen dikke bomen die als luciferhoutjes geknakt waren. Maar aan de linkerkant leek het alsof er niets gebeurd was.
Vanaf die dag kijk ik toch anders naar de wind. Begrijp ik de angst van mijn vader. Maar het diepgewortelde gevoel van geborgenheid dat mijn moeder mij bijbracht over de wind, zit ook in mij. Als er wind is luister ik en bepaal of er reden voor angst is. Zo ook vanochtend. Dan trek ik het dekbed nog wat hoger en nestel me in mijn warme bed. Deze wind valt wel mee denk ik en ik val weer in slaap.

 

zaterdag 24 november 2012

Elk huisje heeft zijn kruisje

“Ik heb er nog meer” roept hij naar zijn vriendje die aan de kant van het water staat met een hengel. Hij houdt een bakje in zijn hand en loopt op een drafje naar het andere jongetje. Ik bekijk het van een afstandje en denk “wat heerlijk om zo klein te zijn en geen zorgen te hebben”. Dan schrik ik van mijn gedachte want wie zegt mij dat zij geen zorgen hebben. Misschien gaan ze straks wel naar huis waar de één ruziënde ouders heeft en de ander alleen bij zijn vader is omdat zijn moeder een half jaar geleden overleed.

Langzaam wandel ik verder. De hond loopt iets voor mij uit. Vanaf een afstand kan een ander hier een prachtig gelukkig tafereeltje van maken. Dan ben ik iemand die heerlijk aan het wandelen is en zo naar huis gaat. Naar een gezellig warm huis waar manlief koffie heeft gezet en voor de kinderen warme chocolademelk heeft gemaakt. Een meisje hangt om hem heen te dralen en de jongen speelt met zijn autootjes. De kat ligt lui voor de brandende openhaard en het ruikt naar versgebakken appeltaart. Maar de realiteit is dat ik me eigenlijk gewoon heel verdrietig voel. De man is er niet en de kinderen dit weekend ook al niet. Mijn hoofd maalt om alles wat nog gedaan moet worden. De katten waar ik tijdelijk voor zorgde zijn gisteren weer naar huis gegaan en zelfs de hond is verdrietig en komt de keuken niet meer uit. Mijn huis is leeg. Er vandaag iets van maken heeft weinig zin want over een paar weken gaan we verhuizen. Ik trek mijn handen nog wat verder terug in mijn mouwen, het is koud. Niet alleen buiten maar vooral in mij. Dapper wandel ik door en ben voor de buitenwereld vast een mooi tafereeltje.
“Het is niet echt hoor, het is een neppe” zeiden de kinderen een paar jaar geleden als ze me weer eens met een drol of spin voor de gek wilde houden. Alles was niet echt was, heette “een neppe”. En hoe ouder ik word, hoe meer ik om me heen kijk en denk alles is zo nep. Als ik lees op twitter en facebook zie ik iedereen opzoek naar zichzelf. Het hoort bij deze tijd. Niet alleen ik maar de hele wereld is zich zelf blijkbaar kwijtgeraakt. Een enkeling heeft zich zelf inmiddels gevonden maar of dat werkelijk zo is vraag ik me soms af. Eens woonde ik in een huis dat van hout leek te zijn maar het niet was. De muren binnen leken steen maar waren dan weer wel van hout. Het gezin dat er in leefde was geen echt gezin. Het leek mooi.
Overal om me heen zie ik het. Het meisje op school dat lacht en komt aanrennen om me een knuffel te geven, lijkt heel gelukkig. Maar als je met haar praat komt een afschuwelijke waarheid naar boven. Een moeder die ik tijdens een info avond over haar kinderen hoorde praten, blijkt later aan Münchhausen by proxy te lijden. De vrouw waarvan ik me afvraag hoe ze in hemelsnaam op die oudere en zeker niet knappe man kon vallen, blijkt jarenlang mishandeld en hij ving haar op. Gezinnen die een prachtig totaalplaatje zijn, vallen spontaan uit elkaar. De man die zo gelukkig lijkt met zijn vrouw, heeft in het geheim een ander. In de netste wijk van de stad huist een hennepkwekerij en de man die zoveel geld lijkt te hebben, besluit zelfmoord te plegen omdat hij de druk van alle leningen niet meer aan kan. De mooiste vrouwen hebben heel wat laten inspuiten of rechttrekken. Prachtige boezems zijn vooral van silicone. En zelfs in mijn verhalen kun je niet weten wat echt is en wat niet. En op twitter en facebook proberen we vooral onszelf voor de gek te houden door te laten zien hoe gelukkig we zijn. En december is helemaal de maand vol bedrog.  
Als ik bij ze aanbel doe ik mijn best een glimlach tevoorschijn te toveren. Ondertussen probeer ik uit alle macht mijn tranen te bedwingen maar ik weet nu al dat dat tevergeefse moeite zal zijn. De eerste die nu iets aardigs tegen me zegt, krijgt de hele lading over zich heen. Als ze mijn jas aanpakt voel ik het al aankomen. En dan zegt ze: “Heb je lekker uitgeslapen?” Ik schud mijn hoofd en mompel iets. Maar te laat. Ze ziet ze al terwijl ik ze nog probeer te verdringen. Mijn hemel waarom kan ik niet gewoon lachen en doen alsof zoals de rest van de wereld. “Een last is van mijn schouders gevallen dus mens lach” denk ik bij mezelf. “Ach meisje” zegt ze dan en ja hoor alsof ze een startsein geeft lopen de tranen over mijn wangen. Na twee koppen koffie en heel wat praten, kunnen we beide weer adem halen. “Elk huisje heeft zijn kruisje” zegt ze tegen me. Ik prijs me gelukkig met wat ik wel heb en zou niet met haar willen ruilen. Zij misschien ook wel niet met mij. We dragen het lot en maken er het beste van. “Ach meestal lukt het me wel hoor” zeg ik dapper “dan zie ik het mooie allemaal wel”.  Ze knikt en weet wat ik bedoel. Het zijn mooie mensen en ik ben vooral blij dat ik ze ontmoet heb en verheug me er nu al op dat ze straks eens gezellig bij mij koffie kunnen komen drinken. Of liever nog het door mij aan hem beloofde borreltje.